De ui deed ik Ole
a ar per Al
EL A
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
PE BERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
DR. J. TH. OUDEMANS, PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE EN
Dr. A. C. OUDEMANS
ZEVEN-EN-VIJFTIGSTE DEEL
JAARGANG 1914
MET 7 PLATEN.
231232
s-GRAVENHAGE MARTINUS NIJHOFF 1914
Voor den inhoud van de in dit Tijdschrift geplaatste stukken zijn de schrijvers alleen verantwoordelijk. De
Redactie is dit in geenen deele.
Aflevering 1 (blz. 1—88) uitgegeven 21 Maart 1914. > 2 (blz. 89— 168) uitgegeven 30 Juni 1914. > 3 en 4 (blz. 169— 290) uitgegeven 15 October 1914.
Verslag van de zeven-en-veertigste Wintervergade- ring der Nederlandsche Entomologische Vereeni- ging, gehouden te Rotterdam op Zondag den as lanuarı TOL |
Verslag van de negen-en-zestigste Zomervergadering der Nederlandsche Entomologische Vereeniging,
gehouden te Weert op Zaterdag den 20° Juni 1914. |
FRIESE (Dr. H.), Die Bienenfauna von Java
HESELHAUS (F.), Uber Arthropoden in Nestern .
MAC GILLAVRY (Dr. D.), De entomologische fauna van het eiland Terschelling voor zoover zij tot nu toe bekend is
OUDEMANS (Dr. A. C.) Beschrijving van een weinig bekende en drie nieuwe soorten van NO CEU Sua Singles ee 7
ROON (G. VAN), Nigidius oblongus, ein neuer Lucanide aus Java
ROON (G. VAN), Dorcus rudis Westw.—derelictus Parry .
HARTMANN (F.), Neue Rüsselkäfer aus der Samm- lune des Herm Dr. Hej. Veth im Haas...
INHOUD VAN HET ZEVEN-EN-VIJFTIGSTE DEEL.
Bladz.
IO 62—88
89— 106
107—119
RONA
INHOUD.
HAVERHORST (P.), Eenige mededeelingen en op- merkingen omtrent Nederlandsche Lepidoptera
MEWERE: (Prof Dr CH De), Studienubes südostasiatische Dipteren IX.
Errata
Register
Bladz.
277 —200
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE
UITGEGEVEN DOOR
DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
ONDER REDACTIE VAN
Dr. J. TH. OUDEMANS, Pror. Dr. J. C. H. DE MEIJERE EN
Dr. A. C. OUDEMANS
ZEVEN-EN-VIJFTIGSTE DEEL
JAARGANG 1914
EERSTE AFLEVERING
(21 MAART 1914)
zonen {nst fs =» de: A
> 9» il MUS Las =
’S-GRAVENHAGE MARTINUS NIJHOFF 1914
NERSCAG
VAN DE
ZEVEN-EN-VEERTIGSTE WINTERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLGGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN TE ROTTERDAM,
OP ZONDAG 25 JANUARI 1914, DES MORGENS II URE. 3 A hä Int; > CS € “HA
JUN 2
Nice-President: Jhr, Dr, Ed. ].'iG: Everts. ar, | Museu 4
Verder zijn tegenwoordig de heeren: P. J. vand sereh Ezme Die) Büttikofers EJB van Dunne,iR. van be Dervan ‘der Hoops Ke J. W. Kempers, AE, Kerkhoven, B. H. Klijnstra, J. Lindemans, Dr. D. Mac Gillavry, Prof. Dr. GEen Meiere, Brot. Dr. GA. F, Molengraattn |¢ Nieuwenhuis, A. A. van Pelt Lechner, Dr. C. L. Reuvens, Gavan soon; MAC Sole EB. «Feunissen;. Mr. D. LE Uytten- boogaart, Dr. H. J. Veth en Mr. L. H. D. de Vos tot Neder- veen Cappel, benevens als gast Mej. A. E. M. de Vos tot Nederveen Cappel.
Man de heeren C. P. G. C. Balfour van Burleigh, Mr. A. biants Me Galand Es Divan Dissel, PL. Haverhorst, N. A: de Joncheere, W.de Joncheere, Mr. C. van Nievelt, Dr. A. C. Oudemans, De tha Oudemans, PJ M. Schujjt, «H.cA. de Vos tot Nederveen Cappel, E. Wasmann S.J. en C.J. M. Willemse is bericht ingekomen, dat zij verhinderd zijn de vergadering bij te wonen.
Tydschr. v. Entom. LVII. I
II VERSLAG.
Aangezien de President, Dr. J. Th. Oudemans, door eene lichte ongesteldheid verhinderd is aanwezig te zijn, opent de Vice-President ten 11 ure de vergadering met eene korte toespraak, waarin hij de aanwezige leden welkom heet, in het bijzonder den heer Nieuwenhuis, die eerst korten tijd geleden als lid is toegetreden.
De Vice-President stelt daarna voor, over te gaan tot het vaststellen van de plaats, waar de volgende Winterver- gadering zal gehouden worden. Hiervoor worden ’s-Graven- hage en Utrecht aanbevolen.
Bij stemming wordt ’s-Gravenhage aangewezen, zoodat de Wintervergadering van 1915 dus aldaar zal worden gehouden.
Thans overgaande tot de wetenschappelijke mededeelingen, verleent de Vice-President het woord aan Prof. Dr. J. C. H. de Meijere.
De heer de Meijere vermeldt, dat hij in den laatsten tijd de Trypetiden, door den heer JACOBSON op Java verzameld, heeft onderzocht, waarbij hem eene tijdens dit onderzoek verschenen verhandeling van BEZZI over de tot deze familie behoorende vliegen in het museum te Calcutta van veel belang is geweest. De Indo-Australische fauna blijkt hiervan een aantal eigen genera te bezitten, waaronder verscheidene met gevederden sprietborstel, iets, dat bij die van het pa- laearktische gebied slechts bij uitzondering voorkomt. In 't bijzonder vestigt Spr. de aandacht op de volgende soorten :
Anastrepha extranea n. sp., het genus was tot dusverre slechts uit Amerika bekend;
Kambanganta n.g. metatarsata n.sp., van Noesa Kamban- gan, gekenmerkt door een bij het ¢ althans voorhanden uit- steeksel aan den metatarsus der middenpooten ;
Carpophthoromyia tomentosa n. sp.; het genus was slechts uit Afrika vermeld :
Tritaeniopteron n.g. eburneum n. sp. ; een genus verwant aan Rioxa, met eigenaardige vleugelteekening, bestaande uit 3 zwarte banden, waarvan de 3° van de spits af met den ach- terrand parallel loopt;
Platenstna ampla n.sp., met zeer breede vleugels van
VERSLAG. III
zwartbruine kleur met enkele lichte vlekjes. De type van het genus, // sumbana Enderl., was ook onder het Javaansche materiaal aanwezig ;
Ornithoschema n.g. oculatum n.sp.; zeer eigenaardig zijn 2 lensvormige, glanzig zwarte verhevenheden dicht vöör de spits van het geheel gele achterlijf.
De in Europa in talrijke soorten voorhandene geslachten Tephritis en Trypeta zijn in de Javaansche fauna zeer schaars, het laatste in ’t geheel niet vertegenwoordigd.
Vervolgens vermeldt Spr., dat hij in de laatste jaren onder- zoekingen heeft verricht omtrent de nog zeer onvolledig bekende metamorphose der Dipteren. Hij heeft langzamerhand een materiaal bijeengebracht, waarin althans de voornaamste families alle door enkele vormen vertegenwoordigd zijn en heeft daarvan een vergelijkend morphologisch onderzoek nagenoeg gereed. Vooral den nog zeer duisteren kopbouw dezer larven heeft hij nagegaan, o.a. met het doel om de morphologische waarde van het inwendige kopskelet der hoogere Dipteren te leeren kennen. Spr. kwam tot het resul- taat, dat de door HOLMGREN aangenomen serie: Chzronomuts, Phalacrocera, Microdon, Musca niet den juisten phylogene- tischen weg kan aanduiden, maar dat op minstens vier ver- schillende plaatsen van het systeem reductie van den kop der Dipterenlarven is opgetreden. De Tipulidenstam staat hierbij geheel op zichzelf. Zeer belangrijk is de nog nagenoeg volledig gechitiniseerde kop van Z%ereva, bij welke bovendien het inwendig kopskelet, het tentorium, met zijne staafvormige verlengsels sterk ontwikkeld is en bovendien zich van het achtereinde van den kop een lang, smal aanhangsel in den thorax uitstrekt (de metacephale staaf), aan welks achter- uiteinde de oogblazen voor de vorming van het imaginale oog ontspringen. Deze metacephale staaf en de staafvormige aanhangsels van het tentorium vormen, alle zeer sterk ont- wikkeld, het inwendig kopskelet der Dolichopodiden- en Empidenlarven, en dringen ver in den thorax in, terwijl de kop zelf hier klein en grootendeels met eene dunne, onge- kleurde chitinehuid bekleed is. De weg, die naar de hoogere Dipteren leidt, is een andere; bij deze spelen noch de meta- cephale, noch de tentoriumstaven eene rol, maar ís het
IV VERSLAG.
inwendige kopskelet uit het excessief ontwikkelde voorste gedeelte van het tentorium opgebouwd, waarbij nog boven- dien eene instulping van mondopening en het daaraan naar boven toe grenzende deel van den kop heeft plaats gehad.
Door de welwillendheid van Dr. J, TH. OUDEMANS werd spreker in de gelegenheid gesteld de in deze maand op diens landgoed Schovenhorst” te Putten (Geld.) van vruchtboomen afgenomen vangbanden te doorzoeken, zooals ook reeds in vroegere jaren door Dr. MAC GILLAVRY is geschied (zie Tudsehr.,v. Entom. 512 p. MIsen 752) spe O AID RO EE geheel kwam het resultaat met diens bevindingen overeen. Ook hier waren de spinnen het talrijkst vertegenwoordigd, daaronder voornamelijk Drassiden, die de talrijke witte spinsels bewonen, die op de vangbanden zijn waar te nemen. Col- lembola werden niet opgemerkt. Van Lepidoptera valt te vermelden, dat ditmaal ook enkele Pzerzs-poppen aanwezig waren. Dipteren zijn onder de banden zeldzaam; van ima- gines kwam slechts Pollenza rudis F. var. varia Meig. voor; onder één band waren een aantal exemplaren bijeen, overi- gens werd sporadisch nog een exemplaar aangetroffen. Op- merkelijk is, dat de exemplaren zeer sterk in grootte ver- schillen. Behalve eenige sluipvliegen- (Digonochaeta-)tonnetjes, „werden nu meerdere kleine, grauwe Syrphidenlarven gevon- den, die, evenals een paar grootere, licht gekleurde, waar- schijnlijk tot de Syrphus-groep behooren en van bladluizen op de boomen zullen hebben geleefd. Daarmede zullen zich vok hebben gevoed de talrijke Chrysopiden-, (vermoedelijk Hemerobius-) larven, die in opengewerkte cocons den winter onder de vangbanden doorbrengen. Evenals in vorige jaren door Dr. MAC GILLAVRY werd waargenomen, bleken ook nu Raphidia-larven aanwezig te zijn, ditmaal vier grootere en eene veel kleinere, zoodat deze larven blijkbaar niet altijd in volwassen staat overwinteren. Hemipteren waren schaars vertegenwoordigd. Ofschoon de oogst aan soorten niet bij- zonder groot was, is deze vangmethode toch een middel, zich bepaalde soorten, die men anders slechts bij toeval ontmoet, zooals de Raphidia-larven, te verschaffen.
Ten slotte laat de heer DE MEIJERE rondgaan twee ver- handelingen van C. WESENBERG—LUND, n.l.: Wohnungen
VERSLAG. V
und Gehäusebau der Süsswasserinsekten, en: Fortpflanzungs- verhaltnisse: Parung und Eiablage der Süsswasserinsekten, beide verschenen in Fortschritte naturwiss. Forschung, 1913. resp Bd. IX en VT
In beide geeft deze zeer bekwame en ijverige auteur tal van nieuwe waarnemingen omtrent de uiterst belangrijke biologie der waterinsecten, alles met een groot aantal figuren verduidelijkt. Het was te voorzien, dat in de eerstgenoemde aflevering aan de Trichoptera de grootste plaats is ingeruimd ; vooral trekken híer de aandacht de figuren van den naar den leeftijd verschillenden kokerbouw van Glyphotaelius en de fuikvormige netten van vele carnivore larven. Niet minder merkwaardig zijn echter de kokers van sommige Chironomiden en hetgeen over het water bewonende Lepi- dopteren-larven wordt medegedeeld, evenals de zeer talrijke bijzonderheden omtrent paring en het afleggen der eieren bij waterinsecten, waarover in de 2° verhandeling wordt geschreven.
Ofschoon Spr. de laatste zal zijn, om de waarde van syste- matisch en faunistisch werk te onderschatten, kan hij toch den wensch niet onderdrukken, dat de geest van SWAMMER- DAM en REAUMUR, die uit die verhandelingen spreekt, meer dan tot dusverre vaardig moge worden over onze Neder- landsche entomologen. Er ligt hier nog een ruim veld ter bewerking open met belofte van veel rein natuurgenot voor wie zich daartoe aangetrokken gevoelt. Maar dan blijve het niet bij terloopsche waarnemingen, zonder behoorlijke kennis der literatuur te boek gesteld, maar streve men door beper- king van studieveld en door degelijkheid wetenschappelijk werk te leveren van blijvende waarde.
Over het door den heer DE MEIJERE medegedeelde onder- zoek van vangbanden ontstaat een levendig debat.
De heer Kerkhoven vraagt, of het doel van deze vang- banden wel wordt bereikt, daar vele nuttige insecten, vooral spinnen en bladluizen-etende Coccinellidae, worden vernietigd, terwijl het aantal der daarin gevonden rupsen van Carcocapsa pomonana Schiff. en van exemplaren van Authonomus-soorten,
VI VERSLAG.
waarvoor zij voornamelijk worden aangelegd, slechts gering bleek te zijn.
De heer de Meijere vestigt de aandacht er op, dat Dr. J. TH. OUDEMANS bij eene vroegere bespreking heeft mede- gedeeld, dat vermoedelijk vele Carcocapsa-rupsen door meezen uit de banden gepikt worden.
De heer Uyttenboogaart merkt op, dat de schade door snuittorren aan vruchtboomen veroorzaakt, spoedig waar- neembaar is, terwijl men bij vruchtboomen, die veel last van bladluizen hebben, eerst na jaren de schade bemerkt, door het feit, dat zij geen vrucht meer dragen en een ziekelijk voorkomen krijgen.
De heer Mac Gillavry kan als resultaat van het door hem gehouden onderzoek mededeelen, dat in sommige jaren zeer veel snuittorren in de banden werden aangetroffen, wat wel- licht kan worden toegeschreven aan de omstandigheid, dat dit de voorjaarsbanden waren, waardoor de door hem ver- kregen resultaten eenigszins afwijken van die van Prof. DE MEIJERE. Het komt hem wenschelijk voor, dat deze onder- zoekingen worden voortgezet en de resultaten worden gepu- bliceerd, daar men nu nog niet kan nagaan of deze banden beantwoorden aan hun doel.
De heer Everts merkt op, dat men bij alle vangmethoden zoowel nuttige als schadelijke insecten zal vernietigen, doch het is de vraag, welke van beide in grooter aantal worden aangetroffen. Hij meent, dat een onderzoek in verschillende streken en dan in meerdere boomgaarden, waarvan de resul- taten gepubliceerd moeten worden, slechts tot een eindresul- taat kan leiden.
De heer Teunissen zal gaarne zien, dat de inspecteurs van den phytopathologischen dienst hun aandacht hieraan wijden, daar deze zeker in de gelegenheid zijn, belangrijke gegevens te verzamelen.
VERSLAG. VII
De heer Kerkhoven beveelt behalve het onderzoek van de resultaten met vangbanden ook van die, verkregen door aanwending van carbolineum en dergelijke, aan.
De heer van den Bergh deelt mede, dat hij, hoewel het jaar 1913 voor de Lepidopterologen niet zeer gunstig is geweest, toch de vangst van een viertal exemplaren van Gnophos obscuraria Hbn. en een exemplaar van Zmydra cribrum L. var. candida Cyr. op de heide bij Tilburg kan vermelden. Hoewel deze plaats meer dan eens per jaar ge- regeld bezocht werd, werden deze soorten tot nog toe nimmer daar waargenomen.
Ook werden daar nog een drietal exemplaren van ZZelothis dipsacea L., eene lang niet gewone soort, gevangen, terwijl eene Plusia jota L. bij electrisch licht werd buitgemaakt.
Lycaena Alcon Hbn. was in 1913, hoewel lokaal, eene zeer gewone verschijning. Op smeer verscheen niets.
Op de vele exeursies, die’ Spr.-in 1912 in den Indischen Archipel maakte, had hij het geluk, een tweetal van de zeer zeldzame Papilio Neptunus Guerin te vangen, beide 2 2, welke tot nu toe alleen gevonden werden in ’t bergland van de Oost- en Westkust van Sumatra en op het eiland Nias. Van deze soort, die tot de Coon-groep behoort, werden door hem nog een 3-tal exemplaren, waaronder een d‘, gezien, doch deze verdwenen tot zijn spijt in het oerwoud.
Verder laat Spr. nog zien een 3-tal exemplaren van de zeldzame Zuploea Euctemon Hew. van Celebes, waarvan het & het eerst in 1855 beschreven en afgebeeld werd door HEWIT- SON in zijne „Il. of New Exotic Butterflies”, Vol. I, Danaidae, Euploea Il. FELDER beschreef in zijne „Reise Novara” in 1864, pag. 326, pl. 42, fig. 1 en 2, het 2 als configurata, doch bij vergelijking is dit beslist het ® van Zwctemon. | Dat deze soort zeer zeldzaam is, getuigt het felt. dat er onder de 6000 exemplaren, die Spr. van Noord-Celebes reeds ontvangen heeft, zich slechts één d en één © bevond.
Ten slotte vertoont Spr. nog een van de mooiste Lycae- niden, die uit Indië bekend is, namenlijk Amblypodia Araxes Feld. & en 9, uitsluitend bij Gorontalo op Noord-Celebes voorkomend en 2 exemplaren van blauwe Libellen, die hij
VII VERSLAG.
aan den waterval van den Bantimoerang bij Maros op Zuid- Celebes gevangen heeft. Spr. vestigt de aandacht op de dikke aderen in de ondervleugels.
Ook vertoont hij nog eene merkwaardige Ophzderis met eene groene dwarsstreep over de bovenvleugels, van Gorontalo op Celebes. Deze is beschreven en afgebeeld door CRAMER als Antilla in Deel II „Uitlandsche Capellen’, Pl. 149, fig. /, en is verwand aan smagdaripicta Walk. van Borneo.
De heer van Roon laat rondgaan: twee exemplaren van den zoo uiterst zeldzamen Phalacrognathus Müller! Mc. Leay, eene Lucanide, welke alleen voorkomt in het noordelijk ge- deelte van Queensland, en daar nog zeer schaars. De fraaie blauwe metaalglans, afgewisseld door de vuurroode vlekken op de dekschilden, maken het dier tot een der schoonste onder de Lucaniden. Voor zoover Spr. bekend is, is de soort nog niet in eene Nederlandsche collectie vertegenwoordigd.
Voorts vertoont Spr. eene door hem als nieuw erkende en beschreven Nzgzdius-soort, van Oost-Java, welke hij Vzgz- dius oblongus heeft gedoopt, en waarvan de beschrijving weldra in het Tijdschrift voor Entomologie zal verschijnen. Hij ontving het diertje van Dr. MAC GILLAVRY, aan wien het was gezonden door diens broeder te Banjoewangi. Dr. MAC GILLAVRY was zoo vriendelijk, aan Spr. het exemplaar voor zijne collectie af te staan, waarvoor hij hem zijn dank betuigt.
Dan vertoont Spr. verder eenige exemplaren o en © van Dorcus derelictus Parry, eene soort, waarvan tot voor korten tijd alleen het © bekend was. In 1862 beschreef PARRY in de Proceedings of the Ent. Society of London een Dorcus- wijfje, afkomstig uit Noord Engelsch-Indië, als Dorcus dere- lictus. Twee jaar later beschreef Prof. WESTWOOD eveneens een Dorcus-wijfje, uit dezelfde streek afkomstig, als Dorcus rudis. Dorcus rudis is een unicum gebleven, terwijl Dorcus derelictus, hoewel er meer exemplaren van bekend werden, toch altijd eene dubieuse, slecht bekende soort bleef, wat, in aanmerking genomen de bekende eenvormigheid der Lucanidenwijfjes, niet te verwonderen is. BOILEAU, de bekende Fransche Lucanidenkenner, heeft in eene „Note sur quelques
VERSLAG. IX
Lucanides du Musée de Bruxelles”, Mémoires de la Soc. Ent. Belge 1902, pag. 58, eene vergelijking gemaakt tusschen Dorcus derelictus, rudis en ratiocinativus Westw., hoewel hij D. rudis ook alleen kende uit de beschrijving en de afbeel- ding: Door eene onjuiste lezing is Spr. tot de verkeerde meening gekomen, dat volgens BOILEAU D. rudis en derelictus synoniem zouden zijn. Daardoor is deze foutieve opgave ontstaan in den Coleopterorum Catalogus, waarvan Spr. de Lucaniden heeft bewerkt. Hij hoopt die fout eerstdaags in het Tijdschrift voor Entomologie te herstellen. Kort geleden nu heeft de heer R. OBERTHUR te Rennes Dorcus derelictus in aantal uit het Himalavagebied ontvangen en wel, met de wijfjes, ook de mannetjes. De exemplaren die Spr. vertoont, zijn hem door dien heer welwillend geschonken.
De heer Veth vertoont exemplaren van een tweetal nog weinig bekende Coleoptera, die hij den vorigen zomer ving, n.l. Pocadiodes Wajdelota Wank. van de Plitvicer-Seen in Kroatië en Brachysomus Frivaldszkyi Reitt. van Herkulesbad in Hongarijë. De eerste soort werd ontdekt bij Minsk in Lithauen en later nog gevonden bij Ebensee in Neder-Oos- tenrijk en in Kroatië. Spr. trof deze soort aan in enkele exemplaren in Bovisten, tusschen een groot aantal van Poca- dius ferrugineus F. De tweede soort schijnt nog alleen bij Herkulesbad te zijn gevangen.
In de tweede plaats laat hij eenige soorten van Coleoptera zien, die door den heer JACOBSON op het eiland Simaloer zijn gevangen en die nieuw zijn voor de wetenschap. Het zijn Chrysochroa fulminans F. var. nigra Veth, Euchlora Facobsoni Oh., Euchlora nigrescens Oh. en Euchlora nigres- cens Oh. var. rufipennis Oh. Met uitzondering van laatstge- noemde variëteit onderscheiden deze soorten zich door eene zwarte of uiterst donkere groene kleur, terwijl de type van Chrysochroa fulminans F., evenals de naaste verwanten der beide nieuwe Zuchlora's, eene schitterend groene kleur ver- toonen. Deze neiging tot melanisme is vooral ook daarom inte- ressant, doordat zij ook bij geheel andere dieren van Simaloer afkomstig, zelfs bij eene apensoort, wordt aangetroffen. Ook de fraaie variëteit van Chr. fulminans, door SNELLEN VAN
N VERSLAG.
VOLLENHOVEN in het museum te Leiden var. zudigotea ge- noemd, wordt door Spr. vertoond. Deze var. is schitterend blauw met groen uiteinde der dekschilden.
De heer Everts zegt, van het Instituut voor Phytopatho- logie een schrijven ontvangen te hebben, waarin geïnformeerd werd naar de beschadiging aan Rosa rugosa, door eene Du- prestide (vermoedelijk een Agrzlus).
De heer HARRY B. WEISS, verbonden aan het „Office of the State Entomologist’? van New Jersey te New Brunswick, stuurde de hierbij rondgaande photo’s. Hij heeft nog geen volwassen exemplaren kunnen opkweeken ; de Amerikaansche literatuur maakt geene melding van eene Buprestide, waarvan de larve in rozenstammen leeft. Hij heeft de larven, later in den zomer, gevonden in rozen, die in het voorjaar uit Holland werden geïmporteerd, maar ook in rozen, die reeds drie jaar in New Jersey waren, vandaar zijne vraag of het eene in Holland bekende soort is. Het Phytop. Instituut heeft, daar de beschadiging aldaar niet bekend was, een rondschrij- ven, met de photo’s, gericht tot de inspecteerende ambtenaren in de centra van boomkweekerij, Aalsmeer, Boskoop, Naar- den en Oudenbosch, maar geen van deze ambtenaren — en zij zien zeer goed uit hunne oogen — heeft ooit iets van dien aard gezien. In zijne „Coleoptera Neerlandica” II, blz. 84, ver- meldt Spr., dat Agrzlus viridis L. als larve in allerlei boomen, maar ook in rozenstammen voorkomt. Waar Spr. deze mede- deeling vandaan gekregen heeft, kan hij zich niet herinneren.
Het verschillend voedsel schijnt invloed te hebben op de kleur-verscheidenheid der exemplaren. Gaarne zou hij van zijne medeleden daaromtrent iets naders vernemen. Wellicht dat o.a. Mr. DE Vos, die zich met het kweeken van allerlei planten in zijn tuin bezig houdt, daarvan iets heeft waar- genomen.
Spr. vraagt verder: of iemand wel eens Polyphylla fullo L. gevangen heeft op zandgronden van de Veluwe of elders, gs de Noordzee, waar deze soort algemeen is).
(>
(maar niet lan Spr., die alleen exemplaren uit Scheveningen in zijne collectie bezit, zou er zoo gaarne ook hebben uit van de Noordzee verwijderde streken van ons land.
VERSLAG. XI
Onder de tegenwoordig in gebruik zijnde methoden, om insecten als ’t ware te lokken, vindt Spr. o.a. aangeteekend, omtrent het verzamelen van in dorre takken levende Coleo- ptera, om vroeg in het jaar, laag af hangende, niet te dikke takken van boomen, met een zaagje zoodanig door te snijden, dat het afgezaagde gedeelte stevig blijft aanhangen ; daardoor worden, in het vroege voorjaar, Scolytiden en andere, dik- werf zeldzame soorten, uit hare winterkwartieren komende, gelokt, om op die kwijnende of afgestorven takken hare eieren te lessen en zich in te boren. Aldus vangt men o.a. de nog niet in Nederland bekende Cryphalus tiliae Panz. op kwijnende lindentakken.
Dan nog een vriendelijk verzoek. In duivenhokken leeft soms Dermestes bicolor F., eene soort, die schadelijk kan zijn door het knagen aan de veeren van nog jonge duiven. In Nederland is deze nog wzet bekend. Spr. laat twee exemplaren ter bezichtiging rondgaan, van welke een uit Vliermael in België, niet ver van de Nederlandsche grens.
Eindelijk vermeldt Spr. nog, dat in Engeland en Frankrijk, in de nesten van Zhaumatopoca (Cnethocampa) pitpocampa F., „the pine processionary moth” meerdere keversoorten leven, o.a. Dermestes aurichalceus Küst. Ofschoon zoowel de vlinder als de kever niet in ons gebied bekend zijn, zou het toch wel interessant wezen, om de nesten van de aanverwante Cnethocampa processionea L. eens te doorzoeken, want ook daarin leven allerlei inquilinen; Spr. houdt zich daarvoor bij zijne collega’s aanbevolen.
De heer Uyttenboogaart zegt zich te herinneren, dat FABRE vermeldt, dat de larven van Polyphylla fullo zich voeden met ,,feuilles pourries’’, en niet met de wortels van helmplanten, zooals men zou onderstellen door het veelvuldig voorkomen van deze soort in onze duinstreken.
De heer van Eecke deelt het volgende mede:
De heer Epw. JACOBSON zond aan Spr. ter bewerking toe eene zeer belangrijke collectie Rhopalocera van Simaloer en naast- bijgelegen eilandjes, waarvan tot nog toe niets naar Europa gekomen is. Spr. wil tevens van deze gelegenheid gebruik
XII VERSLAG
maken, om er op te wijzen, hoeveel materiaal uit onze kolo- niën naar het buitenland verhuist en aldaar bewerkt wordt, terwijl er in het museum te Leiden, na de belangrijke schen- king van wijlen den heer SNELLEN en van den heer PIEPERS, zulk prachtig vergelijkmateriaal voorhanden is. Moge het voorbeeld van den heer JACOBSON in de naaste toekomst gevolgd worden!
De eerste ,,nouveauté” is een Leptocircus, waaraan Spr. den naam ,,squamosus’ gegeven heeft, omdat deze merkwaardige vlinder uitmunt door zeer kleine fenestrae. Op het eerste gezicht dacht Spr. met eene nieuwe soort te doen te hebben, maar na anatomisch onderzoek bleek, dat het genus Zepto- circus maar twéé soorten omvat, nl. curzus Fabr. en meges Zink, die morphologisch direct te scheiden zijn door het al dan niet gespleten zijn van het klauwtje. Met den naam squamosus is aangeduid (waarschijnlijk) het lokale ras van Pulu Babi.
WIJTSMAN geeft liefst zes species aan, welk getal een maximum is, ook door den heer FRUHSTORFER bereikt, ter- wijl Dr. K. JORDAN een minimum aangeeft van twéé species, welk getal, ook verkregen na anatomisch onderzoek der genitalia, zonder twijfel het juiste is.
Anatomische specifieke kenmerken moeten volgens Spr. steeds in de allereerste plaats opgezocht worden, omdat de morphologische alleen, die steeds het gemakkelijkst te vinden zijn, zeker niet voldoende zijn voor eene juiste soortbepaling. Hoe moeilijker en uitgebreider het onderzoek is, des te meer waarborgen zijn er voor een juist oordeel. Dat kleur en teekening van de vlinders ons vaak op een dwaalspoor bren- gen, daarvan kan Spr. nog hieronder een recent voorbeeld aanhalen.
De tweede nouveauté is gedoopt ter eere van den tocht- genoot van den heer JACOBSON met ,,Heurnz’’, eene variatie (subspecies?) van P. evemon Bsd., die Spr. laat rondgaan met een dergelijk exemplaar van Nias. )
De P. Memnon van Simaloer vertoont eene fraaie overgang tot polymuestor Cram.
De Pieriden waren vertegenwoordigd door voorwerpen, die bijna alle iets merkwaardigs vertoonen. Van de twee waar-
VERSLAG. XIII
schijnlijk nieuwe soorten: Appias inanis en Huphina vaga, is vooral de laatste zéér interessant, daar tot nu toe het meest Westelijke exemplaar van Aspasza-achtige vlinders gevonden is op het eilandje Kangean en door den heer SNELLEN als Batseba beschreven. Noch op Borneo noch op Sumatra is die vlinders ter vinden en nu komt er in eens een voor op een eilandje ten N.W. van Sumatra. Het wijfje wijkt sterk af van hare verwanten op Celebes.
Tot nu toe zijn de soorten Daos Boisd. en Gaura Horsf. van het genus /deopsis steeds gescheiden geweest en waarom ? Omdat Gaura, die uitsluitend op Java voorkomt, in teekening verschilt van Daos, die op de andere eilanden voorkomt tot voor Celebes, alwaar deze soort vervangen is door /. vitrea Blanch. Na anatomisch onderzoek van verschillende organen, waarvan de genitaliën steeds de meeste specifieke kenmerken opleveren, heeft Spr. niet het minste onderscheid kunnen ontdekken. Gazra en Daos zijn zonder twijfel syno- niem. De naam Daos kan gehandhaafd blijven voor de varic- teit (lokale) van Borneo, terwijl Gaura, zijnde de oudste, voor de species blijven moet. Het is steeds gevaarlijk, om te veel op de teekening te letten. De voorwerpen van Simaloer, die Spr. na zijn onderzoek kreeg, vertoonen, te juister tijd arri- veerende, een prachtigen overgang van de Gaura-teekening tot de Daos-teekening. Het model is hetzelfde en hierop moet men, in de eerste plaats. letten,
Verder heeft Spr. nog meegebracht eene mooie variëteit, misschien eene aberratie, want er is maar één exemplaar, van D. melanippus Cram., die zonderlinge kleuren en teeke- ning heeft, half gelijkend op de rassen van Nias, Mentawei en Enggano en half op D. Lotis Cram van Borneo.
De Euploea’s zijn vertegenwoordigd door een viertal pracht- exemplaren, waarvan er twee, man en wijf, waarschijnlijk tot eene nieuwe soort behooren, die naverwant is aan Zup/. Crameri Luc. Het voorkomen van zoo sterke witte teekening heeft Spr. bij geen eene Zuploea waargenomen.
De twee mannetjes behooren tot Zupl. Medamus Linn., maar variëeren sterk door kleur en teekening van hunne soortgenoten.
Ten slotte volgen nog eenige Nymphaliden, die merkwaardig zijn, als eene Cethosia en cene Acca of Limenitis.
KM ee VERSLAG.
Het een en ander over deze collectie is voorloopig gepu- bliceerd in de Notes from the Leyden Museum. Eerstdaags hoopt Spr. ook de Lycaeniden bewerkt te hebben, en dan de geheele fauna te publiceeren met, zoo nogdig, gekleurde afbeeldingen.
De heer Uyttenboogaart laat in de eerste plaats ter be- zichtiging rondgaan eenige exemplaren van Monotoma quadri- foveolata Aubé uit nesten van Mus domesticus, waar deze soort met M. testacea Motsch. waarschijnlijk inquiline is. Deze vondst werd door Spr. reeds in de Entom. Berichten vermeld, doch hij vindt aanleiding er nu op terug te komen, omdat hem sedert gebleken is, dat de gele kleur van het insect eene aanwijzing ts, dat wij hier inderdaad eene inquiline voor ons hebben (ook ¢estacea Motsch., ter zelfder plaatse gevonden, is roodgeel). Het bleek hem nl, dat van een aantal Mono- toma’s in de verzameling van den heer ERICSON als 4-foveo- lata Aubé vermeld, alleen de gele exemplaren werkelijk tot deze soort behoorden; al de donker gekleurde waren verkeerd gedetermineerd. Deze kleur schijnt dus de definitieve te zijn en niet toe te schrijven aan onuitgekleurdheid. Ook onze andere inl. J/onotoma’s zijn alle veel donkerder gekleurd. Vervolgens deelt Spreker het een en ander mede over het voorkomen van Caraben. In Spr.’s tuin te Rotterdam kwamen bij het omspitten van een cirkelvormig bloembed van 3 M. middellijn 12 ex. van Carabus nemoralis te voorschijn (Oct. 1913), waaruit blijkt, dat deze dieren eerstens in zeer grooten getale op eene betrekkelijk kleine oppervlakte aanwezig kun- nen zijn, en tweedens, dat zij tegen den winter in lossen grond zich ingraven. Trouwens ook in den zomer vond Spr. bij het spitten herhaaldelijk Caraben in den grond, en slechts zelden onder bloempotten of steenen. Eenige ervaring schij- nen Caraben wel op te doen. Een diep ingegraven bloempot bevatte in de eerste week na het ingraven bijna elken morgen een of meer Caraben, die er ’s nachts in gevallen waren. Spr. haalde de gevangenen uit den pot en stelde ze in vrijheid. Na een dag of tien werden geene Caraben meer in den pot gevonden. Niet onwaarschijnlijk heeft de ervaring ze geleerd den valkuil te vermijden.
VERSLAG. XV
Spr. wijst voorts nog op het talrijk voorkomen van Ocypus olens in den zomer van 1913. In de Rotterdamsche stads- tuinen krioelde het van dezen grooten staphylinus, doch ook van elders berichtte men een ongewoon talrijk verschijnen van deze soort.
Ten slotte vestigt Spr. de aandacht op een meestal verwaar- loosd en toch zeer gewichtig onderscheidingskenmerk tus- schen Cieindela maritima en hybrida. Bij de eerste soort is n.l. de naadhoek der dekschilden in een fijn doorntje of tandje uitgetrokken, terwijl bij Zybrida die naadhoek volkomen afgerond is. Spr. verzoekt de coleopterologen, die Cencindela’s uit het binnenland als marztzima hebben bestemd, hun mate- riaal nog eens deugdelijk te willen nazien. Eene logische redeneering toch moet er toe leiden, het voorkomen van Cicindela maritima anders dan langs de zeekust sterk te betwijfelen. Immers in onze duinen komt marztima uitsluitend op de laatste duinenrij voor. Onmiddellijk daarachter wordt ze door hydrida vervangen. Indien nu marztima stand had kunnen houden bij Zeist en zelfs bij Apeldoorn, waarom dan niet ook in onze binnenduinen ? Spr. stelt zich gaarne be- schikbaar, om het materiaal, dat men hem wil zenden, zeer nauwkeurig te onderzoeken.
De heer Reuvens wenscht naar aanleiding van de Rectorale rede cic het lid. Profs Dr, Rich SALTET op 8° Jan. 1914 te Amsterdam uitgesproken heeft, waarvan het onderwerp was „Theorieën en voorbeelden uit den strijd tegen besmetting” — met nadruk de aandacht der leden te vestigen op het groote ver- band tusschen de studie der hygiëne en die der proto-zoölogie en entomologie. Meer en meer valt op te merken, dat de klein-dierenwereld de drager blijkt te zijn van ziektekiemen, van wier verspreiding men tot nog toe de oorzaak niet wist. Waar men sints lange jaren op land- en tuinbouwkundig gebied bezig is de plantenziekten te bestrijden en daarbij telkens op insecten stuit als oorzaak van verwoesting, waar in de laatste jaren gebleken is, hoe de kiemen van gevaarlijke ziekten, als b.v. malaria en gele koorts, door insecten over- gebracht worden, daar meent hij dat de leden een ruim, gedeeltelijk nieuw arbeidsveld voor zich geopend vinden. Er
XVI VERSLAG.
zijn reeds enkelen, die in deze richting werken. Zoo heeft de heer “TEUNISSEN in -het.,,N.-v; d. Dag’ gewezen ophet gevaar van muggen en vliegen, de heer HAVERHORST schreef in de ,,Natuur” over de kamervlieg, Dr. MAC GILLAVRY wordt in Amsterdam meermalen geraadpleegd waar men vermoedt, dat bij besmetting insecten en hunne gasten in het spel zijn, Dr. VETH kreeg indertijd eene vraag naar onder- zoek bij tabakziekte, en zoo zal het wellicht bij enkele anderen onder de leden ook gaan. Die richting moet het uit; de
kennis door de leden tot nog toe vergaard en — laat het ons maar zeggen — voor zich zelve gehouden ter wille
hunner collectiën, kan voortaan meer naar buiten haar nut verspreiden. Zich disponibel stellen tot determinatie van alles, wat de gezondheidsdienst en de geneeskundigen ons maar brengen willen, hun mededeelen, waar de getoonde dieren voorkomen en de voorwaarden doen kennen, waaronder zij leven en groeien en zich voorttelen, ziedaar eene dankbare taak voor de entomologen weggelegd. Studie der biologie niet als bijlooper, maar als hoofdzaak, dat zij een streven, waardoor veel nut naar allerlei richtingen verkregen kan worden. Zoo zullen de entomologen niet meer in de oogen van velen blijven „verzamelaars, liefhebbers’, maar overal een steun kunnen worden, waar gestreden wordt tegen ziekten en verwoestingen door besmetting teweeggebracht. De dissertatie van Dr. L. OTTEN, eene uitgewerkte studie over verbreiding en besmettingswijze der Pest, in Dec. 1913 verschenen, geeft een sprekend voorbeeld van sprekers be- doeling en zal door hem nader in de Ent.-Ber. besproken worden. Openstelling van ons Tijdschrift voor referaten op entomologisch-hygienisch, op entomologisch-pathologisch ge- bied — als deze combinatiën zoo eens genoemd mogen worden — zou naar Spr.’s oordeel een groote stap in ge- noemde richting zijn. Zoodoende zal ook zeer zeker deze reeds hoogstaande uitgave nog kunnen winnen in meer algemeene navraag, waar, door het exclusief wetenschappe- lijk kleed, waarin het alsnog gehuld is, slechts een beperkte kring van lezers bestaat.
De heer Everts meent, dat bijdragen op entomologisch-
VERSLAG. XVII
hygiënisch gebied zeker door de Commissie van Redactie gaarne ter opname zullen ontvangen worden. Stellig zal het aantal lezers van ons Tijdschrift, wanneer er ook op dit gebied opstellen in voorkomen, uitgebreider worden en het Tijdschrift meer bekend worden.
De heer de Meijere merkt op, dat door het Koloniaal Instituut twee artsen naar de tropen zullen worden uitge- zonden, waarvan één naar Indië en één naar Suriname. Deze werken sedert eenigen tijd onder zijne leiding in het Laboratorium te Amsterdam en van de daar opgedane kennis kan later zeker veel verwacht worden.
De heer Teunissen zou gaarne zien, dat door de Vereeni- ging bij gelegenheid van haar 70-jarig bestaan in 1915 eene poging werd gedaan, om de sanitaire en economische ento- mologie meer naar voren te brengen, hetzij door de uitgave van een feestgeschrift, dat dan in ruimere mate zou verspreid moeten worden, hetzij door het houden van eene congres- vergadering, waarbij dan ook niet-leden zouden kunnen tegen- woordig zijn.
De Vice-President acht het verder ingaan op een dusdanig plan indeze vergadering niet wenschelijk, daar deze besprekingen meer thuisbehooren op de zomervergadering. Het Bestuur zal echter overwegen, of in deze richting iets gedaan kan worden en dan hierover mededeeling doen inde volgendezomervergadering.
De heer Mac Gillavry vertoont een exemplaar van Nan- tholinus glabratus Grav. met eigenaardig misvormde sprieten en wel links vierledig, waarvan het knotsvormige eindlid nog ingesnoerd is, terwijl rechts de spriet analoog gebouwd is, maar nog een tusschenlid minder heeft. Door dit gering aantal leden hebben de sprieten dus eenige gelijkenis met die van de larven; de habitus, chitinisatie en vooral de be- haring zijn analoog aan het imaginale stadium. Het exem- plaar werd door den heer VAN DER VAART aángetroffen te Amsterdam (18.8.1913). Ter vergelijking gaat een exem- plaar met normaal ontwikkelde sprieten rond.
XVIII VERSLAG.
In de tweede plaats laat Spr. circuleeren eene Coccide uit Brazilië, hem door pater HESELHAUS toegezonden. Daar het een vrij levend, ongevleugeld wijfje is, moet het tot de Coccina behooren. Het voorwerp is zeer merkwaardig door de eigenaardige was-aanhangsels, die in de conservatievloei-
stof, eerst formaldehyde, later 80 °/, alcohol, zich goed
0 houden. Daar men de diertjes zoo zelden ziet, vertoont Spr. een paar mannetjes van Cocczden, door hem in Zwitserland (Mürren, 8) aangetroffen, die door hem, wegens het bezit van vleugels (trouwens maar één paar) en twee staartdraden, in de vlucht voor kleine Zphemeriden werden aangezien. Of de dieren tot de Coccidae of Lecaniidae behooren, durft Spr. niet uitmaken.
Ten derde herinnert Spr. er aan, dat reeds meermalen werd opgemerkt, dat bij sommige wantsen, vooral Pentatomidae, kinderzorg voorkomt; het meest bekend is dat van Zlasmo- stethus interstinctus L., waarvan Spr. een exemplaar vertoont. Het bleek aan Spr., dat hetzelfde ook voorkomt in de familie der Coreidae, en zeer gemakkelijk: is te constateeren bij Pseudophlaeus Fallenii Schill., die men overal in de duinen kan aantreffen tusschen Zrodium cicutarium \Herit; men vindt gewoonlijk de familie bijeen. Op dezelfde plaats is ook . te vinden de zeldzame Pseudophlacus Waltlii H.S., maar aan Spr. is het nog niet gelukt, deze soort aan te treffen.
Bij zuidelijke soorten der Coreidae komen vormen voor allerzonderlingst versierd met stekels. Deze stekels schijnen de dierente gebruiken om hunne eieren tusschen te dragen. Toen Spr. hierop attent was gemaakt, bleek het, dat het eenige exemplaar van /’%yUomorphe laciniata Vill. in zijn bezit, werkelijk op deze wijze een drietal eieren meedraagt. Spr. had ze aanvankelijk aangezien voor Acart.
Het bleek Spr., dat deze stekels of doornen systematisch van belang kunnen zijn en wel bij het genus //ozarza, be- hoorende tot de Zmesini, eene onderfamilie der Reduvirdae, die zich onderscheiden door hunne lange voorcoxae, twee- of eenledige tarsen en geene ocellen bezitten. De voorpooten zijn roofpooten, met de tibia korter dan de dij.
Door hun smallen habitus en de lange, geknikte sprieten gelijken ze zeer op de Derytidae, die ook met doorntjes zijn
VERSLAG XIX
voorzien, echter eene geheel andere familie uitmaken en waar- van zij o. a. op het eerste gezicht zijn onderscheiden door den zuiger, die bij alle Reduveidae gekromd is en niet vlak tegen den onderkant van den kop aangelegd kan worden.
Door Spr. nu werd tijdens de zomerexcursie in het bosch von Leuvenum (9-6-1913) eene Plozarza gevangen, in één exem- plaar, die bij determinatie blijkt te zijn /loraria Baerensprungi DOHRN, eene soort oorspronkelijk gevangen door BAERENSPRUNG bij Berlijn en door DOHRN in 1863 naar één (het eenige ?) exemplaar beschreven in de Linnaea entomologica, Band XV,
Ploiaria Baerensprungi Dorhn.
p. 60. Later is deze soort ook’ gevangen in Mecklenburg. PUTON, in zijn boek over Heteroptera van Frankrijk, kende het dier nog niet; in zijne naamlijst vermeldt hij het uit Algerië, hetgeen door HORVATH onjuist genoemd wordt, die deze opgave verbetert in Frankrijk. Overigens is door Spr. niets over het voorkomen van dit diertje bekend; het is dus wel eene zeer bijzondere vondst.
De diagnose van DOHRN luidt: „P. nigro-fusca ; prothorace postice disco spina erecta mutica ; abdominis connexivo multi- sinuato; antennis pedibusque nigro-fusco-annulatis. 3°/, millim.”
Bij vergelijking met deze diagnose en de daarop volgende uitvoeriger Duitsche beschrijving, blijkt wel duidelijk, dat
XX VERSLAG.
het exemplaar van Leuvenum tot deze soort behoort, ofschoon Spr. twee kleine verschilpunten noteerde.
In de eerste plaats toch is de doorn op den achterrand van het pronotum wel vrij stomp in vergelijking met de spinae, die bij de soorten van het genus Plozaria op het scutellum gezeteld zijn, maar van op zij gezien is toch de punt tamelijk scherp. In de tweede plaats is bij Spr.’s exem- plaar het connexivum niet „veel gelobd”.
Over het connexivum van de twee andere soorten van Plotaria, met multiple bruine ringen aan pooten en sprieten,
#
SA
NE lomen.
Ploiaria vagabunda L.
laat DOHRN zich niet uit. Bij het nazien van de in Spr.’s bezit zijnde exemplaren van deze soorten blijkt echter, dat eenige exemplaren dit wel hebben, andere niet. Het is mogelijk, dat het een sexueel kenmerk is, maar het komt Spr. voor, dat het alleen een gevolg ís van het ongelijk drogen van sommige exemplaren, waardoor het midden van het connexivum van elken abdominaalring wat naar binnen ge- bogen ís. Daar de beschrijving van DoHRN slechts op één exemplaar berust, is Spr. geneigd aan het ontbreken van de sinuatie niet te groote beteekenis te hechten, nu de andere soorten op dit punt variabel zijn.
De bestudeering der spinae, zoowel bij 4 Baerensprungi Dohrn, als bij PL vagabunda L. en Pl. culiciformis de G., leverde .nog eenige bijzonderheden op, die, daar zij, zooals
VERSLAG. XXI
reeds boven werd gezegd, voor de systematiek bruikbaar zijn, de moeite van het noteeren wel waard zijn.
Door DOHRN en DOUGLAS en SCOTT worden op het Scutellum twee doornen vermeld. DOHRN zegt eigenlijk: ,ochildchen gewölbt, mit einem aufwärts gebogenen Stachel ver- sehen; das Postscutellum ebenfalls mit einem Dorn versehen”.
Die onderscheiding tusschen Scutellum en Postscutellum lijkt mij niet zeer juist, als dezelfde doornen bedoeld zijn, die aangenomen worden door DOUGLAS en SCOTT. Deze zeggen juister: „Scutellum short, triangular, depressed, ending with a short erect spine, the base with a rounded nodule, ending in an opturned spine”. De eerste spina ontspringt werkelijk vrij dicht achter het pronotum en is vrij makkelijk te obser-
Al dora
Ploiaria culiciformis de G.
veeren, terwijl de tweede aan de punt van het Scutellum (postscutellum van DOHRN) door de vleugels veel moeilijker tesziensis:
Nu heeft PUTON er opmerkzaam op gemaakt, dat er nog eene derde spina is en wel op het scutum van den metathorax. Overigens heeft hij de nomenclatuur van DOHRN behouden (la première sur l’écusson, la deuxième sur le postécusson . . . la troisième, noire, sur le scutum du metathorax). PUTON zegt, dat men dezen derden doorn slechts zien kan, als men de vleugels optilt. Het bleek echter aan Spr., dat het zelfs minder moeite kost de derde spina te zien en den vorm daarvan te beoordeelen, dan de tweede spina, als men de dieren van op zij beschouwt, wanneer de vleugels toege-
XXII VERSLAG.
vouwen zijn. Het is daarom ook mogelijk, dat DOHRN waar- genomen heeft doorn I en II, terwijl DOUGLAS en SCOTT doorn I en II zagen; bij deze opvatting zou PUTON ten onrechte den term postscutellum op de punt van het DOHRN identiek zijn met „le scutum du métathorax” van PUTON.
,
scutellum toepassen en zou het „postscutellum’
Tegen deze opvatting pleit echter, dat DoHRN de tweede spina „hellgelb” noemt, en dat is steeds spina II.
De doornen der drie genoemde soorten /Plozarza laten zich nu als volgt karakteriseeren :
Doorn I ontspringt op den tuberkel van het scutellum, vlak achter het pronotum, en is steeds spits. De richting is in hoofdzaak naar achteren, bijna in de richting van de dorsaallijn van het pronotum.
Bij culiciformis is de doorn òf recht, of wel licht gebogen, meer met de concaviteit naar voren dan naar achteren, vuilwit van kleur.
Bij vagabunda iets meer gebogen, concaaf naar voren, kleur wat helderder dan bij de vorige soort, geelwit.
Bij Baerensprungt zeer duidelijk gebogen, concaaf naar voren, kleur zwartachtig.
Doorn II, aan het eind van het scutellum; bij alle soorten recht, spits, geelwit en met den top meer tot doorn I genaderd dan met de basis. Deze twee doornen maken dus een hoek met elkander, het duidelijkst bij vagabunda. Bij Daeren- sprungi duidelijk korter dan doorn I, bij de twee andere soorten ongeveer even lang. Vreemd is dat DOHRN bij cu ctformis dezen doorn niet waarnam.
Doorn ITI: op het-scutum van den metathoras Deze doorn is steeds zwart, bij de soorten, die vergeleken worden.
Bij culiciformis klein, eenigszins spits, veelal iets naar voren gericht, afhankelijk of het abdomen gestrekt of naar beneden gekromd is, zoodat zijne richting met die van doorn I een scherpen of rechten hoek maakt.
Bij Daerensprungi is deze doorn even lang als doorn I, naar achteren gebogen en van het begin tot het eind even dik.
Bi vagabunda recht. Bij deze laatste soort zijn alle drie doornen ongeveer even lang en, vergeleken met de beide andere soorten, relatief klein.
VERSLAG. XXIII
Bij Baerensprungi en vagabunda is de richting van doorn I en II weinig uiteenloopend.
Ten slotte komt er bij Baerensprungi nog bij doorn la op den achterrand van het pronotum. Bij het exemplaar van Leuvenum is deze doorn kort, eenigszins naar voren gericht, zwart, terwijl de lichte, gekielde achterrand van het pronotum zich als een wit lijntje op den achterrand van den doorn tot aan de punt voortzet.
De heer Molengraaff vraagt of het bekend is, waartoe de wasafscheiding, waarvan sprake is bij de vertoonde coccide, dient, waarop de heer DE MEIJERE antwoordt, dat deze naar zijne meening dient als verweermiddel tegen vijanden.
De heer Everts zegt, dat hij indertijd eene dusdanige was- afscheiding heeft waargenomen bij een Chineeschen lantaarn- drager. Bij dit exemplaar werd de was in lange draden aan het achterlijf afgescheiden.
De heer A. C. Oudemans !) bespreekt zijne nieuwste onderzoekingen en ideeën over mondiedematen van Acarz. Zijn er, zoo vraagt hij zich af, toch meer dan twee paar mondledematen bij Acari? |
De tijden, dat men meende, dat de kop der Hexapoda slechts uit 2, 3, of 4 segmenten samengesteld zou zijn, met 4 paar segment-aanhangsels, zijn voorbij. Het aantal kop- segmenten bedraagt volgens de nieuwste onderzoekingen 8 (1. labraal, 2. antennaal, 3. intercalaar of postantennaal, 4. epipharyngeaal, 5. mandibulaar, 6. maxillaar, 7. hypo- pharyngeaal, en 8. labiaal segment), wellicht nog meer.
Segmentaanhangsels kunnen samensmelten, rudimentair worden, of zelfs geheel ontbreken. In het laatste geval neemt men onvoorwaardelijk aan, dat de Hexapoda met deze (negatieve) kenmerken vroeger genoemde aanhangsels gehad hebben; doch ze in den loop der tijden verloren.
1) De heer A. C. OUDEMANS, op ’t laatste oogenblik verhinderd de vergadering bij te wonen, zond de volgende mededeeling in, die hij had willen ter tafel brengen.
XXIV VERSLAG.
Men voert dezen stelregel tot in het uiterste door. Bij voorbeeld :
Bij slechts zeer weinige embryonen van Mexrapoda zijn rudimentaire ledematen gevonden achter de antennen (men leze hierover BERLESE, Gli Insetti, p. 87—88); en alleen op grond van deze waarnemingen neemt men als vaststaand aan, dat er een postantennaal segment is, dat vroeger ledematen droeg, welke bij alle Hexapoda, zelfs bij huame embryonen, verloren seeaan 7 a. Om niet te spreken van epipharynx en hypopharynx! De seg- menten zijn echter, zelfs bij volwassen Hexapoda, in de meeste gevallen toch aan te toonen, door het bezit van tergieten, sternieten, inwendige ganglia, enz.
Pogingen, om een derde paar mondledematen bij Acarz aan te wijzen, zijn herhaalde malen gedaan. De redenen, dat die pogingen faalden, zijn: 1. de onderzoekers namen verkeerd waar; 2. zij beoordeelden hunne goede waarneming verkeerd; 3. de theorie, dat Acarz slechts twee paar mond- ledematen konden hebben, omdat andere Arachnoidea ook slechts twee paar bezitten, is bij de anatomen nog te vast ingeworteld. Men leze daarover:
E. A. BRUCKER, Monographie de Pediculoides ventricosus NEWPORT et Theorie des pieces buccales des Acariens. (Bull. Sci. Fra. Belg. v. 35, p. 355—442; spec: p. 412—436; 25 Nov. 1900).
C. BORNER, Arachnologische Studien, v, Die Mundbil- dung bei den Milben. (Zool. Anz. v. 26. p. 99—109. 8 Dec. 1902),
E. REUTER Zur Morphologie und Ontogenie der Acariden mit besonderer Berticksichtigung von Pediculopsis graminum (E: REUT.) (Act. Soc: ScienBenn we 367 mr 10 pate. spec. p. 43—48; 1909).
Acarı hebben een paar mandibels (van verschillenden vorm) en een paar maxillen, waarvan de coxae gedeeltelijk den mond ventraal afsluiten, terwijl de overige leden den maxillaarpalpus vormen. Die mond is eene uiterst fijne dwars- spleet, dorsaal afgesloten door het labrum, een onparig orgaan (bij //exapoda bestaat omtrent de onparigheid gegronde twijfel; men leze daarover BERLESE, Gli Insetti, p. 110, IT I).
VERSLAG. XXV
Het labrum en de mondspleet zijn, zonderling genoeg, ven- traal verplaatst, zoodat de mandibels naast elkander dorsaal van het labrum gelegen zijn!
Nu vindt men by Parasttedae, die als de primitiefste der recente Acarz aangezien kunnen worden, tusschen de man- dibels en de maxillaarpalpen, een paar stiletvormige organen, algemeen bekend onder den naam van ,,styli”. Tusschen deze styli en het labrum ziet men twee van franje voorziene lappen. Styli, lappen en labrum, dus 5 organen, vormen bij eenige genera, e. g. Macrocheles, ééne plaat. (Zie BERLESE, Ordon Vues Osa Oma ta; 1602 tent arr gen OUDEMANS index sche Nature. 1013, Heftig Vextt. 186). .
Het is merkwaardig, dat BERLESE in zijn werk: Ordo Mesostigmata, 1892, deze organen duidelijk afbeeldt, ze beschrijft, en hun namen geeft, en dat BRUCKER en BÖRNER deze deelen totaal negeeren.
Vraag: moeten wij nu die 5 deelen eenvoudig beschouwen als één labrum? Ik zou mij met deze zienswijze niet kunnen vereenigen. Veeleer ben ik geneigd aan te nemen, dat wij hier eene samengroeiing hebben van het labrum met een parig orgaan, een paar segment-aanhangsels of ledematen, die wij te zamen gevoegelijk epipharynx kunnen noemen (niet te verwarren metde „epipharynx’ van BRUCKER = labrum!)
Nog iets: De maxillaarcoxae sluiten aan de ventrale zijde van het gnathosoma niet aan elkaar, maar laten eene groeve tusschen zich, waarin de slippen van het tritosternum (mentum, Bauchtaster) opgeborgen worden. De bodem van deze groeve is voorzien van verscheidene dwarsrijen tandjes en zet zich naar voren, voorbij de maxillaarcoxae, voort in 2, 3, 4, of 5 membraneuse slippen.
Reeds BERLESE/wees er m.ii. op, dat deze deelen: niet behooren tot de maxillae (l. c. p. 8):
„In medio tamen rima quaedam plus minusve obsoleta longitudinalis, adhuc conspicitur, quae margines utri- Orgen apen tate nest pitts sve nie at net in speciebus nonnullis rima vera est.” !) Daarna is de interpre- tatie weer verward.
!) De spatieering is van mij.
XXVI VERSLAG.
Ook ik kan maar niet inzien, dat genoemde deelen tot de maxillae behooren, zie er veeleer een paar mondlede- maten in, die den mond ventraal afsluiten De naam „hypostoma’’ kan er niet voor gebruikt worden, daar BERLESE daarmee bedoelt: een gedeelte der maxillaarcoxae + den bodem,der ,,rima” + de genoemde slippen. "\eeleer isyde naam hypopharynx te verkiezen (labium der Araneae ?).
Summa summarum, het gnathosoma wordt gevormd door de volgende deelen:
1. Het epistoma = het medio-dorsaal deel van het gna- thosoma = het voorste deel van den carapax. 2. De maxillae = de pedipalpen. De coxae hiervan
vormen de latero-dorsale, de laterale en de lateroventrale deelen (tot aan de ,;rima’) van het gnathosoma. Tot de maxillae behooren natuurlijk ook de palpen en de ,,corni- cula hypostomatis”, die BÖRNER voor ,,Dorne (Haargebilde’’) aanziet.
3. De hypopharynx — de bodem van de rima hyposto- matis + de membraneuse slippen tusschen de „cornicula hypostomatis”. De hypopharynx sluit den mond ventraal af (labium der Aranaea?).
4. De mandibula = de chelicera. Deze liggen onder het epistoma en boven het labrum.
5. Het labrum = ligula of lingula BERLESE = epipharynx BRUCKER, = het onparige mediane dolkvormige orgaan, dat den mond dorsaal afsluit.
6. De epipharynx = de parige membraneuse organen naast het labrum + de styli. De parige membraneuse orga- nen. worden doom BERLESE (loc. p.. sten 7 3)2lobrul pe pharyngei of periglottid'es senoemd m. 1. seheel verkeerde benamingen. Ik stel voor ze paralabra te noemen, terwijl de naam styli gevoegelyk behouden kan blijven.
De epipharynx der Acari beschouw ik dus als een parig orgaan, als een paar segmentaanhangsels. [De epipha- rynx der Hexapoda is volgens BERLESE (l.c. p. 140), „la parete interna del labro superiore”. Dat kan men toch niet van de epipharynx der Suctoria beweren ||.
Dat een of meer van bovengenoemde deelen niet bij
VERSLAG. XXVII
andere Acari voorkomen, zelfs niet bij embrvonen, is abso- luut geen bewijs voor de stelling, als zouden het geen seg- mentaanhangsels zijn. De studie der Hexapoda is in dat opzicht zeer leerzaam. Zoo komt bij volwassen 770702 diidae geen, bij hunne larven wel een orgaan voor, dat vermoedelijk het labrum is. Ik wensch er hier speciaal de aandacht op te vestigen, dat, indien door dit orgaan een kanaal loopt, het onmogelijk een onparig labrum kan zijn, het dan een parig orgaan moet zijn, samengegroeid uit 2 gootvormige helften, en in dat geval òf de epipharynx, òf de hypopharynx moet zijn.
De Vice-President zegt den aanwezigen dank voor hunne mededeelingen en sluit daarna de vergadering.
air IN 1320 dl =
8 et
Ca u tl dn 7 == oe l'e Rel ee rn EL) ACE dd Dr 7 Je u i
Kenan
1 È & pa
Meer P
k VE; SLC
pr od Vue
as si : té bid
= Sy di Ta” >
ET AA.
te eee
Poe ae Pari e
NIER SLAG
VAN DE NEGEN-EN-ZESTIGSTE ZOMERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
GEHOUDEN TE WEERT,
OP ZATERDAG, 20 JUNI IQI4, DES MORGENS II URE.
President: Dr, J. «rh Oudemans.
Verder zijn tegenwoordig de heeren: P.J. van den Bergh EZ vine As Brantssmihre Dr. Ed. eG, Everts... van der, Hoop, A. E. Kerkhoven, B. H. Klijnstra, Dr. D. Mac Gillavry, Rioters \. Chie de Meiene Dr. A. Cr Oudemans, AN. vansbeltmlkechnen wore... Renvens, H. ‘Schmitz; SJ; Paiva sein tr LANE Veth en Mr D Hw de? Vos tot Nederveen Cappel.
Van de heeren: Erich Wasmann, S. J., Dr. P. Speiser, Ch Pa G:C: Balfour van. Burleigh, -M. «Caland. “E. D. van DIESER ES van Wunne,, Jhr. WC van Fleur; Ee]. Nieuwenhuis, Mr. C. van Nievelt, P. Teunissen, Mr. D. L. Uyttenboogaart en H. A. de Vos tot Nederveen Cappel is bericht ingekomen, dat zij tot hun leedwezen verhinderd zijn de vergadering bij te wonen.
Tijdschr. v. Entom. LVII. I
XXX VERSLAG.
De President opent de vergadering en brengt het volgende jaarverslag uit:
Mijne Heeren !
Allereerst heet ik U allen welkom op deze onze negen- en-zestigste Zomervergadering.
De lotgevallen onzer Vereeniging hier in het kort te herdenken, is mij elk jaar eene aangename plicht geweest, omdat groote storingen achterwege bleven en de algemeene toestand steeds gunstig genoemd kon worden. Wel zou een ruimere aanwas van leden ons welkom zijn, wel zou de kas versterking zeer goed kunnen gebruiken, doch zulke wen- schen zal welhaast elke vereeniging steeds hebben; als het aantal leden groot genoeg is, om ons voldoende bezette vergaderingen te leveren en, met wat van elders wordt aangeboden, ons Tijdschrift en onze Entomologische Be- richten van stof te voorzien, en daaraan ontbreekt het allerminst, blijft de wensch naar meer nieuwe leden alleen eene dusdanige, dat men gaarne van goed tot beter geraakt. En wat de geldmiddelen betreft, zullen wij straks zien, dat het niet eene vermindering van inkomsten, doch eene ver- meerdering van uitgaven tengevolge van groote activiteit en daarmede gepaard gaande grooteren omvang onzer publi- catiën is, die versterking der middelen tot eene gewenschte zaak maakt.
Wat de verandering in onze Ledenlijst betreft, valt aller- eerst te vermelden, dat wij drie leden door den dood ver- loren en wel Dr. F. A. Jentink, directeur van ’s Rijks Museum van Natuurlijke Historie te Leiden, den heer J. C. J. de Joncheere te Dordrecht en den heer P. E. Sithoffste Bandoeng.
De heer Jentink, lid sedert 1878, was geen entomoloog, doch woonde toch meerdere malen onze vergaderingen bij; wij hebben dat steeds op prijs gesteld en verheugen er ons over, dat een steeds grooter deel der Nederlandsche zoölogen, die niet tevens entomologen zijn, toch lid onzer Neder- landsche Entomologische Vereeniging wordt.
De heer De Joncheere, lid sedert 1858, was een der
VERSLAG. NXXI
veteranen op het gebied der Lepidopterologie en heeft met verscheidene andere leden onzer thans ter ruste gegane oude garde de faunistische kennis onzer Lepidoptera helpen opbouwen. Wie de werken van Snellen over onze Vlinders kent, weet, hoe dikwijls de naam De Joncheere daarin voorkomt, naast die van Kinker, Lodeesen, Medenbach de Rooy, De Graaf en anderen.
De heer Sijthoff maakte zich inzonderheid verdienstelijk door het verzamelen van Coleoptera op Java, welke hy ter bewerking aan een onzer leden zond.
Bedankt als lid hebben de heeren:
H. L. Gerth van Wijk, te Middelburg, lid sedert 1874, H. Harmens, te Arnhem, lid sedert 1907,
Dr. J. Noyon te ’s-Gravenhage, lid sedert 1913 en
A. Zonnevylle te Dokkum, lid sedert 1908.
De aldus geleden verliezen werden gelukkig weder aan- gevuld, daar 9 personen tot onze Vereeniging toetraden, en wel 4 als begunstiger, ı als. buitenlandsch lid en 4 als gewoon lid.
Als begunstigers(-sters) sloten zich bij ons aan:
Mevrouw P.J. K. de Meijere, geb. van Dam, te Amsterdam, H.L. A. F. Everts, geb. Canselaar, te ’s-Gravenhage,
J. M. van der Hoop, geb. de Monchy, te Rotterdam, en
> le Jj Oudemans, geb. vande Velde. te Arnhem:
Over dezen aanwas van begunstigsters verheug ik mij uitermate en wil er op wijzen, dat thans de echtgenooten van alle Bestuursleden en van alle leden der Redactie onzer publicaties begunstigsters zijn. Wel een teeken, hoe ook zij onze Vereeniging een goed hart toedragen. Dat wij deze Begunstigsters met open armen — in figuurlijken zin — in ons midden ontvangen, behoeft wel geen betoog. Moge het een voorbeeld zijn voor die onzer leden, wien het niet moeilijk valt, een steentje aan onze kas toe te voegen, om ook hunne echtgenooten tot het worden van Begunstigster onzer Vereeniging over te halen.
Buitenlandsch lid werd de heer James E. Collin, te New- market in Engeland, terwijl de heeren:
>» XXXII VERSLAG.
E. J. Nieuwenhuis, te Rotterdam, W. de Joncheere, te Dordrecht, M. Pinkhof, te Amsterdam, H. C. Funke, te Bussum, en J. Metzelaar, te Amsterdam
als gewoon lid toetraden.
Aan alle toegetredenen roep ik van deze plaats het welkom toe en hoop en verwacht, dat zij in onze Vereeni- ging hunne daarvan gekoesterde verwachtingen ten volle beantwoord zullen zien.
Onze Vereeniging telt thans:
Het Buitengewoon Eerelid, 10 Eereleden, 14 Begunstigers, 6 Correspondeerende Leden, 7 Buitenlandsche Leden en 105 Gewone Leden.
143 Van ons Tijdschrift kwam Deel 56 gereed en verscheen van Deel 57 Afl. 1, terwijl bovendien een Supplement op Deel 56 het licht zag, en wel „met geldelijken steun van het Zoölogisch Insulindefonds”. Het is mij een bijzonder
aangename taak hier den dank onzer Vereeniging aan de Beheerders van het Insulindefonds uit te spreken, waardoor het mogelijk werd dit Supplement-deel het licht te doen zien.
De Entomologische Berichten kwamen op tijd uit en werden daarvan de nummers 72 tot 77 gepubliceerd.
Omtrent onze financiën zal onze Penningmeester U aan- stonds nader inlichten, terwijl onze Bibliothecaris U omtrent onzen boekenschat op de hoogte zal brengen. Wat dezen laatsten betreft, kan ik U mededeelen, dat ik juist gisteren onze Bibliotheek het jaarlijksch bezoek gebracht heb en er alles weder in onberispelijken toestand heb aangetroffen. Wie weet, met hoeveel liefde onze Bibliothecaris onzen boekenschat verzorgt, zal zich hierover allerminst verwonderen.
Terwijl ik den wensch uit, dat deze bijeenkomst weder tot de in elk opzicht geslaagde zal mogen gerekend worden en tot den groei en den bloei onzer Vereeniging moge bijdragen, open ik deze Vergadering.
VERSLAG. XXXIII
Hierop geeft de President het woord aan den Penning- meester, hem verzoekende zijn verslag uit te brengen.
Deze geeft hierop het volgend overzicht van de ontvangsten en uitgaven van de drie verschillende rekeningen:
Algemeene Kas.
Omtvanssten:
RÉRIÉRVANMENMECLEN Bene ale PET A 0260,30 » SM ASC eta eign New el ul ae LS 13.59 Contributtenvanaledenit ASA hat te > des CAS. — » nbesunstisers nn ae eo 80, > Sec enebuitenl@lidr. ea ea Vergoeding voor extra-nummers der Ent. Ber. » 19.30 Mienkochtenseschrifteng sms sr ee en jue 10.30 f 1056.58 Uitgaven. Nadeelios saldosvorio- idan tse 108.32 Bewaring fonds Tijdschrift. TARA I ao Assurantie van beide bibliotheken en van het fondsen De ED MALO Jaarl. bijdrage aan de Photos ne memorie » > » » Vereen. tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland (1914). . » 10.—
Jaarl. bijdrage aan de Nederl. Heide-Maatö (1913) » 2.— Huur enz. bibliotheekgebouwen over 1913/1914 » . 60.—
AKD OP WAND Oekene eeen ee = sgt a 8A 285.40" Hbindentwvantboeken ies erm ce ys se ss 2 141.05 Drukken van verslagen. . . memorie » Ent. Ber. No: ne en ER De Sol a ee ende er memorie Circulaires, adressen, enz. SIR > 86.80 Mersehotten- aanıbestuursleden m. 2. 4. ae = a» 78.39
f 868.705
De ontvangsten bedroegen. . / 1056.58 Deluiteavensbedtoegen i 3 » ‘80870
dussbatio#saldon .. (45) 7 187.875
XXXIV VERSLAG.
Fonds voor de uitgave van het Tijdschrift.
Ontvangsten.
Rikssubsidie nee Aen: AR RE OO Verkochte exemplaren aan de hae ERO » » aan den boekhandel in 1913 » 259.— Bijdragen van !begunstigers CPP RL Extra-oyerdrukken 320.0) ER 16.90 Vrijwillige: bijdrage NN PER er Re On Bijdrage Zool. Insulinde-fonds fr On f 1734.90 Uitgaven
Nadeelig saldo vorig./jaar PR EEE RC AIO Zegel en leges op ‘het rijkssubsidien smn. ee 172 Platenrekenings Deels On nr 2.27 Ve re Drukloon en frankeerkosten Deel 56 op rekening » 1000.— Rekenino van Weer, seco Ae ee ee 15.82 Merschotten Redactier 7 u 2 e TOT Ff 1671.39.
De ontvangsten bedroegen. . f 1734.90
De uitgaven bedroesen 7 2 M > 107159,
dus; batiowsaldor sr er 63. 505
Fonds der Bibliotheek Hartogh Heys van de Lier
Ontvangsten.
Saldo vorig jaar . . op ao oe AEN GOL Re inschrijving Sede toe > 2302.54 f 502.96 Uitgaven.
Inbinden van boeken taan ee ns see OS Oe Aankoop van ‘boeken. tse ER RON: J 245.62
De ontvangsten bedroegen. . f 502.96
De uitgaven bedroegen™ ine
dus batig: Saldo, = U 257,34
VERSLAG. XXXV
De Penningmeester geeft betreffende ,,de Algemeene Kas” de volgende toelichtingen: Wanneer alle uitgaven werkelijk waren voldaan, zou dit batig saldo in een tekort veranderen. Door bijzondere omstandigheden is de rekening van den drukker nog niet ingekomen, zoodat het drukken der ver- slagen en der Ent. Berichten nog niet is betaald.
Om dezelfde reden zou ook het batig saldo van het „Fonds voor de uitgave van het Tijdschrift” in een tekort veranderen, daar de rekening van den drukker wel hooger dan / 1000.— zal zijn, welk bedrag op rekening werd betaald.
De President verzoekt den heeren Dr. A. C. Oudemans en Meet ND de Vos, tot Nederveen Cappel ‚die deze reke- ningen hebben nagezien, hierover te rapporteeren.
Den heer Dr. A. C. Oudemans is het aangenaam, ook namens den heer de Vos, te verklaren, dat zij deze rekeningen hebben nagezien en met de bijgevoegde bescheiden vergeleken. Waar zij eenige nadere toelichting aan den Penningmeester ver- zochten, werd hun deze met de grootste welwillendheid ver- strekt. De Commissie is het dus eene aangename taak aan de vergadering voor te stellen, onder dankbetuiging aan den Penningmeester, de rekening goed te keuren, waarmede de vergadering zich door applaus vereenigt.
De President stelt voor, de heeren J. Lindemans en C. Solle, beiden te Rotterdam, uit te noodigen te zijner tijd de reke- ningen over 1914—1915 na te zien. Daar deze leden niet ter vergadering aanwezig zijn, zal de Secretaris hun van hunne benoeming kennis geven.
Hierna verzoekt de President den Bibliothecaris verslag uit te brengen over den toestand der Bibliotheken. Dit luidt als volgt:
Mijne Heeren!
Onze wet, omschrijvende mijn plicht als bibliothecaris, bepaalt in Art. 33: „jaarlijks op de zomervergadering brengt hij verslag uit van den toestand der bibliotheek en legt hij eene opgave over van de in het afgeloopen jaar bijgekomen boeken”. Aldus de wet.
Hoe is nu sinds Juni 1913 de toestand onzer Boekerij ?
XXXVI VERSLAG.
Gelukkig vooruitgaande. Er is eene vermeerdering van tijdschriften en werken te constateeren, er werden geregeld boeken uitgeleend, verliezen werden niet geleden; ziedaar de hoofdzaken. Afdalende tot 't meer huiselijke, wijs ik op een meerder inbinden, een meerder kaften van losse bro- chures, het met 2 doozen uitbreiden van den kaarten-catalogus; achteruitgang dus nergens, behalve M. H., in het aantal geschenken. Zeker, wie wat schreef, zond ons een separatum — tenminste velen dachten er om, van anderen kreeg ik ze soms van andere zijde over Amerika of Indië: — maar wij kregen geene extra giften, geene werken die men uit eigen bezit afstond of uit belangstelling voor onze Vereeni- ging aankocht en ten geschenke gaf. Natuurlijk, er zijn welgezinden geweest, zoo in Indië (b.v. de heer E. Jacobson) als in ons! land (©. a. Dr. A, Cr Oudemans), die stuurden wat zij van anderen kregen en ons ontbrak, vaak geregeld, jaargangen van Tijdschriften, doch ’t zijn er maar enkelen. Ik doe een beroep op de vrijgevigheid van alle leden. Breidt onze Bibliotheek uit en er komen nieuwe leden; als voorbeeld noem ik mijzelf, die, geen entomoloog zijnde, 25 jaar geleden lid werd enkel ter wille van het gebruik der Bibliotheek en zoo hebben wij meerdere leden, b.v. onze hooggeleerden, die allen lid zijn, onze boekerij gebruiken, maar hoogst zelden of nooit voor een entomologisch onderwerp.
Wat betreft het 2° deel in het wetsartikel, de practijk er van is vervallen sinds de oprichting der E. B., waarin ik zooveel mogelijk geregeld het nieuwe in de Bibliotheek aangeef. Men blijft op de hoogte, een jaarlijksch overzicht zou te duur worden; temeer echter wensch ik de aandacht te vestigen op een noodzakelijk geworden beknopt supplement. Voor zoover mij betreft, zal ik dan ook niet nalaten te beproeven, of in 1915 zulk eene aanvulling op den Catalogus 't licht kan zien. Kan zulks, laat zij dan prijken met eene reeks geschenken.
De President ondersteunt de wenschen van den bibliothe- caris en brengt hem nogmaals hulde voor zijn uitstekend beheer. De vergadering sluit zich bij deze woorden door applaus aan.
VERSLAG. XXXVII
De President brengt hierop aan de orde het vaststellen van de plaats, waar de volgende zomervergadering zal worden gehouden. Bij stemming wordt daartoe Bergen-op-Zoom met groote meerderheid gekozen, terwijl Oldenzaal met eene excursie naar de Lutte en Winterswijk ook eenige stemmen kreeg.
Alvorens over te gaan tot behandeling van het voorstel van het Bestuur, om den ‘heer; Dr. D. Sharp, „Lawnside, Brockenhurst (Hants), Engeland, tot Eerelid te benoemen, geeft de President het woord aan den heer Dr. Everts, die met enkele woorden dit voorstel toelicht. Dr. D. Sharp is een der entomologen, die zich vooral door de studie der Coleoptera, in 'tbijzonder van de Staphylinidae, waarvan hij zeker een der beste kenners is, eene wereldvermaardheid hebben verworven. Menige onder deze minutiën werden door hem met groote juistheid beschreven. Alle leden vereenigen zich met dit voorstel, zoodat Dr. D. Sharp met algemeene stem- men tot Eerelid der Vereeniging is benoemd.
De President deelt mede, dat dit jaar aan de beurt van aftreden zijn als leden van het Bestuur, de heeren Jhr. Dr. Ed] GG. Bverts en Dr He Veth:: «De cehouden, stemming wijst uit, dat beide heeren met groote meerderheid worden herkozen. Beiden verklaren zich bereid, hunne herbenoeming aan te nemen, waarvoor de President hun dank zegt.
De President brengt thans in behandeling het punt: Uit- gave van de „Entomologische Berichten”. Allereerst wenscht hij er aan te herinneren, dat met de uitgave van deze werd begonnen in September 1901, nadat een reglement er op was vastgesteld in de zomervergadering van 13 Juli 1901. Dit reglement achtte het Bestuur toen ter tijde noodzakelijk, omdat in de bestaande wet alleen sprake was van het door onze Vereeniging uitgegeven Tijdschrift voor Entomologie. In de nieuwe wet, vastgesteld in de zomervergadering van 16 Juli 1904, werden in art. 59 en 60 eenige bepalingen betreffende de „Entomologische berichten’ vastgelegd. De meening van het Bestuur is dan ook, dat het bewuste regle- ment hierdoor is vervallen, vooral ook omdat er nooit eenig reglement op het Tijdschrift voor Entomologie is vastgesteld.
XXXVIII VERSLAG.
Hierover blijkt veel verschil van meening te bestaan onder de leden!
Den heer A. C. Oudemans komt het wenschelijk voor, dat de Commissie van Redactie weet waaraan zij zich moet houden, vooral nu blijkt, dat verschillende leden meenen, dat door de vaststelling van de wet van 1904, het bewuste Reglement niet vervallen is.
De heer Mac Gillavry acht het wenschelijk, dat ook bij- dragen in vreemde talen in de Entomologische berichten kunnen opgenomen worden en zou met leedwezen zien, dat de Commissie van Redactie de uitgave tot slechts 3 vel druks jaarlijks zou beperken.
Op eene vraag van den heer Schmitz, of ook in de Entomologische berichten stukken met afbeeldingen kunnen opgenomen worden, antwoordt de heer Veth, dat dit wel kan geschieden, indien de inzenders deze zelve bekostigen.
De heer Brants is van meening, dat door het vaststellen van de wet van 1904 het bewuste reglement niet is komen te vervallen en stelt, nu de meeningen hieromtrent zoo uit- eenloopen, vóór: de Commissie van Redactie te verzoeken, een concept-reglement, zoowel op het „Tijdschrift voor Ento- mologie” als op de „Entomologische Berichten”, bij het Bestuur in te leveren, om dit dan in de volgende zomer- vergadering, of in eene buitengewone wintervergadering, te doen vaststellen.
De President gaat hiermede geheel accoord, daar het niet zoozeer de vraag is, of het oude reglement al dan niet vervallen is, dan wel, of er thans aan een reglement behoefte bestaat.
Dit voorstel wordt hierop met algemeene stemmen aan- genomen.
De heer Reuvens bespreekt met enkele woorden het adres van de Nederlandsche Vereeniging tot Bescherming van Vogels aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de wenschelijkheid betoogende, dat er eene wet tot stand kome, waarbij de invoer in Nederland van vederen, huiden of deelen van in het wild levende vogels strikt wordt verboden. Het komt hem wensche- lijk voor, dat ook de Nederlandsche Entomologische Vereeni- ging hare adhaesie aan dit adres betuigt.
VERSLAG. XXXIX
De President stelt voor bij stemming uit te maken, of hiertoe zal worden overgegaan. Met op twee na aleemeene stemmen wordt hiertoe besloten.
De President vraagt thans nog de aandacht voor een ingekomen schrijven van het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg. Dit Genootschap heeft het initiatief genomen, om een onderzoek te doen instellen naar de gevolgen, dic de voorgenomen kanalisatie van een groot gedeelte van de Maas zal hebben op de levensvoorwaarden van de fauna en flora van de streken, waardoor deze rivier loopt. Deze ver- anderingen zijn toch niet alleen uit een zuiver wetenschap- pelijk oogpunt van het allergrootste belang, ook de zoet- watervisscherij, de gebruikswaarde van het water, zoo voor drinkwater als voor de industrie, de steeds onvermijdelijke afvoer van afvalstoffen in de rivier en vele andere onder- werpen maken het instellen van een zoodanig onderzoek hoogst gewenscht.
Het genoemde Genootschap verzoekt thans een vertegen- woordiger vanwege onze Vereeniging te benoemen, die met de vertegenwoordigers van de Nederlandsche Botanische Vereeniging, de Vereeniging tegen Water-, Bodem- en Lucht- verontreiniging, de Nederlandsche Dierkundige Vereeniging, de Nederlandsche Heide-Maatschappij en het Natuur- historisch Genootschap in Limburg dit onderzoek ter hand zal nemen. Het wetenschappelijk nut van het onderzoek zou op den voorgrond gesteld worden; daarbij zou gewezen worden op praktische voordeelen, die uit het wetenschappe- lijk onderzoek kunnen voortvloeien.
Elke der genoemde vereenigingen zal een lid benoemen in eene definitieve commissie, die de plannen verder uitwerkt, de regeering om steun verzoekt en eventueel met de hulp van een specialen deskundige, voor dit doel door haar aan te stellen, het onderzoek uitvoert.
Ook werd besloten, den Hoofdinspecteur van de Volks- gezondheid en den Hoofdingenieur van den Rijkswaterstaat uit te noodigen, zitting in de commissie te nemen.
Er werd op gewezen, dat de verschillende vertegenwoor- digde lichamen zich geene aanzienlijke financieele offers voor
XL VERSLAG.
het onderzoek kunnen veroorlooven, en men dus in hoofdzaak op het eventueel te verkrijgen Regeeringssubsidie zal zijn aangewezen.
De President stelt voor, den heer Mr. D. L. Uyttenboogaart uit te noodigen, onze Vereeniging in deze commissie te willen vertegenwoordigen, waarmede de vergadering hare instemming betuigt. De Secretaris zal den heer Uyttenboogaart van zijne benoeming als zoodanig kennisgeven en ook aan het Natuur- historisch Genootschap in Limburg diens benoeming melden.
Hierop wordt de gebruikelijke pauze gehouden.
Na heropening der vergadering wordt overgegaan tot de wetenschappelijke mededeelingen.
De heer Everts zegt bezig te zijn met de bewerking van een „Algemeen Supplement’ op zijne ,, Coleoptera Neerlandica”, nadat ruim Io jaren sedert de uitgave van dit werk ver- streken zijn. Zijn doel is, om, van bladzijde tot bladzijde, het overzicht aan te vullen met de in Nederland zeeww ontdekte soorten, alsook te wijzen op uieuwe ztenswijzen en opvattingen omtrent rangschikking en nomenclatuur. .De grootste helft is reeds gereed, ongeveer 350 cahierbladzijden.
Alhoewel de bewerking aan spr. veel genoegen verschaft en over ’t algemeen naar wensch vordert, zoo blijft de grootste moeilijkheid, ook wel met eenige teleurstelling gemengd, dat gedeelte, waarbij hij telkens stuit op de #72072- teits-kwestie.
Dat het van groot belang is, om eindelijk eens vast te stellen, wie de auteur is, die voor de eerste maal eene bepaalde soort duidelijk en, voor ieder speciaal beoefenaar, kenbaar beschreven heeft, daarover zijn alle botanici en zoologen, dus ook alle entomologen, het eens, maar alhoewel in theorie alles zoo eenvoudig en uitvoerbaar lijkt, zoo blijkt meer en meer de toepassing er van, dus de praktijk, in hooge mate te kort te schieten. Uit te maken, wie de oudste rechten in dit opzicht heeft, is, Spr. waagt het te zeggen, in zeer vele gevallen, absoluut onmogelijk, vooral zoolang n.l. de eerste autoriteiten en specialiteiten elkaar, telkens en telkens, met hunne argumenten en uitkomsten, als waren het zoovele bewijsstukken, tegenspreken. Noemt b.v. een bekend
VERSLAG. XLI
auteur A.... eene soort met den przorifeifsnaam x (synon. y), men kan er zeker van zijn, dat allcht een ander, even bekend auteur B.... diezelfde soort, een anderen (!) Przorzteits- naam toekent, b.v. y (synon. x); een wankelend, onzeker deel dus van onze wetenschap, de nomenclatuur. Eene hoogste instantie, om de zaak uit te maken, is er niet, want zelfs worden de, door. monographisten en specialiteiten ge- bruikte, prioriteitsnamen van genera en species en ook zelfs de in gebruik zijnde benamingen van groepen en familiën, dikwerf reeds tijdens het leven dezer personen, zoo vaak genegeerd en weder door andere z.g. prioriteitsnamen ver- vangen. Wat dus te doen? Nagaan aan de hand der literatuur, wie b.v. van twee autoriteiten de ware, gedecideerde opvat- ting heeft; theoretisch is dit zeer zeker de eenige goede wijze, maar dan gebeurt het vaak, dat een derde auteur van naam met argumenten, om niet te zeggen bewijzen (!), komt, dat noch A., noch B. de prioriteitskwestie van de eenige (!) goede zijde bekeken hebben. Het gevolg daarvan zal allicht zijn, dat eene derde, woe oudere, of wel weder eene nog jongere benaming als de eenzge juiste, volgens de regels der prioriteit, moet worden aangenomen. Wij draaien dan wel eens in een vicieuzen cirkel rond, want hoe dikwerf komt dan weder een vierde, ik zou haast zeggen een meer speciale specialiteit, die weder alles dooreen gooit en aanneemt, dat de naam volgens A. de prioriteit heeft en alle andere bena- mingen tot de synoniemen moeten gerekend worden. Enkele der vele treffende voorbeelden, die mij tot nog toe, voor zoover het onze keverfauna betreft, zijn opgevallen, wil ik hier vermelden.
Zoo lees ik in GANGLBAUER’s ,,Kafer von Mitteleuropa I 1892, p. 500”, voor de zoo bekende waterkevers van het genus Ahantus LACORD., de soort:
Rhantus suturalis LACORD. (syn. notatus FABR.). Bij REITTER, in zijne „Fauna Germanica \ 1908, p. 227 , is het juist het omgekeerde:
Rhantus notatus FABR. (syn. suturalis LACORD.).
Bij BEDEL („Faune des Coléopt. du Bassin de la Serne I, 1881, p. 276’) is de opgave als bij GANGLBAUER, maar
XLII VERSLAG.
noemt hij de synoniem: zotatus 1 FABR. (non BERGST); ir beteekent bij BEDEL: ,,Nom pris dans un sens autre que le sens déterminé par la description originale de l’auteur auquel on se ‘referee voest enmos,bn cm ee momide roridus MÜLLER a été mis en avant pour cette espèce, mais la description de l'auteur ne lui convient nullement”. Er was dus nog een oudere naam in gebruik!
Een ander geval. — Bij GANGLBAUER vind ik de soort:
Rhantus suturellis HARRIS (syn. Ozstriatus ERICHS.).
Bij BEDEL evenzoo, de synoniem: dzstriatus weder } Er. et auct. (non BERGSTR.).
Bij REITTER heet de soort:
Rhantus bistriatus ERICHS. (syn. suturellus HARRIS, GANGLB.), dus ook weder juist omgekeerd.
Nog een derde geval. — Bij GANGLBAUER vind ik:
Rhantus bistriatus BERGSTR. (syn. adspersus FABR.).
Bij BEDEL evenzoo, de synoniem: adspersus weder | F. et auct.
Bij REITTER daarentegen:
Rhantus adspersus FABR. (syn. distriatus BEDEL, GANGLB.). Dus is, volgens REITTER : dzs¢rzatus BERGST. iets anders dan bij BEDEL en GANGLBAUER, waf kan ik niet uitmaken, daar deze in de „Fauna Germanica’ niet vermeld wordt.
Opvallend is ook b.v. de nomenclatuur der soorten van het Saphylinen-genus Phloeopora ERICHSON. Bij GANGLBAUER (ice Tk pP. 1164) zij ashetsdensoortens
Phloeopora reptans GRAV. (syn. Zestacea MNNH.).
angustiformis BAUDI (syn. transita MULS. et REV). corticalis GRAY. (syn. Zenuis GRAV., teres GRAV.). > /atens ERICHS. (syn. major KR., producta MULS. et REV) en scribae EPPELSH. (niet inlandsch).
Bi. REITTER, (I. e. Il p.:21) heeten deze soorten.
Phloeopora testacea MNNH. (syn. reptans ERICHS., dus niet GRAV.); met de var. Zransıta Murs. & REY (REITTER schrijft alleen: REY), welke laatste bij GANGLBAUER synoniem is aan de volgende soort:
Phloeopora angustiformis BAUDI.
teres GRAV. (syn. corticalis ERICHS, tennis GRAV.,
VERSLAG. XLIII
scribae EPPELSH.); hier is dus: corticalis ERICHS. iets anders dan corticalis GRAV. sensu GANGL- 3AUER, doch is daarmede eveneens synoniem: tenuis GRAV., maar heeft Zeres GRAV. de prio- titeit. 2. scribae EPPELSH. is nu bij REITTER = teres GRAV., bij GANGLBAUER eene afzon- derlijke soort.
Phloeopora corticalis GRAV. (syn. latens ERICHS., major KR., producta REY). Hier heeft dus Zatens ER. neet de prioriteit, maar is synoniem aan corticalis GRAV., die bij GANGL- 3AUER eene andere soort is.
Ten slotte nog een 3° voorbeeld:
Meligethes aeneus FABR., een zeer bekend bloemkevertje, zou eertijds, volgens REITTER („Die europ. Netidularien etc”, in Deutsche Entom. Zeitschr. XIX, 1875, Heft III (Beiheft) moeten heeten: Meligethes brassicae SCOP. (syn. aeneus F.), onder welke benaming wij dit kevertje al zoo lang kennen. Volgens GANGLBAUER (l.c. III p. 505) is de naam aeneus F. nu weder in eere hersteld en thans heeft ook REITTER (l.c. II p. 17) deze soort weder M.aeneus FARR. (syn. bras- sicae REITT., non Scop.) genoemd. Volgens GANGLBAUER is de benaming van SCOPOLI niet op een Aeligethes toepasselijk.
Het zou te veel gevergd zijn, om meer dergelijke gevallen op te sommen, ze zijn echter legio.
Dat naamsveranderingen bij soorten, van tijd tot tijd, in vele werken, aan de orde zijn, ook daaraan maakten wij ons onwillekeurig schuldig; de verschillende „Coleopteren-lijsten” en mijne „Coleoptera Neerlandica’ toonen zulks aan.
Eene andere kwestie is de opvatting, of men met eene soort, dan wel met een vas of eene varzöteit te doen heeft. Ook daarover bestaat heel wat verschil. Zoo dikwerf ziet men, dat wanneer b.v. auteur A. van eenige varzötert eener soort spreekt, te verwachten is, dat een ander auteur B. argumenten aanvoert, om er eene goede soort van te maken; het waarom wordt niet altijd duidelijk. Meermalen gebeurt Hetsnoe, dat een derde auteur „Ci voor was pleit, totdat allicht een vierde auteur D. het pleidooi voor de opvatting van A. als variëteit voor langen tijd wint; maar nu zal een opkomend speciaal beoefenaar der groep, waartoe dat alles
XLIN VERSLAG. behoort, als monographist dus, een toonaangevend oordeel uitspreken Mtotdattenz
Alweder de vicieuse cirkel.
Een prachtig voorbeeld hiervan vind ik o.a. bij eene Staphylinide :
Mycetoporus brunneus MRSH. (syn. lepidus GRAV., longulus MNNH., bemaculatus BOISD. & LAC., ruficornis KR.).
Al deze, oorspronkelijk als soorten beschreven vormen, zijn door FAUVEL (Faune Gallo-rhénane HI, Staphylinides p. 567) kritisch behandeld en niet eens als variëteiten eener zelfde soort, maar als synoniemen van drunneus MRSH. beschouwd.
GANGLBAUER (1. c. II p. 371) noemt /epidus GRAV. synoniem met Örunneus MRSH., daarentegen /ongulus MNNH. en bzma- culatus BOISD. LAC. (syn. ruficornis KR.) variëteiten van brunneus MRSH.
Later onderscheidt de specialiteit G. LUZE (in ,,Verh. d. Wien. Zool. bot. Gen. 1900—1901) vier goede soorten:
n.l. Mycetoporus brunneus MRSH. (syn. lepidus GRAV.). » longulus MNNH. bimaculatus LAC. en ruficornis KR. En eindelijk vermeldt REITTER (l. c. I p. 100) de soorten: Mycetoporus brunneus MRSH. (lepidus GRAY.). > longulus MNNH. en » bimaculatus BOISD., welke aan hem niet bekend is.
Van Mycetoporus ruficornis KR. wordt geene melding gemaakt.
De oorspronkelijke zienswijze is dus nu nagenoeg weder gangbaar.
Nog een paar andere voorbeelden:
Paederus gemellus KR. en sanguinicollis STEPH. door FAUVEL (l.c. p. 335) als rassen van P. ruficollis ERICHS. beschouwd (hier: ruficollis FABR. — gemellus Kr.), zijn bij GANGLBAUER (1. ;c- Il yp. 536) s ea Remmers Son ps 22) drie goede soorten, van welke bij GANGLBAUER : ruficollis ERICHS, ex parte, FAUVEL ex parte, synoniem is aan sanguini- collis STEPH., terwijl de soort: ruficollis. van FABR. (ERICHS.
VERSLAG. XLV
ex parte) is. REITTER noemt eveneens ruficollis ERICHS. (maar niet ex parte) synoniem met sanguznicollis STEPH.
Platystethus cornutus GRAV. wordt door FAUVEL (1. c. p. 181) onderscheiden in twee rassen: cornutus GYLLH., var. 4. en alutaceus THOMS. (cornutus GYLLH.). Bij REITTER (l.c. Il p. 168) zijn het twee goede soorten: cornutus GRAV. en alutaceus THOMS.; van een P. cornutus GYLLH. wordt niet gesproken. GANGLBAUER beschouwt ze ook als twee goede soorten: cornutus GRAV. en alutaceus THOMS. (syn. cornutus GYLLH.).
Het sterkste voorbeeld is wel bij het genus Trzchopteryx KIRBY (behoorende tot de z.g. dwergkevertjes), voor welke REITTER den jongeren naam Acrotrichis MOTSCH. invoert, aangezien eerstgenoemde naam reeds eerder aan een vlinder- genus gegeven is. Wij hebben hier ook weder de toepassing van een beginsel, dat niet overal ingang vindt. De algemeen gebruikelijke familie-naam Zwechopterygidae wordt door REIT- TER ook al vervangen door Pizlitdae.
Ongeveer een 10-tal aan mij bekende soorten van genoemd genus, destijds vooral door MOTSCHULSKY en den monograaph MATTHEWS beschreven, werden later door een anderen specialiteit. Dr. (C. "FLACH. (Bestimm.- Tab, XVIII, 1880), Trichopterygidae, als synoniemen van meer algemeen voor- komende soorten opgenomen, wat ook bij GANGLBAUER en REITTER navolging heeft gevonden.
Thans heeft de voortreffelijke Zrzchopterygiden-kenner J. B. ERICSON te Hindas in Zweden (in Entomologisk Tid- skrift 1908) !) al deze soorten in eere hersteld; ook deze onderzoeker heeft daarvoor zijne geldige redenen. Hij zegt: „Nachdem der Trichopterygiden-kenner Dr. A. MAT- THEWS seiner Zeit diese Gattung behandelte, sind mehrere Arten derselben aus der (Schwedischen) Fauna gestrichen worden. Gewisse Arten betreffend ist ein solches Verfahren jedoch ganz unberechtigt, warum ich gegen dasselbe be- stimmt protestiren will”; en verder „Es ist meine Absicht, wenn die Zeit es erlaubt, neue Beschreibungen aller Arten der Gattung 7rzchopteryx zu liefern.”
1) En, zooals mij gebleken is, uit de welwillende determinatie van wellicht een paar duizend individuen dezer pygmeen-familie.
Tijdschr. v. Entom. LVII.
D
XLVI VERSLAG.
Moge dit spoedig verwezenlijkt worden !
Zoo zien wij dus, dat ieder auteur van naam of bewerker eener monographie eene eigene opvatting heeft, welke steeds met de meest doorslaande argumenten gestaafd wordt en desniettegenstaande staan die opvattingen dikwerf lijnrecht tegenover elkaar. Waartoe moet zulks leiden? Zullen wetten en reglementen op de prioriteits-kwestie en op de nomen- clatuur in ’t algemeen, veel baten, wanneer zij wel is waar in theorie zoo aannemelijk toeschijnen, doch in de praktijk zoo moeilijk uitvoerbaar zijn?
Wat mz aangaat, die mij tot die groote meerderheid van entomologen reken, die geen kans ziet, om met beslistheid uit te maken, of de prioriteits-denkbeelden van FAUVEL, van GANGLBAUER, dan wel van REITTER of van anderen, de juiste zijn, zoo ben ik besloten, in het supplement-deel van mijn werk, zoodra de nomenclatuur bij een der genoemde auteurs van die in mijne „Coleoptera Neerlandica” gebruikt, afwijkt, eenvoudig te vermelden: zoo denkt de een er over, zoo de ander. Is dan dit werk eenmaal uitgegeven, dan kan door latere beoefenaars van de Nederlandsche Coleo- pteren-fauna, de evolutie (!) der prioritetts-opvattingen wellicht met vrucht bestudeerd worden; misschien blijkt dan dat, voor vele gevallen, de door mij gebezigde benamingen, aan de hand der dan geldende prioriteits-inzichten, behouden kunnen blijven.
De heer Schmitz, S. J., doet eene mededeeling over 3 kleine Diptera, nieuw voor de Nederlandsche fauna, over Phyllotreta- soorten, die in Limburg voor gekweekte kool schadelijk zijn, over eene nieuwe bijenluis, Draula kohli, uit Belgisch Congo en over Oniscomyia ENDERLEIN.
I. Bij het faunistisch onderzoek der mergelgrotten van Maastricht en omstreken 1907—1910, vond Spr. vaak eene Limosina-soort met physogastre wijfjes, die vooral in de achterste gangen, in de cichoreibedden en onder doode vleermuizen, zeer gemeen was. Alle moeite om het diertje te determineeren of te laten determineeren was tevergeefsch ; de voortreffelijke, maar verouderde tabellen van Rondani leidden tot ZL. pusio, waarvan echter de beschrijving niet
VERSLAG. XLVII
klopte; Prof. Bezzi te Turijn determineerde het als Z. plumosula Rond., wat Spr. onwaarschijnlijk leek. In 1911 ontving hij de ver- handeling van Bezzi in Biospeologica, Deel XX, over Diptera, door Racovitza in de grotten van Frankrijk verzameld, waar onder nr. 34 eene ZLimosina racovitzat n. sp. beschreven wordt, die hij tot zijne niet geringe verbazing onmiddellijk als identiek met de Zzmosina der Maastrichtsche grotten herkende. In 1912 vond hij dezelfde soort in de grot van Remouchamps bezuiden Luik in België; exemplaren daarvan, alsmede Maastrichtsche grot-exemplaren, werden aan Dr. J. Villeneuve te Rambouillet opgezonden, die de welwillendheid had, ze met de typen van Bezzi uit het Parijsche Museum te vergelijken. De Fransche dipteroloog vond inderdaad vol- maakte overeenstemming. Bijgevolg zouden we volgens Bezzi in onze Limburgsche fauna een echt grotinsect bezitten; want hij schrijft l.c. over Zzmosina racovitzat: „Nous avons affaire avec un véritable troglobie, qui n’a jamais été ren- contré en dehors des grottes, et qui présente plusieurs des caractères d’adaptation que nous avons observés dans Phora aptina etc.....” Helaas! de waarheid is, dat Nederland even- min een echt troglobion onder de diptera bezit, als onder de coleoptera ; want door de uitgebreide systematisch-faunistische ‘onderzoekingen van Dr. Villeneuve, die eene monographie over Limosina en aanverwante genera bewerkt, is aan het licht gekomen, dat Lémostna racovitzai ook buiten grotten veelvuldig voorkomt en in de omstreken van Parijs een vrij gewoon diertje is. Alleen de physogastrie zou volgens hem voor de grot-exemplaren karakteristiek zijn. Eene verklaring van dit laatste feit werd vooralsnog niet gegeven. Spr. heeft overigens ook bij andere grot-diptera, b.v. Lerza-soorten, het- zelfde verschijnsel waargenomen en gevonden, dat bij deze de physogastrie niet door hypertrophie der ovaria, maar door den reusachtig opgezwollen, met schuim en vocht opgevulden krop veroorzaakt wordt. |
Op de Zomervergadering van 1907 te Maastricht deelde Spr. mede, dat hij onder de epizoën der 10 verschillende vleer- muissoorten, die ’s winters de grotten bewonen, van het genus Nycteribia nooit eene andere soort dan JV. b/asi/ was tegen- gekomen. In aanmerking genomen, dat zijne ondervinding
XLVITI VERSLAG.
zich over honderden van exemplaren van de meeste der in Nederland voorkomende Chiroptera uitstrekte, achtte hij het toen onwaarschijnlijk, dat er, behalve de overal gewone Vycte- ribia blasti, nog eene andere Nycteribiide in het gebied der Nederlandsche fauna zou gevonden worden. In 1910 is hem dit toch gelukt. Op den roder Mei van dat jaar ving hi op een Myotis mystacinus — dus eene vleermuis, die ’s winters in de grotten niet zeldzaam is — 2 exemplaren Daszlia nattereri Kol. 62, die door Dr. P. Speiser gedetermineerd werden.
Uit de gallen van Cynandrum vincetoxicum, groeiende op den St. Pietersberg bij Maastricht, kweekte Spr., behalve Euphranta connexa, eene Sczara-soort, een eigenaardig Micro- hymenopteron en talrijke exemplaren van Contarinia ascle- piadis Giraud, eene Cecidomyide nieuw voor de Ned. fauna.
2. De bekende onderzoekingen van Franz Heikertinger over de biologie der aardvlooien, waardoor o.a. vastgesteld werd, dat Haltica oleracea nooit op kool leeft, spoorden Spr. aan, om gedurende het voorjaar van 1914 eens na te gaan, welke soorten van aardvlooien op de verschillende soorten van kool in Limburg worden aangetroffen. Zooals Heikertinger vond ook hij hoofdzakelijk zes soorten nl. Phyllotreta nemo- rum L., undulata Kutsch., cruciferae Goeze, atra Fabr, nigripes Fabr. en — consobrina Curt.!! Deze laatste soort, volgens Everts zeer zeldzaam, was op verschillende plaatsen in Limburg uiterst gemeen, vooral gedurende de maanden April en Mei. Van 92 aardvlooien, die Spr. 1 en 2 April te Sittard op radijsjes en bloemkool verzamelde, behoorden er niet minder dan 40 tot deze soort. Uit Schaesberg ont- ving hij op 3 of 4 April 72 koolaardvlooien ; daarvan waren 32 Ph. consobrina. In Limburg, en waarschijnlijk in geheel Nederland, schijnt dus de zesde soort, die Heikertinger voor Oostenrijk en Duitschland noemt, nl. Phyllotreta vittula, door consobrina vervangen te worden.
3. Vervolgens laat Spr. ter bezichtiging rondgaan af beel- dingen van eene nieuwe bijenluis, Draula kohli, door den Eerw. P. Kohl, missionaris te Stanleyville, op eene wilde bijenkoningin van de Afrikaansche honingbij, Apis mellifica adansoni, ge- vangen. Sedert Réaumur de europeesche Draula ontdekte,
VERSLAG. XLIX
die door Nitzsch den naam coeca ontving, en later tot eene bijzondere familie der Pupipara gemaakt werd, is er geene andere soort bekend geworden, noch in ons, noch in andere werelddeelen. Zelfs heeft men Avaula coeca buiten Europa niet dan in de laatste jaren in Zuid-Amerika (te Rio en in Argentinië) teruggevonden, althans wanneer de resp. deter- minaties juist zijn, hetgeen nog aan eenigen twijfei onder- hevig is. De afrikaansche bijenluis verschilt slechts in geringe mate van de europeesche, en dit is begrijpelijk, want ook de draagsters van deze twee Draula-soorten, de Afrikaansche en de Europeesche honingbij, verschillen zoo weinig van elkander, dat men haar slechts als variëteiten van ééne soort, Apis mellifica, meent te moeten beschouwen. Gelijk nu Apzs mellifica adansoni iets kleiner is dan A. mellifica 1. sp., zoo is ook Braula kohli duidelijk kleiner dan B. coeca.
Alnsshetjaars-Too8. “beschreef: Enderlein het genus Oniscomyia: „eine neue deutsche als Ameisengast lebende flügellose Fliegengattung” met ééne soort, in één exemplaar bij Polvergus rufescens in de diepte van het nest gevonden. Het genus zou volgens den auteur slechts weinig verschillen van Aenigmatias Meinert, waarmede het in zijn lichaams- vorm overeenkomt; echter zijn de palpen tot kleine bultjes gereduceerd en is de zuiger geheel en al geatrophieerd.
Spr. ontmoette nu onder het materiaal van myrmecophile Phoriden, dat de heer Wasmann hem ter bewerking had toevertrouwd, verschillende individuën, die volkomen met de beschrijving van Onzscomyia Enderlein overeenkwamen, behalve dat zij goed ontwikkelde maxillairpalpen bezitten. Bij nader onderzoek bleek hem, dat hetgeen Enderlein bij zijn object voor palpen aanzag, de labellen van den zuiger zijn, terwijl de werkelijke palpen aan den type toevallig ont- broken hebben. Het genus Oniscomyia moet derhalve ver- vallen en de soort O. dornî Enderlein onder Aerigmatias Meinert gerekend worden.
De heer De Meijere spreekt over de Dipterenfauna van Simalur, naar aanleiding van het door den heer JACOBSON aldaar verzamelde materiaal. Er waren hierbij talrijke soorten, die Spr. reeds van Java onder de oogen had gehad, maar
L VERSLAG.
bovendien een aantal hem onbekende en grootendeels nieuwe vormen. Of door deze soorten het Sumatraansch element vertegenwoordigd is, valt niet te zeggen, omdat van Sumatra op dit gebied nog zoo weinig bekend is. Als merkwaardige soorten noemt Spr. :
Rhynchoplatyura n.g. longirostris n.sp., cene Mycetophilide, verwant aan ons genus Aszndulum, maar met nog veel meer verlengden zuiger en met rudimentaire tasters; |
Tipula pumila n.sp., eene voor dit genus bijzonder kleine soort, met slechts 8 mM. vleugellengte ; |
Ertocera unicolor n. sp. eene geheel zwarte soort van dit in den O.L. Archipel rijk vertegenwoordigde genus ;
Rhachicerus omissinervis n.sp.; dit genus heeft veelledige, sterk gevederde sprieten; de verwantschap is lang duister gebleven; het behoort ongetwijfeld tot de Xylophaginae.
Damalina trigonoides n.sp., het dier stemt in uiterlijk en grootte met Zrigona, de bekende, niet van een bruik- baren angel voorziene kleine bijtjes overeen; de zeer sterke beharing der pooten, die gewoonlijk bij de Damalina’s niet voorkomt, doet de gelijkenis nog veel grooter schijnen. Eene dergelijke soort werd onlangs door Spr. van Java beschreven, terwijl HERMANN er ook nog eene heeft gevonden in het materiaal, dat door SAUTER op Formosa werd verzameld. In hoever de overeenkomst aan deze dieren eenig biolo- gisch voordeel verschaft, is nog onbekend, evenals bij de volgende te vermelden soort: |
Eristalis lucilia, eene Syrphide, die geheel het voorkomen heeft van eene Zuczlia ;
Spantocelyphus trigonalis n.sp., met het voor de Celyphinen karakteristieke groote schildje;
Gastrozona bifasciata n. sp., eene fraaie Trypetine van dit onlangs door BEZZI opgerichte genus;
Themara jacobsoni n.sp., eene Trypetine met eigenaardigen vleugelvorm en vleugelteekening. Het g is gekenmerkt door verbreeden kop met gesteelde oogen. Deze kenmerken zijn echter ook bij deze soort zeer variabel. Ofschoon het mate- riaal niet bijzonder groot is, meent Spr. hierin toch 3 trappen te kunnen onderscheiden, die elk om een gemiddelde schommelen en min of meer ineenvloeien. Ook bij Achzas-
VERSLAG. TSL
soorten is eene dergelijke variabiliteit bekend, 0. a. bij Ackias rothschildi AUST. en diversifrons DE MEI].
Sphyrnoceps n.g., brunneus n. sp., eene Drosophiline, eveneens met kopverbreeding; het eenige genus, waarbij iets dergelijks in deze familie bekend was, is Zygothrica WIED. uit Brazilië.
Uit zoögeographisch oogpunt is merkwaardig, dat onder de Simalur-Dipteren er enkele zijn, die slechts uit het Oos- telijk deel van den Archipel bekend zijn, nl. Zoxorhynchites inornatus WALK. uit Nieuw-Guinea en Draphorus plumicornis uit Ceram en Nieuw-Guinea, terwijl Zrzsztalis stmalurensis n. sp. zijn naasten verwante neeft in Zr. distinctus DE MEIJ., weder uit Z. Nieuw-Guinea.
Van het genus Zuprosopta zijn 2 soorten aanwezig, terwijl van Sumatra eerst onlangs eene soort werd beschreven en het genus op N.-Guinea door eene reeks soorten vertegen- woordigd is.
Wat de kleur bij de Simalur-Dipteren aangaat, zijn, even- als voor andere orden werd waargenomen, soms althans de dieren donkerder dan gewoonlijk. Dit geldt voor Acanthoneura dunlopi V. D. W., Telostylus trilineatus en ook voor een exemplaar van Zrzocera verticalis, terwijl het 2° exemplaar hiervan met die van Java overeenstemt. De exemplaren van Zeucholabis plecioides DE MEY. zijn echter lichter dan die van Java.
Voorts laat Spr. rondgaan eene merkwaardige Dombdyliide, n.l. eene nog onbeschreven Sys¢ropus-soort, hem onlangs door Dr. ROEPKE toegezonden. Het dier was gekweekt uit een Limacodiden-cocon, evenals de 2 overige Systropus-soorten, wier biologie bekend is. Het uiterlijk van het dier en merk- waardigerwijze ook weder de kleur herinnert levendig aan de smalle wespen van het Zumeniden-type en wijkt geheel af van den bekenden breeden Bombylius-vorm, welke bij de pop nog duidelijk aanwezig is. Evenals bij de langgestrekte Conopiden, treedt dus de smalle achterlijfsbasis eerst in het imagostadium op.
Ten slotte wenscht Spr. de aandacht der vergadering er op te vestigen, dat door het Gemeentebestuur van Amster- dam gunstig is beschikt op eene aanvrage zijnerzijds, om op de voormalige Oosterbegraafplaats een bescheiden laborato-
LII VERSLAG.
rium met kweekterrein te zijnen behoeve te doen inrichten. Met de uitvoering is in Mei ll. begonnen, zoodat het kleine gebouw in dezen zomer nog gereed zal komen. Hij is over- tuigd, dat het tot stand komen dezer instelling, welke hem gelegenheid zal geven tot biologisch en experimenteel onder- zoek op entomologisch gebied, de sympathie zijner medeleden zal wegdragen en beveelt zich bij hen aan voor het verkrijgen van eventueel door hem gewenscht studiemateriaal.
De heer J. Th. Oudemans doet de volgende mededeelingen
leder entomoloog weet, dat, als men van daarvoor gunstige voorwerpen op entomologisch gebied, eene aanzienlijke hoe- veelheid verzamelt, men, behalve de gewenschte, dikwijls nog geheel andere voorwerpen blijkt te hebben medegebracht. Wie b.v. een aantal exemplaren eener zwamsoort verzamelt, om daaruit een zeker coleopteron te kweeken, welks aan- wezigheid men heeft vastgesteld, kan er nagenoeg op rekenen, ook nog andere dieren uit de zwammen te zullen zien voor den dag komen. Wie gallen eener galwespsoort naar huis brengt, ziet zich daaruit niet zelden verscheidene soorten van Hymenoptera ontwikkelen — de eigenlijke bewoners, de parasieten daarvan, de inquilinen, de parasieten van deze laatste, enz.
Alleen nu, om de kans te krijgen, parasitische Hymeno- ptera machtig te worden, verzamelde Spreker in het vroege voorjaar een 175 stuks van de bekende harsknobbels, welke niet zelden aan dennentakken worden waargenomen en die de. woningen zijn van de bekende, in boschbouwkundigen kring beruchte ,,dennen-harsbuilrups” Ævetria (Retinia) resi- nella L. Deze harsbuilen — waarop de naam schijngallen, niet die van gallen (cecidiën) moet worden toegepast, omdat er geen nieuw weefsel gevormd wordt, dat tot voedsel strekt, doch uitsluitend de uit knaagwonden uitgetreden hars woning en voedsel vormt — zijn in vele niet al te best groeiende, vooral jeugdige 'dennenbosschen algemeen. Men treft ze voornamelijk aan zijtakken aan, weshalve deze Ævetria (Retinia)- soort veel minder schadelijk is dan enkele andere, als Ævetria buoliana Schiff. en Zurionana Hb., die meer in het bijzonder aan de topscheut der dennen schade veroorzaken. Daar de
VERSLAG. LIII
rups twee jaren noodig heeft, om haar vollen wasdom te bereiken, vindt men de groote harsbuilen aan het tweejarige hout. Aan het eenjarige hout vindt men de erwtgroote, een- jarige harsbuiltjes, aan drie- en meerjarig hout de verlaten builen van vorige generaties. Deze laatste builen zijn droog en bros, wat bij het afbreken zeer merkbaar is; de tweejarige builen zijn taaier en bevatten altijd nog wat vloeibare of ten minste nog weeke hars. De zoo straks genoemde 175 tweejarige harsbuilen werden nu in eene groote flesch gedaan en werd geregeld nagegaan, wat er uit te voorschijn kwam. Het getal der parasieten, waarom het begonnen was, bleek gering te zijn, zoowel wat soorten, als wat exemplaren be- belts spreker. verkreeg ver “echter ook dieren! ‘uit, die hy allerminst verwacht had, o.a. eenige exemplaren eener gal- mug, eenige voorwerpen eener graafwesp en een groot aantal Hemerobius-exemplaren. Wat de galmug aangaat, roept hij de hulp van Prof. de Meyere in, om de soort te bepalen en wellicht inlichting te geven, wat deze met de harsbuilen te maken heeft.
Omtrent de graafwespen en de Æ/emerobius-exemplaren, oppert Spreker de veronderstelling, dat deze de builen slechts als woning bezigen, doch dan ligt het meer voor de hand, dat zij daartoe oude, ledige builen van vroegere jaren zouden gebruiken, dan de nog niet’ door hetvinsect zelf of zijne parasieten verlatene. Onmogelijk is het niet, dat er enkele oudere builen tusschen geraakt zijn, wat echter thans niet goed meer is uit te maken.
De list van wat zich tusschen 14 April en 10 Juni uit de builen ontwikkelde moge thans hier volgen:
Evetria resinella 33 ex. + 6 poppen.
Sluipwesp 17 9 » kleiner 50m > Pez le 2S Sy ris, suit Koe Sluipvliegen Ona Hemerobius spec. 42 > Galmug CAES Graafwesp 7 » (Passaloecus spec.) 2
Coleoptera Psyllide
_
LIV VERSLAG,
Echte parasieten doodden vermoedelijk 14 ex, gerekend, dat van ‘de. kleinessluipwesp 28e it mese resinella zich ontwikkelden, zooals in één geval werd vast- gesteld. De grootere sluipwesp en de sluipvliegen hebben stellig wel elk een ex. Avetrza verbruikt. Nader onderzoek der harsbuilen, dat, nu er zich den laatsten tijds niets meer uit ontwikkelt, eerlang kan plaats vinden, zal misschien nog nadere gegevens opleveren omtrent het lot van die voorwerpen, die niet uitkwamen en niet door parasieten bewoond waren.
Vervolgens laat Spreker rondgaan eenige kleine sluip- wespen, door hem verkregen uit zaad van de Douglas-spar, Pseudotsuga douglasi. Het zaad, dat Spr. van de Ned. Heide- Maatschappij betrok, zal vermoedelijk wel uit Noord-Amerika, waar de Douglas-spar inheemsch is, afkomstig zijn. Zonder twijfel heeft de parasitisch levende sluipwesp eene of andere larve aangetast, die op haar beurt van het zaad geleefd heeft. De sluipwesp is van menschelijk standpunt nuttig, daar zij den zaadvernieler doodt, doch hare aanwezigheid toont aan, dat er een zaadvernieler aanwezig was.
Eindelijk vertoont Spreker eenige takjes van de Sneeuwbal, waarop Galerucella viburni Payk. hare eieren in hoopjes had afgezet in de daartoe expresselijk door haar geknaagde holten. Daar sneeuwballenstruiken dikwijls sterk door Gaterucellà vi- burni geteisterd worden, is het wenschelijk, de bezette takjes in den winter op.te zoeken en afs te breken. Moortmiesze eenmaal gezien heeft, zal dit niet moeilijk zijn. Spr. kende wel de beschrijving in Everts’ Coleoptera Neerlandica, hoe deze soort hare eieren afzet, doch had dit nog nooit zelf waargenomen voor den afgeloopen winter.
De heer Veth stelt ter beschikking van de aanwezige lepidopterologen een aantal Zygaena’s, door hem in het voorjaar in Algiers verzameld. Geen der aanwezigen weet deze zoo dadelijk te determineeren. Daar Spr. eerst de vorige week thuis is gekomen, kan hij nog geene melding maken van belangrijke vangsten op zijne reis in Noord-Afrika gedaan. Later hoopt hij hieromtrent eene mededeeling te doen.
De heer A. C. Oudemans. spreekt over de atfstam- ming der Suctoria. De naaste verwanten der Oer-
mn
VERSLAG. LV
Hexapoda zijn nog niet met eenige zekerheid bekend, m. a. w. van welke uitgestorven dieren de Hexapoda afgeleid kunnen worden, is nog twijfelachtig.
Het spreekt van zelf, dat men, om dit probleem op te lossen, niet alleen een grondig kenner moet zijn van alle thans levende Hexapoda, maar ook een ruimen blik moet hebben, niet zich blind moet staren op een of ander lichaams- deel, of komplex van lichaamsdeelen (e. g. mondledematen), nòch alleen op de embryologie, de genitaal-organen, etc. Een systeem, op zulk eene eenzijdige basis opgebouwd, moet, vroeg of laat, als mislukt beschouwd worden. In alle geval moet men ook kennis hebben van fossiele Hexapoda. De voornaamste kenner daarvan, HANDLIRSCH, toont in zijn Handboek „Die fossilen Insekten”, overtuigend aan, dat alle Oer-/ery- gogenea voorzien waren van een middelmatigen, ronden kop. met 2 samengestelde en 3 enkelvoudige oogen, met 3 vrije borstsegmenten. Meso- en metathorax waren voorzien van harde, gelijkgevormde, bijna vouwbeenvormige vleugels, die met breede basis vastgehecht waren en loodrecht op de lichaamsas stonden. Maar ook de prothorax vertoont twee, hoewel veel kleinere, vleugelachtige aanhangsels.
Naar alle waarschijnlijkheid droeg elk der eerste 10 abdo- minaalsegmenten eveneens een paar nog kleinere, beweeglijke, vleugelvormige aanhangsels, alsmede een paar beweeglijke segmentaanhangsels; het elfde segment gelede cerci.
HANDLIRSCH voert gegronde redenen aan, die hem voeren tot het besluit, dat de Pierygogenen afstammen van polypode, waterbewonende, door kieuwen ademende voorouders.
Deze moeten reeds vóór de Carboonformatie geleefd hebben. Denken wij na, wie hier bedoeld zijn, dan komen wij op de 77z/obita, die reeds in het cambrium leefden, en in duizenden vormen bekend zijn. Denken wij ons verder de langere vormen daaronder zóó gespecialiseerd, dat de pleura van het tweede en derde segment achter den kop zich zijwaarts verlengden, dan hebben wij wezens vóór ons, die de voorloopers zouden kunnen zijn van Pterygogenea.
De Collembola hebben hoogstens 6 abdominaalsegmenten, met -ventrale.. extremiteiten vaan het: 1°, 3° en’ 4° segment, en met de genitaalopening bij beide sexen aan het 5°
LVI VERSLAG.
(praeanale) segment. Het eenige tracheeënpaar komt slechts voor bij. het hooggespecialiseerde genus Simznthurus en dan nog wel op eene plaats (den kop), waar Plerygogenea nooit zulke organen dragen. De monddeelen zijn nog sterker gespecialiseerd dan bij de laagststaande fossiele Pterygogenea. Enz. ‘enz. (zie. HIANDLIRSCH Ico py 1295), Men-kanshen dus evenmin doen gelden als voorloopers der Pterygogenea, als dat men van deze de Collembola kan afleiden. _
De Campodeordea zijn blind, hebben hooggespecialiseerde mondledematen en twee paar (thoracale) stigmenparen, die niet segmentaal geplaatst zijn (Yapyx), of toegang geven tot niet anastomoseerende tracheeën zonder spiraaldraad. Enz., enz. We kunnen dus evenmin de Campodeotdea aanzien als afstammelingen van Pverygogenea, als deze van gene. Zij zijn eigenlijk, met hunne homonome segmenteering, totale. eiklieving, het ontbreken van een amnion, het even te voorschijn komen van een extremiteitenpaar aan het interkalaarsegment (achter de antennen), en het persisteeren van extremiteitenresten aan bijna alle abdominaalsegmenten, nóg primitiever dan de Collembola en de Pterygogenca.
Wat de Z%ysanura betreft, deze zijn van alle Apterygogenea in vele organen nog het naast aan Pterygogenea verwant (ro. p. 1206-1298). Derbalve: is de vleugelloosheid secun- dair, zoo moet men ze afleiden van amphibiotische vormen, als Æphemeriden. Is de vleugelloosheid primair, dan moet men de 7Z%ysarura afleiden van Oervormen, die het naast verwant zijn aan die van Pterygogenea, maar nog geene vleugels hadden.
Wat moeten we nu denken van de Swetoria? Wel, ik heb (Novitates Zoologicae v. 16, Mei 1909) reeds aange- toond, dat alle Suctorza afgeleid moeten worden van dieren met een duidelijk in 4 deelen gedeelden kop. Ik nam toen aan, dat deze 4 deelen pseudo-segmenten zijn, en stelde eenige theoriën op over de opeenpakking der mondledematen, over de kolossaal ontwikkelde frons, over het zich naar achteren verplaatsen der antennen, over het nog langer worden van den kop, over het weer korter worden van den kop, over -het ontstaan der verdeeling in vieren, en over eene massa andere zaken. Over eenige punten kon ik geen uitsluitsel geven.
VERSLAG. LVII
Sedert die publicatie werd mijn tijd en geest te zeer in beslag genomen door andere bezigheden, dan dat het mi mogelijk was, verdere onderzoekingen omtrent den geleden kop der Suctorza te doen, of daarover na te denken. Begin van dit jaar zette ik mij weder met ijver aan de studie der vlookoppen, en hoe meer ik ze bestudeerde, destemeer kreeg ik den indruk, dat mijne vroegere beschouwing, als zouden de kopgedeelten der Swctorza ,,pseudo-segmenten”’ zijn, onhoudbaar is.
Bestudeert men het aantal der kopledematen, dan vindt men er 7 paar (antennae, labrum, epipharynx, mandibula, maxillae, hypopharynx, labium). Neemt men dan nog een interkalaar segment aan, dan komt men op 8 paar segment- aanhangsels. Ziet men dan slechts 4 kopgedeelten, dan moeten wij wel aannemen, dat deze kopgedeelten „dubbel- segmenten” zijn, zooals KOLBE van de thoraxsegmenten van alle Hexapoda wil aannemen. Daarom behoeven wij nog niet direct aan te nemen, dat ook de thorax- en abdominaal- segmenten dubbelsegmenten zijn, al zou dat het rationeelste zijn. In alle geval hebben we hier het bewijs, dat het bestaan van KOLBE’s dubbelsegmenten niet alleen mogelijk, maar zelfs bewezen is.
Wanneer wij nu over dien zonderlingen kop onze gedachten den vrijen loop laten, dan moeten wij wel aannemen, dat die geleding reeds aanwezig was, vóór dat de Suctorza hun parasitische levenswijze aanvaardden, m. a. w., dat de Suctorza toenmaals nog tamelijk weeke Hexapoda waren, waarvan de 8 kopsegmenten zich reeds tot vier dubbelsegmenten ver- eenigd hadden, maar deze zich nog niet tot één enkelvou- digen ,,kop” samengevoegd hadden. Want wij kunnen niet aannemen, dat de kop der Suctorza in vier deelen verviel, nadat zich reeds een goed gechitiniseerde, enkelvoudige „kop” gevormd had.
En nemen wij dat eenmaal aan, dan moeten we óók aannemen, dat zulke Hexapoda onmogelijk vleugels kunnen gehad hebben. Vleugels, organen, waarmee eene Hexapode zich in de lucht verheft, kunnen wij ons slechts denken aan een tamelijk hard lichaam met korten, uit één stuk bestaanden, enkelvoudigen kop. Een lange, uit 4 be-
LVIII VERSLAG.
weeglijke deelen bestaande, samengestelde kop, zou beslist belemmerend werken op eene stabiele vlucht, haar zelfs onmogelijk maken.
We moeten verder aannemen, dat naast Oer-Collembola, Oer-Campodesidea, Oer-1hysanura en Oer-Pterygogenea, de Oer-Suctoria, vermoedelijk in mos, van roof leefden (men zie o.a. mijne mededeeling over maaginhoud in Ent. Ber. v. 3, n. 42, pl 251, 1 Juli 19008); en. milioenenzvan@jaren bleven voortbestaan, alvorens zij op Aves en. Mammalia parasitisch konden leven, òf wel, dat reeds lang vóór de Carboonformatie de Szctoria als parasieten van Amphibra optraden.
De heer Mac Gillavry herinnert er aan, dat reeds meer- malen ter sprake kwam, o.a. naar aanleiding van de voor- dracht van den heer v. EECKE op de vorige vergadering, dat er eene grootere overeenkomst bestaat tusschen de fauna van Oost-Java en die van Sumatra, dar. tusschen die van West- Java en Sumatra.
Terwijl onder de talrijke insecten, die Spr. vroeger uit Banjoewangi ontving, er telkens waren, die tot nu toe van Java onbekend waren, echter als Sumatranen te boek stonden, is Spr. nu in de gelegenheid het omgekeerde te demonstreeren.
Onder de soorten van het genus Akyparus uit Banjoewangi was o.a. eene nieuwe soort, door den heer SCHMIDT als A%7- parus magnus. (Twa Br DI 54, p. 134)" bESChTEMe IEI blijkt nu, dat deze soort ook voorkomt op Sumatra, daar Spr. onder eene collectie insecten, uit de binnenlanden van Djambi, bijeengebracht door den heer DOUGLAS, twee exem- plaren van RA. magnus Schmidt aantrof.
Van beide vindplaatsen laat Spr. een exemplaar circuleeren. Al blijft de mogelijkheid, dat nader meerdere vindplaatsen van dit insect bekend worden, voorloopig bevestigt het de boven vermelde stelling.
Een tweede punt, dat Spr.’s aandacht getrokken heeft, is de vraag, welk dekschild boven ligt in die gevallen, waar de voorvleugels in rust elkander gedeeltelijk bedekken. In vele gevallen, b.v. bij Ahynchota heteroptera, ziet men, als men vele exemplaren van dezelfde soort beschouwt, dat nu eens
VERSLAG: LIX
het linker, dan weer het rechter dekschild boven ligt. Dit betreft echter doode exemplaren en de vraag blijft open, of hetzefde dier, bij het opvouwen steeds hetzelfde dekschild boven heeft. Ofschoon Spr. nog te weinig hierop gelet heeft, om er zich zeer positief over te mogen uitlaten, heeft hij toch een bepaalden indruk gekregen en wel deze, dat hoe meer de voorvleugels gechitiniseerd zijn en vooral als het bedekkende deel gechitiniseerd is, hoe constanter dezelfde kantmboven dict) » Zeertraaı kan, men cit zien bij de Blattidae, want als gevolg (of in verband) met het steeds boven liggen van het linker dekschild, is het bedekte ge- deelte van het rechter dekschild steeds meer doorschijnend dan het overeenkomstige gedeelte van het linker dekschild.
Ditlaatste is geen onbekend feit; men vindt het reeds vermeld bij BRUNNER (Prodromus d. europ. Orthopteren, 1882, p. 27).
In het algemeen geldt, dat bij de Orthoptera de linker voorvleugel boven ligt, uitgezonderd bij de Gryllidac waar juist deze voorvleugel onder ligt. Spr. zag echter vele uit- zonderingen van dezen regel.
Ter illustratie van het gesprokene laat Spr. eenige Ortho- piera zien, waarbij tevens uitkomt dat bij P/aftidae met sterk gechitiniseerde en tevens gereduceerde dekschilden het struc- tuurverschil tusschen links en rechts het sterkste is (Oxryha- loideae, Ectobiidae (genus Anaplecta), Panesthridae).
In verband daarmede ligt het vermoeden voor de hand, dat bij die genera, die weinig van hun vliegvermogen gebruik maken, reductie en constantheid van het bovenliggend dek- schild hand in hand gaan.
Bij de Heteroptera doet zich nu eene eigenaardige kwestie voor, die met de nu behandelde zaak in nauw verband staat. Daar heeft men nl. bij vele soorten brachyptere en macro- ptere exemplaren. Bij het brachypteer worden ziet men nu, dat de membraan, dat is juist dat deel van den voorvleugel, dat bij deze diergroep voor het bedekken in aanmerking komt, kleiner en kleiner wordt. Aanvankelijk kan zich dan het corium zelfs uitbreiden, de geheele voorvleugel kan dan nog nagenoeg de normale lengte behouden. Gaat het brachy- pteer worden verder, dan wordt de vleugel korter, waarbij al of niet resten van de membraan aanwezig blijven.
LX VERSLAG.
Tot nu toe zag Spr. steeds, dat daarbij beide voorvleugels op gelijke wijze aan dit reductie-proces deelnemen. Tot zijne verbazing zag Spr. echter bij eene kleine Indische waterwants, dat daar het linker elytron eene membraan bezit, terwijl dit rechts niet het geval is. Het dier is eene Szgara (Micronecta) spec., tot de Corisidae behoorende, gevangen door den heer DOUGLAS te Batavia.
Het eenige exemplaar van Sigara minutissima L., dat Spr. uit ons land bezit, heeft de beide elytra in geringe mate ongelijk. Spr. vond tot nu toe nergens iets over die asym- metrie vermeld.
Toch is het opmerkelijk, dat, wanneer men de teekening, die KUHLGATZ van deze soort geeft — in het door hem bewerkte deel van BRAUER’s „Süsswasserfauna Deutschlands” (Heft 7, p. 109, 1909) — nauwkeurig beziet, dat daar dezelfde asymmetrie is aangegeven.
Wanneer de dekschilden gesloten zijn, valt het natuurlijk niet op, dat het onderliggende eene membraan bezit; bij de kleinheid der voorwerpen worden zij gewoonlijk ook niet uitgezet. Zoo is dit b.v. bij eene Szgara spec. uit Langkat. Het is dus zeer wel mogelijk, dat het bij de Europeesche soorten geregeld voorkomt, maar niet opgemerkt is.
Het is derhalve voor Spr. een aangename verrassing, dat in de bovengenoemde collectie uit Djambi weder twee soorten van het geslacht Szgara aanwezig zijn, die beide de beschreven asymmetrie bezitten, de eene meer de andere minder.
In alle gevallen is het rechter dekschild het dekkende, terwijl links de membraan aanwezig is.
Tot slot wijst Spr. er op, dat het partieel bedekken der elytra ook bij Coleoptera voorkomt (0. a. Xantholinin:) en eigen- lijk in deze orde op kleine schaal regelmatig aanwezig is, daar de elytra met lijsten, die natuurlijk steeds asymmetrisch zijn, in elkander grijpen.
Het zou in verband met het behandelde vraagstuk de moeite waard, zijn op groote schaal na te gaan, of ook daar dezelfde lijsten steeds rechts voorkomen bij alle of bij bepaalde groe- pen van Coleoptera.
De gedemonstreerde voorwerpen van Dlattidae, tot den
VERSLAG. LXI
tribus des Panesthädae behoorende, bieden nog eenige eigen- aardigheden, waarop Spr. de aandacht vestigt.
De groote, harde, donkere soorten van de genera Salganea en Panesthia zijn blijkbaar slechte vliegers, want, terwijl het meerendeel der kakkerlakken neiging tot kosmopolitisme heeft, zijn de soorten van deze genera blijkbaar veelal locaal, analoog aan de Tenedrioniden bij de Coleoptera. Toch zijn meestal de vliegorganen goed ontwikkeld, ofschoon er ook soorten zijn met lobvormige dekschilden. Bij het determineeren moet men er echter op letten, dat vele gevleugelde exem- plaren schijnbaar lobvormige dekschilden hebben, daar de vliegapparaten gemutileerd zijn; vooral geldt dit Salganea.
Het zou Spr. niet verwonderen, dat het zal blijken, dat deze alles-vernielers elkanders vleugels opvreten.
De heer Van Pelt Lechner deelt mede, dat, voor het eerst in I9I2 en ook wederom, en toen in grooter aantal, in 1913, bij Hamburg melanzstische voorwerpen van Cymato- phora or, W.V. gevonden zijn. (Zie o. a. Zentralbl. f. Zool., IV, 10, p. 377). Het verdient dus aanbeveling, op die soort in ons land speciaal het oog te houden.
Naar aanleiding van de mededeeling van den heer VAN PELT LECHNER, herinnert de heer Schmitz er aan, dat de eieren van Rana in het Noorden eene donkerdere kleur aan- nemen en hierdoor meer warmte absorbeeren. Dit laatste wordt ook toegeschreven aan het doel van de zwarte vlekken op de bladeren van verschillende Orchzdeeen-soorten. Of dit werkelijk het geval is, zal wellicht later door de weten- schap worden bewezen.
De heer De Vos tot Nederveen Cappel maakt melding van een spinsel van eene rups, dat 1.80 M. lang en 0.50 M. breed was. Dit was afkomstig uit Indië en zeer gelijkmatig.
De heer Van den Bergh herinnert er aan, dat hij indertijd een spinsel uit N.-Guinea in eene vergadering der Vereeni- ging vertoonde, dat ook van bijzonder groote afmeting was en dat toen vermoed werd het spinsel van meerdere rupsen te zijn. Volgens door hem ingewonnen inlichtingen, worden deze spinsels door de inboorlingen gebruikt om daarvan
zakken te maken. Tijdschr. v. Entom. LVII. 3
à
LXII VERSLAG.
Volgens den heer Brants spinnen verschillende rupsen soms een band, die volgens zijne waarnemingen wel eens de breedte van één duim bereikt en dan bestaat uit een groot aantal evenwijdig loopende en onderling aaneen- gekleefde draden.
De heer Van Eecke, op het laatste oogenblik verhinderd de vergadering bij te wonen, zond het manuscript van het- geen hij van plan was mede te deelen, aan den President in, die dit voorleest. Het luidt als volgt:
In den winter van 1912/1913 vond ik in mijn tuin te Zoeterwoude op een afgestorven rozentakje een ledigen cocon met eieren er op van Orgyza antigua L., den Witvlakvlinder. De eieren werden door mij herkend, omdat zij op den cocon afgezet waren, want ware dit anders geweest, b.v. doordat het vleugellooze wijfje zich een eindje van hare bakermat verwijderd had, ik hadde, afgaande op den vorm en de struktuur, stellig eene fout gemaakt. SEPP heeft nl. het ei van O. antigua afgebeeld en wel foutief, voor zoover ik kan beoordeelen, na een paar honderd stuks nagekeken te hebben. De afbeelding van SEPP is overgenomen door Dr. OUDE- MANS in „De Nederlandsche Insecten’, pag. 382, fig. 267 no. 6 en door A. SPULER in zijne „Schmetterlinge Europa's” en waarschijnlijk nog door anderen. O.a. kan men van de Amsterdamsche Lichtbeelden-vereeniging een transparant krijgen, waarop onder andere vlindereieren ook die van onzen Witvlakvlinder zijn afgebeeld, maar foutief.
De eieren van Orgyia antigua zijn rond, aan ééne pool afgeplat en ingedeukt. Aan den rand der afplatting is een smal bruin bandje; ook in het komvormig gedeelte is de kleur bruinachtig, terwijl verder het ei geelachtig grijs-wit is gekleurd, zonder verdere teekening. Hierbij gaat eene teekening, door mij vervaardigd, die men kan toetsen aan de talrijke meegezondene eieren. Afgaande op de afbeelding van SEPP e. a., zou men onmogelijk de eieren herkend hebben.
Een geheel arbeidsveld ligt hier nog braak, wat te be- treuren is, daar de struktuur der coria voor de systematiek van groot belang blijkt te zijn.
De bovengenoemde eieren op het rozentakje kwamen in
VERSLAG. LXIIT
Juli uit en nadat ik met succes de rupsen had opgekweekt, had ik in begin Augustus tal van cocons. Deze cocons waren voor het meerendeel vastgehecht aan de glaswanden, waar zij conglomeraten vormden en verder aan alle vaste dingen in het insectarium; enkele rupsen sponnen zich aan de rozentakjes vast, met of zonder blad.
Dr. OUDEMANS schrijft in zijne „Nederlandsche Insecten”, pag. 429: „De eieren der najaarsvlinders overwinteren en de spinsels, waarop deze zich bevinden, vallen niet van de boomen af‚ daar de rups het blad, waaraan het spinsel bevestigd is, of het spinsel zelf tevens aan den tak vastspint. Deze spinsels vallen nadat de boomen hun loof verloren hebben gemakkelijk in het oog; het zou de moeite waard Zimpommter onderzoeken; of de rupsen der eerste generatie dezelfde, dan onnoodige voorzorg nemen en of ook de man- lijke rupsen dit doen”.
Voorzoover ik nu heb kunnen nagaan (ook in de vrije natuur), zijn de gewoonten der eerste generatie volkomen gelijk aan die der tweede en spinnen de rupsen hare cocons liefst op plaatsen, die niet in beweging zijn. Men vindt de meeste cocons op de stammen en takken en niet op de bladeren. De manlijke rupsen doen precies als de vrouwelijke. Tevens wil ik er op wijzen hoe, gedurende de Orgyia-plaag in Den Haag, de in de „Nieuwe Courant” geincrimineerde „eiernesten” (ornithologisch begrip) vooral te vinden waren op de dikkere takken.
De cocons kwamen na ongeveer 14 dagen uit (de juiste data heb ik helaas niet genoteerd), en had ik toen de gele- genheid, om na te gaan, of O. antigua zich parthenogenetisch voortplant. De eerste wijfjes, die eerder voor den dag kwamen dan de mannetjes, werden direct met cocon en al geïsoleerd; zij gelijken meer op eierzakjes dan op vlinders. Deze geïsoleerde wijfjes zetten na een dag tal van eieren af, meest op de ledige cocons. Uit deze eieren heeft zich geen een rupsje ontwikkeld en was er in eenige door mij onder- zochte eieren geen spoor van verdere ontwikkeling te zien. Parthenogenesis heb ik dus niet kunnen constateeren.
Een tiental wijfjes waren met een zestal mannetjes opge- sloten en nu heb ik waargenomen, dat de mannetjes alle
LXIV VERSLAG.
mogelijke moeite deden, om te ontvluchten. Zij hebben naar alle waarschijnlijkheid niet gecopuleerd, want ook uit de door deze wijfjes afgezette eieren heb ik geene rups kunnen kweeken. Toen rees bij mij de vraag op, of mannetjes en wijfjes van eenzelfde legsel, dus van eenzelfde vrouwelijk dier, wel met elkaar copuleeren. Is dit wel eens meer onderzocht, b.v. bij de zijderupsen ?
Het zou best te verklaren zijn, want de natuur waakt tegen bloedschande (vide de planten) en zouden dus broers niet door de verlokkende geuren der zusters aangetrokken worden. Van vreemde indringers heb ik zelf niets bemerkt, maar wel de heer RITSEMA, die eene kamer heeft naast de mijne en die verscheidene mannetjes tegen zijne ramen heeft zien vliegen.
Niemand meer het woord verlangende, sluit de President, na een woord van dank tot de verschillende sprekers ge- richt te hebben, de vergadering.
VERSLAG.
LXV
Voor de leden der Nederlandsche Entomologische Ver- eeniging zijn verkrijgbaar bij den Secretaris, D. van der Hoop, Mathenesserlaan 252, te Rotterdam, voor zoover de voorraad
strekt:
Tijdschrift voor Entomologie; met gekl. platen, persdeelr RIE DINI RS
Entomologische IE per 6 nummers. No. 1—6, 7—12, e. v. 3
Handelingen der Nes Bonola cche Vereeniging, bevattende de Verslagen der jaar- lijksche Vergaderingen van 1846—1858, met Repertorium RA ARI ANTA De
IRE DR len, De Vlinders van Nederland. Macrolepidoptera, met 4 platen
BeNavansder:Wulp; ea of the described Diptera from South-Asia . 3
EN erneer AN ulip ens Dre J.C. EL he Meijere, Nieuwe naamlijst van Nederlandsche Diptera . SOS PAR
Handleiding voor Gee en bewaren en verzenden van uitlandsche insecten
Repertorium betreffende deel I—VIII van Hef Tijdschrift voor Entomologie, bewerkt door Mr. E. A. de Roo van Westmaas
Repertorium betreffende deel IX— XVI van Ber Tijdschrift voor SE bewerkt door F. M. Vedi UE: 4 on ae XXIV van het Tijdschrift voor es bewerkt door F. M. van der Wulp AON a at Layton ates
jhe Dr. EdeEverts,.Kijst der in: Nederland en het aangrenzend gebied voorkomende Coleo- ptera.
1
) In den boekhandel / 10.— 2) » » » Die A ) > » » Da ) » » » » (0)
ee)
I.--°)
N = ©,
0.50
0.75
0.75
LIJST VAN DE LEDEN
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
OP 1 JULI 1914,
MET OPGAVE VAN HET JAAR HUNNER TOETREDING, ENZ.
(De leden, die het Tijdschrifft voor Entomologie Deel LVII
ontvangen, zijn met een * aangeduid).
BUITENGEWOON EERELID.
* Z.K.H. de Prins d. Nederlanden, Hertog v. Mecklenburg, 1903.
EERELEDEN.
“Frederic du Cane Godman, F.R.S., 45 Poutstreet, Cadogan square, Londen S.W. 1893.
“Edmund Reitter, te Paskau, Moravie. 1900.
“Erich Wasmann, S. J., /gnatzus College, te Valkenburg L. 1901.
*Dr. Chr. Aurivillius, Hoogleeraar in de Zoölogie aan de Universiteit te Stockholm. 1903.
“Dr. R. Gestro, te Genua 1909.
“Prof. Dr. L. von Heyden, te Dockenheim bij Frankfurt Gave 1909. |
*J. H. Fabre, te Sérienan bij Orange, Vaucluse, Frankrijk. 1910.
*Prof. Dr. K. M. Heller, Zranklinstr. 22, te Dresden, 1911.
“Prof. H. J. Kolbe, /nvalidenstrasse 43, te Berlijn. 1913.
* Lord Walther Rothschild, te Trzng Park, Herts, Engeland. 1913.
“Dr. D. Sharp, Lazwnside, Brockenhurst, Hants, Engeland. 1914.
LIJST DER LEDEN ENZ. LXVII BEGUNSTIGERS.
Het Koninklijk Zoölogisch Genootschap „Natura Artis Magistra” te Amsterdam. 1879.
De Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem. 1884.
Mevrouw J. M. C. Oudemans, geb. Schober, Huse ,,Schoven- horst’ bij Putten (Veluwe). 1892.
Mejuffrouw S.C. M. Schober, Maliebaan 29, te Utrecht. 1892.
Mevrouw A. Weber, geb. van Bosse, te Æerbeck. 1892.
Nevrouws VI. de» \ries, seb. des Vries, huize „de Zoorts’ Aerdenhout, Zandvoort. 1895.
Mevr. C. W. Reuvens, geb. van Bemmelen, te Oosterbeek. 1899.
Mevrouw J. P. Veth, geb. van Vlaanderen, Sweelinckplein 33, te 's-Gravenhage. 1899.
Mej. C. E. Sepp. Villa Eikenhorst, te Bussum. 1900.
Mr. N. M. Lebret, huize Dennenkamp, te Oosterbeek. 1907.
Mevrouw H. L. A. F. Everts, geb. Canselaar, 1° Zmma-
straat 28, te ’s Gravenhage. 1913.
Mevrouw J. M. van der Hoop, geb. de Monchy, Mathenesser-
laan 252, te Rotterdam. 1913.
Mevrouw H. J. Oudemans, geb. van de Velde, Boulevard 85, te Arnhem. 1913.
Mevrouw P. J. K. de Meijere, geb. van Dam, Oosterpark 68, te Amsterdam. 1913.
CORRESPONDEERENDE LEDEN.
A. Eauvel, Rue d'Auge 16, te Caen. 1874.
A. W. Putman Cramer, 142 West-street 87, te New-York. 1883.
PrsOdaschenber, te Halle 2.5.1853.
Dr. L. Zehntner, te San Bentos das Lages, Bahia, Brazile. 1897.
Dr. G. von Seidlitz, te Æbenhausen, Oberbayern. 1905.
Dr. P. Speiser, te Labes, Pommeren. 1906,
LXVII LIJST DER LEDEN ENZ.
BUITENLANDSCHE LEDEN.
Comte Henri de Bonvouloir, Rue Yvon Villarceau 6, te Parijs. (1867 —68). Coleoptera.
*René Oberthür, Faubourg de Paris 44, te Rennes (Tlie-et- Vilaine). Frankrijk. (1882—83) — Coleoptera, vooral Carabiden.
The Right Hon. Lord. Th. Walsingham, MA, ie) Ras Eaton House 66a, Eaton-square, London S.W. (1892 —93). — Lepidoptera.
“Julius Weiss, te Derdesheim (Rheinpfalz). (1896 —97)-
* Dr. H. Schouteden, /rankenstraat 11, te Brussel. (1906—07).
Corn. J. Swierstra, 18° Assistent aan het Transvaal-Museum te Pretoria (1908 —1909).
*James E. Collin, Sussex lodge, Newmarket, England (1913— 1914).
GEWONE LEDEN.
Vinc. Mar. Aghina, Sacr. Ord. Praed., te Huzssen (Geld). — Algemeene Entomologie. (1875 —76).
Dr. H. J. van Ankum, Oud-hoogleeraar, te Zezst. — Alge- meene Zoölogie. (1871—72).
G. Annes, Hoogeweg 11, te Watergraafsmeer. (1893—94).
*C. P. G. C. Balfour van Burleigh, Zendrik de Keyserstraat 13, te Utrecht. — Lepidoptera. (1907 — 1908).
Dr. L. F. de Beaufort, Zuize „de Veldkant’ te Eerbeek, (I91I— 1912).
Dr. J. F. van Bemmelen, Hoogleeraar aan 's Rijks Univer- siteit te Groningen. (1894—95).
*P. J. van den Bergh Lzn., Spoorlaan, te Tilburg. (1901 — 1902).
Dr. J. Bosscha Jz, te Bandoeng, Fava. — Coleoptera. (1882—83).
“Mr. A. Brants, Verl. Rijnkade 119, te Arnhem. — Lepido- ptera. (1865 -- 66). |
“A. J. Buis, Baronielaan 26, te Breda. — Lepidoptera. (1907 — 1908).
Dr. L. P. de Bussy, Deli Proefstation, te Medan, Sumatra. (1908— 1909).
LIJST DER LEDEN ENZ. LXIX
“Dr. J. Büttikofer, Directeur van de Diergaarde, te Rotterdam. (1883—84).
Mr. R. Th. Bijleveld, Sophialaan 11, te ‘s-Gravenhage. — Algemeene Entomologie. (1863—64).
“M. Caland, Hoofdingenieur van den Waterstaat, te *s Her- togenbosch. — Lepidoptera. (1892—93).
“A. Cankrien, Huize „Colenso”, te Soestdijk. — Lepidoptera. (1868—69).
“J.B. Corporaal, Administrateur der Onderneming Tjibintaro, halte Z720eder, Preanger Regentschappen, Fava. (1899— 1900). |
“Jos. Cremers. te Raath—Bingelrade, bij Sittard. — Coleo- ptera en Lepidoptera. (1906— 1907).
Dr. K. W. Dammerman, Dep. van Landbouw, te Buitenzorg, Fava. (1904— 1905).
Het Deli Proefstation, te Medan, Sumatra. (1908—1909). “E. D. van Dissel, Inspecteur der Staatsbosschen en -ont- ginningen, Nassaustraat 13, te Utrecht. (1906— 1907). C.J. Dixon, Boult. Emile Bockstael 245, te Laeken bij Brussel.
(1890— 1891).
*F. C. Drescher, te 7Zyzlatjap, Fava. — Coleoptera. (I9II— 12).
E. J. F. van Dunné, Jur. cand., Koningslaan 51, te Utrecht. — Lepidoptera. (1911—12).
*R. van Eecke, Assistent conservator bij ’s Rijks Museum van Natuurlijke Historie te Leiden. (I9II—12).
“Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts, Oud-leeraar aan de Hoogere Burgerschool, 7° Emmastraat 28, te ’s-Gravenhage. — Europeesche Coleoptera. (1870—71).
“Mr. A. J. F. Fokker, te Zierikzee. — Rhynchota (1876—77).
H. C. Funke, Biol. stud, Stargardlaan 9, te Bussum. — Algemeene Entomologie. (1913—1914).
L. van Giersbergen, Leeraar van de Ver. t. b. v. bijenteelt in Nederland, te Wageningen. (1907 —1908).
*P. van der Goot, Proefstation Midden-Java, te Salatiga, Fava. — Aphididae en Coccidae. (IQIO—11).
*Dr. Henri W. de Graaf, Vreewijkkade 4, te Leiden. — Anatomie en Physiologie der Insecten. (1878—79).
JCW Hayelaar, Zijlsingel 2, te Haarlem. — Lepidoptera. (1887—88).
LXX LIJST DER-LEDEN ENZ.
P. Haverhorst, Wilhelminapark 130, te Breda. — Lepidoptera. (1901—1902)
Jhr. W. C. van Heurn, Biol. stud., Dousastraat 4, te Leiden. (1911—12).
“F. J.:M. Heylaerts, Maasdijk: B 377, te Breda. — WLepi- doptera enz. (1866—67).
“Dr. J. van der Hoeven, te Zefde bij Zutphen. — Caleoptera. (1886—87).
J. van den Honert, Koninginneweg 26, te Amsterdam. — Lepidoptera. (1874—75).
“D. van der Hoop, Mathenesserlaan 252, te Rotterdam. — Coleoptera. (1882—83).
Dr. A. A. W. Hubrecht, Hoogleeraar aan ’s Rijks Universiteit te Utrecht. (1904—1905).
*E. R. Jacobson, Azouwstraat 200, te ’s Gravenhage. (1906— 1907).
N. À. de Joncheere, te Dordrecht. — Lepidoptera. (1886--87).
*W. de Joncheere, Stationsweg 2, te Dordrecht. — Lepido- ptera. — (1913—1914).
D. J. R. Jordens, Sassenpoorterwal F 3471, te Zwolle. — Lepidoptera. (1863—64).
Dr. P. M. Keer, leeraar aans het Gymnasium “en Er Base te Zutphen. (1909—1910).
“K. J. W. Kempers, Inspecteur Registratie. Vrieseplein 7, te Dordrecht. — Coleoptera. (1892—93).
Dr. C. Kerbert, Directeur van het Koninkl. Zoölogisch Genoot- schap „Natura Artis Magistra”, Plantage Middenlaan 39, te Amsterdam. (1877 —78).
“A. E. Kerkhoven, Loolaan AA 9, te Apeldoorn. — Coleoptera. (1912— 1913).
P. E. Keuchenius, Phytopatholoog aan het Besoekisch Proef- station te Djember, Fava. (1910—11).
*W. J. A. Klunder van Gijen, Celebesstraat 7, te ’s-Graven- hage. — Microlepidoptera en Odonata. (1910—11).
“B. H. Klijnstra, Dentinckstraat 164, te ’s-Gravenhage. — Coleoptera, voorn. Caraboidea. (1902— 1903).
“Dr. J. C. Koningsberger, Directeur van ’s-Lands Planten- tuin te Buitenzorg, Fava. (1895 — 96).
H. J. H. Latiers, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool
LIJST DER LEDEN ENZ. LXXI
te Rolduc, Kerkrade. — Coleoptera en Lepidoptera. (1893 — 94).
S. Leefmans, Entomoloog aan ’s-Lands Plantentuin te Buz- tenzorg, Fava. — Algemeene Entomologie. (1911—12). Dr. Th. W. van Lidth de Jeude, Conservator ‘bij ’s Rijks Museum van Natuurlijke historie, Doommarkt te Leiden. —
Anatomie der Insecten. (1883—84).
*J. Lindemans, Lange Warande 55a, te Rotterdam — Lepidoptera. (1901—02).
Prijs Loman, Leeraar aam het Gymnasium, Zoetof Hartstraat 121, te Amsterdam. — Opilionidae. (1886—87).
Dr. H.J. Lycklama a Nyeholt, Oranje-singel 62, te Nijmegen. — Lepidoptera. (1896—97).
“Dr. T. Lycklama a Nyeholt, Lelzendaal, St. Anna, Nymegen. — Lepidoptera. (1888—89).
* Dr. D. Mac Gillavry, P. C. Hooftstraat 171, te Amsterdam. — Coleoptera en Rhynchota. (1898 — 99).
“Dr. J. G. de Man, te Yerseke. — Crustacea, (1868—69).
J. Metzelaar, Biol. stud, Valkeniersstraat 6, te Amsterdam. — Algemeene entomologie. (1913—14).
Dr. J. C. H. de Meijere, Buitengewoon Hoogleeraar aan de Universiteit en Conservator der entomologische en ethnogra- phische Musea van het Kon. Zoöl. Genootschap „Natura Artis Magistra”, Oosterpark 68, te Amsterdam. — Diptera. (1888--89).
Dr. G. A. F. Molengraaff, Hoogleeraar aan de Technische Hoogeschool te Delft, Voorstraat 60, te Delft. (1877—78).
A. Mos, Utrechtsche straat, te Arnhem. (1900—1901).
*De Nederlandsche Heide-Maatschappij, te Arnhem. (1903 1904).
*J.R.H. Neervoort van de Poll, Huize Beukenstein, te Rysen- burg (prov. Utrecht). — Coleoptera. (1883—84).
*E. J. Nieuwenhuis, Harddraverstraat 42, te Rotterdam. — Coleoptera. (I9I3— 14).
Dr. H. F. Nierstrasz, Hoogleeraar aan ’s Rijks Universiteit te Utrecht. — Coleoptera. (1909— 10).
Mr. C. van Nievelt, Burgemeester Weertsstraat 96, te Arnhem.
— Coleoptera. (1908— 1909). “Dr. A.C. Oudemans, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool,
LXXII LIJST DER LEDEN ENZ,
Boulevard 85, te Arnhem. — Acari, Chernetidae, Pulicidae. (1878—79).
*Dr. J. Th. Oudemans, Huzze ,,Schovenhorst’ bij Putten (Veluwe). — Macrolepidoptera, Hymenoptera, Thysanura en Collembola (1880—81).
J. Pantel, Maison d’Etudes te Gemert. — Anat. et Biol. Ins. Cytol. (1911—12).
A. A. van Pelt Lechner, Bibliotheearis der Rıks7Floosere Land-, Tuin- en Boschbouwschool, Sonsbeekweg 40, te Arnhem. — Algemeene Entomologie. (1892—93).
*Mr. M. C. Piepers, Oud-Vicepresident van het Hoog Gerechts- hof van Ned. Indië, Xynstraat 3, te 's-Gravenhage. — Lepidoptera. (1870—71).
M. Pinkhof, Biol. stud., Zransche laan 11°, te Amsterdam. — Algemeene Entomologie. (1913—14).
R. A. Polak, Noorastraat 5, te Amsterdam. (1898 —99).
Dr. J. Prince, St. Annastraat 44, te Nijmegen. — Lepidoptera. (1904-1905).
“Dr. P. H. J. J. Ras, Velperweg 56a, te Arnhem. (1876—77).
*Dr. €. L. Reuvens, te Oosterbeek. (1889—00).
C. Ritsema Cz., Conservator bij ’s Rijks Museum van Natuur- lijke historie, Rapenburg 94, te Leiden. — Algemeene Entomologie. (1867 —68).
Dr. J. Ritzema Bos, hoogleeraar, directeur van het instituut voor Phytopathologie, te Wageningen, — Oeconomische Entomologie. (1871—72).
*Dr. W. Roepke, Directeur van het Proefstation Midden- Java, te Salatiga, Fava. (1912—13).
*G. van Roon, Bergweg 167, te Rotterdam. — Coleoptera. (1895—96).
Dr. R. H. Saltet, Hoogleeraar aan de Universiteit, Sarphati- kade 14, te Amsterdam (1882—83).
M. M. Schepman, Bosch en Duin bij Huis ter Heide, prov. Utrecht. — Neuroptera. (1871—72).
H. Schmitz, S.J. Alozszus-College, te Sittard. — Biologie der mieren en mierengasten; Diptera. (1907 — 1908).
Dr. J. A. Schutter, te Groningen. — Lepidoptera. (1900—1901).
“P.J. M. Schuit, Burgemeester van Wamel. — Lepidoptera. (1590—91).
LIJST DER LEDEN ENZ. LXXTIT
Dr. C. Ph. Sluiter, Hoogleeraar aan de Universiteit, Nicolaes Maesstraat 125, te Amsterdam. (1899— 1900). *C. A. L. Smits van Burgst, Juliana van Stolberglaan 108,
te s-Gravenhage. — Hymenoptera, vooral Ichneumonidae. (1906— 1907).
*C. Solle, Voorschoterlaan 21, te Rotterdam. — Lepidoptera. (1909— 10).
Dr. A. L. J. Sunier, Kebon Sirik 25, te Weltevreden, Fava. (1904— 1905).
P. Teunissen, Redacteur voor Land- en Tuinbouw van „Het Nieuws van den Dag”, Linnaeusstraat 47a, te Amsterdam. — Oeconomische entomologie. (1912—13).
* Mr. D. L. Uyttenboogaart, s-Gravendijkwal 52, te Rotterdam. — Coleoptera. (1894—95).
*F. T. Valck Lucassen, Huize Sonnevanck, te Brummen. — Coleoptera. (IQIO—11).
A. C. Valstar, Villa Annie, Steinenburgh, te de Bilt. — Lepidoptera. (IQII—12).
*Dr. H. J. Veth, Sweelinckplein 83, te ’s-Gravenhage. — Algemeene Entomologie, vooral Coleoptera. (1864—65).
Johan P. Vink, te Wamegen. — Lepidoptera. (1883—84).
Dr. G. C. J. Vosmaer, Hoogleeraar aan ’s Rijks Universiteit te Leiden. (1903— 1904).
FIA ide Vos, tot. Nederveen “Cappel, tes Apeldoorn. — Lepidoptera. (1888—89).
J. J. de Vos tot Nederveen Cappel, te Medan, Sumatra. (1902— 1903).
*Mr. L. H. D. de Vos tot Nederveen Cappel, te Velp. — Coleoptera. (1899---1900).
*W. Warnsinck, Rijnkade 92, te Arnhem. (1898—99).
Dr. Max C. W. Weber, Buitengewoon Hoogleeraar aan de Universiteit van Amsterdam, te Zerbeek. (1886—87).
*C. J. M. Willemse, Arts, te Pannerden. (1912—13).
*A. J. Zöllner, Zischstraat 51a, te Rotterdam. — Coleoptera. (1904—1905).
LXXIV LIJST DER LEDEN ENZ.
BESTUUR.
President Dr. J. Th. Oudemans: Vice-President; hr. Dr. Ede]. (Go Everts. Secretaris: D. van der Hoop. | Bibliothecaris: Dr. C. L. Reuvens. Penningmeester: Dr. H. J. Veth.
Dr). Co. de Metere
COMMISSIE VAN REDACTIE VOOR HET TIJDSCHRIFT EN DE ENTOMOLOGISCHE BERICHTEN. Dr. J. Th. Oudemans. Dr. | 2C2T1202Megere. Pr CrOudemans:
Die Bienenfauna von Java
von
Dr. H. FRIESE (Schwerin i/M.).
(Mit 2 Taf. und 2 Textfiguren).
Vor 8 Jahren konnte ich über Javas Bienen noch folgendes schreiben !): „Trotz einer verhältnissmässig hohen Kultur und der guten Verkehrsverhältnisse, wissen wir zur Zeit noch schr wenig über die Bienen Javas und ihren’ Blumenbesuch auf der Insel. Es dürfte daher nicht uninteressant sein, etwas über diese Insektengruppe nach den Reiseergebnissen eines unserer ersten Specialisten auf diesem Gebiete zu erfahren’”.
Nun erhielte ich schneller als man annehmen konnte neues Material durch Herrn Dr. W. ROEPKE von Bandung wie in den letzten Jahren von Salatiga und eine besonders reiche Sammlung durch Herrn EDWARD JACOBSON in Sama- rang. Letztere Sammlung war ausserordentlich eingehend und mannigfaltig, so dass ich nunmehr 72 Bienenarten der Insel Java zu verzeichnen habe, gegen 42 Arten nach den Sammelergebnissen von Herrn Prof. O. SCHMIEDEKNECHT im Jahre 1903.
Während SCHMIEDEKNECHT besonders auf das Notiren des Blumenbesuches und tadellose Praeparation Gewicht legte, erganzt JACOBSON in glücklicher Art die Biologie und die Erscheinungszeiten.
Irgendwie reichhaltiges Material an Bienen-Arten wie an Individuen darf überhaupt nicht- aus den Tropen der alten
1) In: Eine Bienenausbeute von Java vergl.: Ill. Zeitschr. f. Ento- mologie 1904, vol. 9, p. 138.
bo
DR... H. FRIESE, DIE BIENENFAUNA VON JAVA.
Welt erwartet werden, wie ich schon wiederholt in den betr. Monographien erwahnt und gezeigt habe. Die Tropen- gebiete der alten Welt stellen immer Minima des Bienen- lebens dar, wohl eine Folge der üppigen Vegetation, die alle Nistgelegenheiten in der Erde verhindert, dazu kommt meist noch der Urwald, der einen tippigen Blumenflor wie in der Steppe nicht aufkommen lässt. Wir dürfen also die Maxima des Bienenlebens, wie das Wallis und Südtirol oder gar wie Ungarn, Südfrankreich und Algerien sie uns bieten, in den Tropen nicht erwarten.
Bei allgemeiner Betrachtung der folgenden Zusammen- stellung, fallt vor allem das geringe Hervortreten der tief stehenden Bienengattungen (Urbienen), der Sphecodznae, Prosopidinae. Colletinae und Andreninae auf, die im benach- barten Australien die grösste Mannigfaltigkeit aufweisen. Ferne fehlen die Gattungen Colletes, Andrena, Eucera-Tetra- lonia und Osmia ganz, die die Tropen der alten Welt über- haupt meiden, während sie in der nördlich gemässigten Zone umfangreiche Genera mit 100 und mehr Arten praesentiren.
In Indien lebt nach BINGHAM noch 1 Art Colletes in Sikkim, — Andrena zeigt nach demselben Autor noch 13 Arten, allerdings meist von Mussourel (Nord-Indien), Zezra- fonta noch 2 Arten und Omsza nur 1 Art im Himalaya (N. W. Grenze-Turkestan).
Von Nomada-Arten wurden 3 Species von Java nachge- wiesen, die sonst überall vor dem Tropengürtel haltmachen. Anthidium findet sich in einer winzig kleinen Art von 4 mm. L. vor als Ueberbleibsel der sonst auch in Afrika und Siid- Amerika zahlreich vertretenen Gattung.
Die einzige Pombus-Art (rufipes) findet sich in 3 Formen im höchsten Gebirgsland (z.B. am Vulkan Papandajan). Für Bombus glaubte ich auch die beiden nahen verwandten Arten B:eximius und B. senex (von Indien — Malakka und Sumatra) erwähnen zu müssen, um ihre Verwandschaftsstellung zu einander klarstellen zu können, was mir z. Zt. leicht fällt, infolge eingehenderer Arbeiten über diese, was Farben: variation betrifft, äusserst interessanten Bienengattung. !)
1) Vergl. — FRIESE u. v. WAGNER, Zoolog. Jahrb. Syst., 1. Teil: Die
DR. H. FRIESE, DIE BIENENFAUNA VON JAVA. 3
Am reichsten vertreten sind dagegen die tropischen Genera wie Nomza, Halictus, Xylocopa, Ceratina und Megachile, die in durchweg typischen Arten -die gesamte Inselwelt be- völkern und auf den einzelnen Inseln des Sunda-Archipel besondere Formen der Grundspecies ausgebildet haben.
Die neuen biologischen Funde wolle man bei den einzelnen Arten nachlesen.
Uber die geographischen Namen und die Lage dieser Orte vergleiche man die folgenden Angaben (JACOBSON).
GEOGRAPHISCHE NOTIZEN.
Nusa Kambangan, Insel an der Südküste von Cen- tral Java. Gesammelt wurde vom Strande bis zu einer Höhe von circa 100 M.
Samarang, ‘Stadt an der Nordküste von Central-Java.
Gunung Ungaran, Berg (= Gunung) in Central-Java, gesammelt wurde von 8001200 M.
Neonekodjadıar,.Ort-ım TenggerGEbirgesins Ost Java, Höhe 1300 M.
Babakan, Ort an der Südküste von Central-Java.
Batavia, Stadt an der Nordküste von West-Java.
Depok, Ort in West-Java.
Gunung Gedeh, Berg in West-Java, gesammelt wurde bis zu 1300 M.
Wonosobo, Ort in Central-Java, 800 M.
Srondol, Ort etwas südlich von Samarang, 120 M.
Melambong, Plantage am Fuss des Gunung Merbabu in Central-Java.
Kaliwungu, Ort an der Nordküste von Central Java.
Medana, Ort in Central-Java.
Tuntang, Ort in Central-Java.
Telaga Mendjer, Gebirgssee am Fusse des Gunung Prahu, Central-Java.
Buitenzorg, Ort in West-Java.
Hummeln der deutschen Fauna, vol. 29, p. 1--104. 1909. 2. Teil. Die Hummeln der Arktis, des Hochgebirges uud der Steppe. vol. Suppl. 15, p. 155— 210, 1912.
4 DR. H. FRIESE, DIE BIENENFAUNA VON JAVA.
Enkh wizen-odersPwlw Ne muk ee Genee kleinen Koralleninseln in der Bucht von Batavia.
Gunung Salak, Berg in West-Java, gesammelt wurde bis 1000 M.
Tandjong Priok, Ort an der Nordkiiste von West- Java (Hafen von Batavia).
Karimon Djawa Inseln, Inselgruppe nördlich von Central-Java.
Parakan, Ort am Fusse des Gunung Merbabu, in Cen- tral-Java.
Guwa Gremeng, Hohle im Kalkgbirge des Gunung Sewu, Südküste Central-Java.
Gunung Pantjar, Berg in West-Java bei Buitenzorg, gesammelt bis 500 M.
Baron, Ort an der Südküste des Gunung Sewu in Cen- tral Java.
Fam. APIDAE. I. Subfam. SPHECODINAE.
I. Sphecodes fumipennis SM. 1 ® von Buitenzorg, SCHMIE- DEKNECHT leg.
2. Sphecodes brunneipes n. sp. 1 9 von Buitenzorg, SCHMIE- DEKNECHT leg. (Vergl. auch im Anhang p. 14).
3. Sphecodes javanicus n. sp. 3 g von Buitenzorg, SCHMIE- DEKNECHT leg. (Vergl. auch im Anhang p. 14).
II. Subfam. PROSOPIDINAE.
4. Prosopis impunctata n. sp. g' ? Buitenzorg, auf einer gel- ben Umbellifere, ahnlich Anethum, SCHMIEDEKNECHT leg. (Vergl. auch im Anhang p. 15). |
5. Prosopis javanica n. sp. G Buitenzorg auf einer gelben, Umbellifere, ähnlich Anethum, SCHMIEDEKNECHT leg. (Vergl. auch im Anhang p. 16).
6. Prosopis jacobsoni n. sp. 1 & von Samarang im Januar, JACOBSON leg. (Vergl. auch im Anhang p. 16).
Genus Colletes fehlt bisher auf Java, auch von Indien erwähnt BINGHAM nur 1 Art.
DR. H. FRIESE, DIE BIENENFAUNA VON JAVA. 5 III. Subfam. ANDRENINAE.
7. Halictus nigroviridis ') n. sp. 2 2 von Nusa Kambangan im März, JACOBSON leg. (Vergl. auch im Anhang p. 18).
8. Halictus caeruleipes n. sp. 1 von Batavia im September,
JACOBSON leg. (Vergl. auch im Anhang p. 18).
9.. Halictus testaceipes n. sp. 2 2 von Batavia und Nong- kodjadjar im Januar, 3 d von Samarang im November, JACOBSON leg. (Vergl. auch im Anhang p. 19).
10. Halictus angusticeps n. sp. 4 von Gunung Ungaran im December, JACOBSON leg. (Vergl. auch im Anhang p. 19).
11. Halictus scopaceus n. sp. 3 2 von Nonkodjadjar im Januar, JACOBSON leg. (Vergl. auch im Anhang p. 20).
12. Halictus jacobsoni n. sp. 1 £ von Gunung Gedeh im März, JACOBSON leg. (Vergl auch im Anhang p. 20).
13. Halictus roepkei n. sp. 1 $ von Salatiga, ROEPKE leg. (Vergl. auch im Anhang p. 21).
14. Halictus lativentris n. sp. 2 von Enkhuizen im Septem- ber, d von Baron im März, JACOBSON leg. (Vergl. auch im Anhang p. 22).
15. Halictus thoracicus n. sp. 1 2 von Buitenzorg, SCHMIE- DEKNECHT leg. Var. scopipes n. var. ® von Gunung Gedeh im März, JACOBSON leg. (Vergl. auch im Anhang p. 22).
16. Halictus javanicus n. sp. 3% häufig auf Java, so bei Buitenzorg, Salatiga, von Wonosobo, Gunung Nongkodjadjar. (Vergl. auch im Anhang p. 23).
17. Halictus schmiedeknechti n. sp. 2 mehrfach von Salatiga, Buitenzorg, Samarang, Gunung Gedeh im März, und and. (Vergl. auch im Anhang p. 24).
18. Halictus gedehensis n. sp. gg von Nongkodjadjar im Januar, und Gunung Gedeh im März, JACOBSON leg. (Vergl. ‘ auch im Anhang p. 24).
19. Halictus babakanensis n sp. 1 9 von Babakan im März. (Vergl. auch im Anhang p. 25).
20. Nomioides (Halictus) obscurus n. sp. 2 £ von Buitenzorg, SCHMIEDEKNECHT leg. (Vergl. auch im Anhang p. 26).
21. Rostratilapis (Halictus) macrognathus n. sp. 1 d von Nusa
1) Auf pag. 17 befindet sich eine Bestimmungstabelle der Halictus- Arten von Java,
6 DR. H. FRIESE, DIE BIENENFAUNA VON JAVA.
Kambangan im März, JACOBSON leg. (Vergl. auch im Anhang p.. 20)s
22. Nomia maculipennis n. sp. 1 gd von Babakan (Banjumas), im März 1911, JACOBSON leg. (Vergl. auch im Anhang, p. 25).
23. Nomia elongata n. sp. d-% zahlreich von Samarang und Batavia, JACOBSON leg. (Vergl. auch im Anhang p. 29).
24. Nomia jacobsoni n. sp. ® von Samarang und Batavia im August und November, JACOBSON leg. (Vergl. auch im Anhang p 30).
25. Nomia samarangensis n. sp. 1 4 von Samarang, JACOB- SON leg. (Vergl. auch im Anhang p. 31).
26. Nomia albofasciata SM. JR mehrfach von Salatiga, ROEPKE leg. (Vergl. auch im Anhang p. 31). |
27. Nomia strigata F. Im Sunda-Archipel weit verbreitete Art, ¢ 2 von Samarang im Juli und December von Wonosobo und von Nusa Kambangan im März. Bei Buitenzorg mit H. elliot? auf Eriostoma.
28. Nomia ellioti SM. Häufigste Nomia-Art in Sunda- Archipel, auch auf Neu-Guinea noch häufig. gd 2 von Sama- rang im Marz und Juni; JACOBSON leg. Bei Buitenzorg haiifig auf Gardenia sp.? und Erzostoma albicaula, SCHMIEDEKNECHT leg., bei Salatiga und Bandung häufig durch ROEPKE ge- sammelt.
29. Nomia thoracica SM. 2 von Samarang im Juli, bei Bui- tenzorg auf Gardenia sp.? und Zriostoma albicaula fliegend, SCHMIEDEKNECHT leg.
IV. Subfam. XYLOCOPINAE.
30. Ceratina viridis GUER. dg von Batavia im November, von Melambong im Juli, JACOBSON leg., bei Buitenzorg auf Faradaya, Cassia und Gardenia, SCHMIEDEKNECHT leg.
31. Ceratina sexmaculata SM. +9 mehrfach von Samarang, Batavia, und Kaliwungu im August, JACOBSON leg., bei Bui- tenzorg auf Faradaya, Cassia und Gardenia, SCHMIEDEKNECHT leg., bei Salatiga häufig, ROEPKE leg.
32. Ceratina hierogiyphica SM. 2 haufigste Bienenart im Sunda-Archipel, bei Samarang, Batavia im November, bei Buitenzorg auf Faradaya, Gardenia und vielen anderen Blu-
men, SCHMIEDEKNECHT leg.
DR. H. FRIESE, DIE BIENENFAUNA VON JAVA, 7
33. Ceratina dentipes n. sp. 3d von Buitenzorg auf Fara- daya papuana und Cassia alata, SCHMIEDEKNECHT leg. (Vergl. auch im Anhang p. 32).
34. Allodape cupulifera VACH. & bei Buitenzorg auf Macro- samia mackenst, SCHMIEDEKNECHT leg.; 9? bei Batavia im November, zahlreich, JACOBSON leg.
35. Xylocopa aestuans L. 9 bei Batavia, Samarang. Srondol im August und Melambong im Juli, JACOBSON leg. Haufigste und auffallendste Art im Sunda-Archipel.
36. Xylocopa javana n. sp. 19 von Buitenzorg auf /pomoca Sp.? SCHMIEDEKNECHT leg. (Vergl. auch im Anhang p. 32).
37. Xylocopa collaris LEP. 29 von Nusa Kambangan im März, JACOBSON leg., bei Buitenzorg SP auf Stackytarpeta indica einzeln, SCHMIEDEKNECHT leg.
38. Xylocopa perversa WIEDM. 0°? von Buitenzorg auf Sta- chytarpeta indica, einzeln, SCHMIEDEKNECHT leg, I 2 von Sawang, Ost-Java.
39. Xylocopa caerulea F. 3219 von Gunung Gedeh im Marz, von Wonosobo im April, Nusa Kambangan im März; bei -Buitenzorg auf 7hunbergia grandiflora, an 20 2 SCHMIE- DERNECHT les. ; weit verbreitete Art (Versl. Taf..2— Nest und im Anhang p. 33).
40. Xylocopa latipes DRURY. ¢2 von Wonosobo, im Mai, Nongkodjadjar im Januar, JACOBSON leg,; bei Buitenzorg auf Barlerta ciliata und Cerbera sp.? SCHMIEDEKNECHT leg. Ueberall häufige Art.
41. Xylocopa tenuiscapa WESTW. #9 von Samarang im August, Batavia im Oktober, JACOBSON leg.; bei Buitenzorg auf Darleria ciliata, Cerbera sp.? Tecoma sp.? SCHMIEDE- KNECHT leg., Salatiga.
42. Xylocopa dissimilis LEP. 3 bei Buitenzorg auf Clero- dendron minahassae, SCHMIEDEKNECHT leg., weit verbreitete, häufige Art.
43. Xylocopa pictifrons SM. &® bei Buitenzorg auf Cleroden- dron minahassae, SCHMIEDEKNECHT leg.
V. Subfam. ANTHOPHORINAE.
44. Anthophora zonata L. £® Ueberall im Sunda-Archipel
8 DR. H. FRIESE, DIE BIENENFAUNA VON JAVA.
verbreitet, bis nach Neu-Guinea, Australien und nach den. Philippinen und Formosa.
Auf Java bei Nongkodjadjar, JACOBSON leg., bei Salatiga ROEPKE leg. und bei Buitenzorg, auf Umbelliferen fliegend,
SCHMIEDEKNECHT leg. | Pe en Var. pulchra SM. &? von Samarang, Batavia, JACOBSON - leg., bei Buitenzorg im November. je A Var. vigilans SM. 9 von Nongkodjadjar im Januar, JACOB: SON leg.
VI. Subfam. MELECTINAE,
45. Crocisa nitidula F. 2 von Nusa Kambangan im März; bei Buitenzorg 2 d und 3 2 über-den Boden fliegend, ohne Blumenbesuch, SCHMIEDEKNECHT leg.
46. Crocisa emarginata LEP. © bei Samarang im Juli und August; SCHMIEDEKNECHT fing 2 2 gemeinsam mit Cr. nztı- dula fliegend bei Buitenzorg. |
47. Crocisa pulchella GUER. d'$ bei Batavia im November, Tandjong-Priok im April; bei Buitenzorg einzeln über den Boden fliegend.
48. Crocisa abdominalis FRIESE. ® bei Nongkodjadjar im Januar; & bei Tonger in 1400 M. Höhe, ROEPKE leg.
49. Crocisa quartinae GRIB. 3 d im November bei Batavia; besonders häufig tritt diese Art im Osten des Sunda-Archipels auf, wo sie als Schmarotzer der Anthophora sonata überall vorkommt und ausser Neu-Guinea auch den Norden und Osten von Australien bewohnt.
VII. Subfam. NOMADINAE.
50. Nomada lusca Sm. &@ vergl. auch im Anhang p. 34 $2 von Samarang und Batavia, JACOBSON leg.
51. Nomada adusta Sm. 1 9 1 2 von Gunung Ungaran und Nongkodjadjar im September und Januar, JACOBSON leg.
52. Nomada javanica FRIESE 22 von Buitenzorg im bota- nischen Garten (vergl. auch im Anhang p. 34).
53. Nomada biroi var. nigrescens FRIESE I & von Buiten- zorg in botanischen Garten über den Boden fliegend (vergl. auch im Anhang p. 35).
DR. H. FRIESE, DIE BIENENFAUNA VON JAVA. 9 VIII. Subfam. MEGACHILINAE.
54. Eriades othonis n.sp. 2 mehrfach von Buitenzorg, im botanischen Garten auf Zabiaten fliegend, SCHMIEDE- KNECHT leg.; 2 von Batavia im November fliegend und von Tuntang im Oktober, JACOBSON leg. (vergl. auch im Anhang p. 35).
Das Genus Osmia fehlt ganz im Sunda-Archipel (und auch in Australien).
55. Megachile roepkei n. sp. T® von Salatiga, Batavia und Samarang im April und im Mai an Zabraten fliegend (vergl. auch im Anhang p. 36).
56. Megachile hera BINGH. #® von Salatiga, Samarang und Batavia an Ladzaten fliegend.
57. Megachile thoracica Sm. & 2 von Samarang und Batavia, JACOBSON leg. im November.
58. Megachile alboscopacea FRIESE 2 zahlreich bei Buiten- zorg im botanischen Garten in Januar 1902, SCHMIEDE- KNECHT leg. (vergl. auch im Anhang p. 37).
58. Megachile villosa Sm. ı ® von Samarang im Juli, JACOBSON leg.
60. Megachile opposita Sm. g® einzeln bei Nongkodjadjar im Januar, bei Tandjong Priok, zahlreich von Samarang im Juni, Juli und September, JACOBSON leg.; ebenso zahlreich 32 von Salatiga und Bandung, ROEPKE leg., dagegen brachte SCHMIEDEKNECHT nur einzelne @ von Buitenzorg, die auf Labiaten flogen.
Taf. 1, Fg. 7 und 10 enthält eine Abbildung von einer Zelle aus Lehm, die diese Megachile in dem Zimmer des Herrn JACOBSON in dem Rücken einer grossen Zeichenmappe ange- bracht hatte. Die Zelle hat eine etwas abgeflachte Form, was daher rührt, dass der Zwischenraum in der Mappe nicht genügend war, die Zelle völlig walzenrund zu machen. Als das Insect gefangen würde, war in der Zelle noch kein Futtervorrat oder Ei anwesend, und war die Zelle also auch noch ungedeckelt.
61. Megachile sicheli FRIESE, 2 ® von Babakan im Marz, JACOBSON leg. 1 2 von Java (im Juni), 2d, 4 von Buiten- Zorg, SCHMIEDEKNECHT leg (vergl. auch im Anhang p. 33).
IO DR. H. FRIESE, DIE BIENENFAUNA VON JAVA.
62. Megachile aberrans FRIESE, 1 & von Babakan in Marz, JACOBSON leg., 2 2 von Java im Januar und im Juni gefangen (vergl. auch im Anhang p. 40).
63. Megachile heteroptera Sich. 2 von Buitenzorg im bota- nischen Garten an Ladbzaten, SCHMIEDEKNECHT leg., 2 2 von Java (i. Mus. Berlin und i. Mus. Stockholm), (vergl. auch im Anhang p. 41).
64. Megachile fulvofasciata Rad. 9 einzeln im botanischen Garten von Buitenzorg auf Ladzaten, SCHMIEDEKNECHT leg.
65. Anthidium javanicum FRIESE, 2d aus dem botanischen Garten von Buitenzorg, wo sie auf Labiaten flogen, SCHMIEDE- KNECHT leg. (vergl. auch im Anhang p. 42).
Lithurgus dentipes SM. habe ich bisher nur von den Inseln Celebes, Buru, Neu-Guinea, im Osten von Java und den Nias-Inseln im Westen von Sumatra erhalten.
IX. Subfam. STELIDINAE.
66. Parevaspis abdominaiis SM. ® 2 von Samarang im August, von Medana im Mai, Gunung Ungaran im December, JACOB- SON leg.. ferner von Salatiga, ROEPKE leg. und von Buiten- zorg, SCHIEDEKNECHT leg.
X. Subfam. SOCIALE APIDEN.
67. Bombus rufipes LEP. die typische Form mit rostrot behaarten Beinen besitze ich nur von Sumatra und zwar 2*4 vom Berg Singalang (West-Sumatra) in 2000 mtr. Höhe; A. HANDLIRSCH erwähnt 8 ? (nicht 2 wie er schreibt, die doppelt -bis dreifach so gross als Bombus soroënsis sind) von Java, ferner führt er die
var. flavipes Handl. [wie B. rufipes, aber Segment 5—6 (dS 57 ot sbehaart oan eet under de vonwOstlane an. Ich erhielt von der Varietät var. obscuripes u. a. var. (wie B. rufipes. aber alle Beine wohl rotgefärbt, doch mit schwarzer Behaarung) — 1 2 2 d und zahlreiche ? von Buitenzorg durch SCHMIEDEKNECHT, der sie auf der Höhe des Vulkans Papandajan und dort nur an einer grossen Rubus-Art fing. 5 ? von Bandung und 4 ? van Salatiga, ROEPKE leg. und 6 ? von Gunung Gedeh, im März, JACOBSON leg.
DR. H. FRIESE, DIE BIENENFAUNA VON JAVA. TAI
Hier mag auch noch der Lomébus eximius Sm. und D. senex Vollenh. erwähnt werden, die beiden weiteren Formen, die mit B.rufipes Lep. so eng verwandt sind, dass sie wohl nur als Lokalvarietäten zu gelten haben. Sie bewohnen die Sunda-Inseln, resp. könnten hier und da hoch im Gebirge wohnen, jedenfalls sind sie bei Bombus rufipes zu erwähnen:
Bombus eximius Sm. ist ein D.rufipes mit ganz gelben statt blauschwarzen Flügeln, er findet sich in Nordindien: Sikkim, Tenasserim, Darjeeling, Kurseong (2 in Nord-Bengal) und I ? sogar von Batjan (FRUHSTORFER leg.). BINGHAM erwähnt: Sylhet, Sikkim, Taoo plateau, Moolagit, Tenasserim im Höhen von 1000—2400 mtr. Eine Varietàt =
I. var. tonkinensis n. var. ? füge ich an, die das Segment 5—6 rot behaart zeigt und so die korrespondierende Färbung zu B. rufipes var. flavipes Handl. für B. eximius Sm. darstellt, 2 ? von Tonkin (Montes Manson, in 700—1000 mtr. Hohe), ı ? von Sikkim (FRUHSTORFER leg.) ferner
2. var. senex Vollenh., mir liegt auch ein @ von dieser merkwürdig weiss behaarten Form von Sumatra (Bergregion) vor, das mit der hier folgenden Beschreibung von VOLLEN= HOVEN gut übereinstimmt.
Bombus senex VOLL.
As.: Sumatra.
1873. Bombus senex VOLLENHOVEN, Tijdschr. v. Entom. DEVIL GO. 220-9550. TO. hide AS SB.
1884. Bombus rufipes var, senex RITSEMA, Notes Leyden Mus. VI. p. 200.
1880. Bombus senex ANT. HANDLIRSCH, Ann. naturh. Hotmus. Wien. IE xp. :227.
„2. — Bombus niger, pilis niveis supra dense tectus, pedibus rufis, fusco-pilosis. — Long 24 mm.
Cette nouvelle espèce se distingue de toutes les autres qui. me sont connues par la blancheur de son poil et la limpidité de ses ailes. La couleur générale du corps est noire; tête est assez grosse par rapport à la taille de l’insecte, faiblement ponctuée, à chaperon très-lisse et bombe; le front et l’occiput sont couverts de poils bruns et blancs entremêlés, ceux de la face et des joues sont tous bruns; les yeux sont grands, en ovale allongé de couleur gris brune ;
12 DR. H. FRIESE, DIE BIENENFAUNA VON JAVA.
les ocelles sont petits et jaunâtres; les autres parties de la bouche d’un brun de poix. 3
Le thorax est couvert sur la partie dorsale et le long des flancs du mesothorax de longs poils d’un blanc argenté qui lui forment une belle fourrure de grande densité; les autres parties sont couvertes de quelques poils soyeux d’un noir brunätre, entre lesquels on distingue aisément que la poitrine est peu ponctuée. Les pattes sont d’un rouge jaunätre et couvertes d’assez longs poils noirs, excepté sur les tarses et sur les deux faces plates des jambes postérieures, ainsi que sur la corbeille tout en dessus qu’en dessous. Les ailes sont transparentes d’un blanc-jaunätre à nervures d’un rouge brunâtre, la costale plus foncée, leur épaulettes sont de même d'un blanc-plus au moins jaune. Le dos de l’abdo- men est couvert de poils argentés semblables à ceux du thorax; le ventre, dont la couleur est un noir brun et qui’est densément ponctué n’est fourni que de peu de poils d'un noir grisâtre, plus soyeux que ceux du dos; l’aiguillon d'un brun de poix est recourbé en haut.
Sumatra. (LUDEKING, Mus. d’hist. nat. Amsterdam).”
Zu diesen Bombus-Formen des Sunda-Archipel muss noch erwähnt werden, dass sie die einzigen Arten der Gattung Bombus sind, die mit Hülfe der Längsgebirge den Aequator in der alten Welt überschreiten. Zu dem fallen sie durch ihre kolossale Grösse auf; die Weibchen dieser 6 Formen sind die grössten Hummeln der Erde, sie erreichen den Bombus discolor FRIESE des chinesischen Hochlandes an Grösse und übertreffen den Bombus dahlbomi GUER. aus Chile.
68. Trigona iridipennis SM.!) — einige 30 Arbeiter (?) von Batavia, Samarang, Nongkodjadjar, Nusa Kambangan im
1) Die beiden biologischen Arbeiten von W. A. SCHULZ in Ville- franche (S.-Frankreich) in der Zeitschrift für wissenschaftliche Insekten- biologie:
„Die indo-australische 77igona laeviceps SM. und ihr Nest” in v. 3 1907. p. 65—73, und
„Ein javanisches Nest von 7rzgona canifrons SM. in einen Bombus- stabe” in v. 5. 1909. p. 338—341 beziehen sich auf 77zgona iridipennis SM. und sind in diesem Sinne abzuändern, laut freundlicher Angabe von Herrn EDWARD JACOBSON.
DR. H, FRIESE, DIE BIENENFAUNA VON JAVA. [3
Januar, März und September, JACOBSON leg, von Bandung und Salatiga, ROEPKE leg, und von Buitenzorg, SCHMIEDE-
KNECHT leg. — nur in den Blüten der Canna flavescens.
69. ‘Trigona javanica GRIB. — an 12? von Nusa Kam- bangan im März, JACOBSON leg.
70. Trigona vidua SM. — ? mehrfach von Gunung Ungaran im Oktober, JACOBSON leg.
71. Apis indica F. — 1 d und an 25 ? der hellgefärbten
Form bei Samarang, Gunung Ungaran im Oktober bei Gunung Gedeh und Nusa Kambangan im März, bei Nong- kodjadjar im Januar, bei Batavia im Juni, JACOBSON leg. — bei Buitenzorg mehrfach von SCHMIEDEKNECHT gesammelt, ebenso bei Salatiga von ROEPKE.
72. Apis dorsata F., ? mehrfach in der Stammform bei Samarang im Juni, bei Nusa Kambangan im März.
Anhang zur: „Bienenfauna von Java” von
Dr. H. FRIESE, Schwerin i/M.
I. Subfam. PROAPIDAE : URBIENEN.
Ad. No. 2. — Sphecodes brunneipes n. sp. °.
Dem SpA. rubripes SPIN. — Bingham von India nahe- stehend, aber Beine braun, Mesonotum grob punktirt.
2. Schwarz, stellenweise weiss behaart, Kopf dicht runzlig punktirt, matt, Gesicht weissfilzig, Mandibel rot, mit schwarzer Spitze; Antenne braun, unten heller, Geisselglied 1=2=3=4. Thorax grob gerunzelt, Mesonotum und Scutellum einzeln und grob punktirt, glänzend, Mittelsegment grob netzartig gerunzelt, mit erhabenen Rippen, glänzend. Abdomen rot- braun, Segment 4—6 schwarz, 6. schwarzbraun behaart; Ventralsegmente punktirt, 1—3 und Basis von 4 rotgelb, 5—6 braun. Beine braun, weisslich behaart, auch Scopa weiss, Calcar bleich. Flügel stark getrübt, Adern und Tegulae braun.
1. 6 wim Breen emme:
1 @ von Buitenzorg, SCHMIEDEKNECHT leg.
Ad. No. 3. — Sphecodes javanicus n. sp. ©.
Kleine Art, durch die schwarze Färbung auffallend, am Abdomen sind nur die Ränder von Segment ı u. 2 schmal rot gefärbt.
3. Schwarz, stellenweise kurz weiss behaart, Kopf und Thorax grob höckerig gerunzelt, matt, Gesicht weissfilzig, Clypeus stark gewölbt, feiner gerunzelt, Mandibel mit rot- braunen ° Ende, Antenne schwarz, kurz und dick, stark knotig, 2. Geisselglied = 1, Glied 1 + 2 noch länger als 3,
DR. H. FRIESE, ANHANG ZUR: ,,BIENENFAUNA VON JAVA”. 15
3 kürzer als 4 + 5. Mittelsegment ausserordentlich stark netzartig gerunzelt, mit hoch erhabenen Rippen, die Area kaum stärker als Mittelsegment gerunzelt, Thoraxseiten weiss behaart. Abdomen schwarz, fein punktirt, Segment 1—2' rot, die Scheibe aber in grosser Ausdehnung schwarz, 7 mit rotem Ende. Ventralsegmente 1—2 rotbraun, 3 an der Basis rot, 4—6 schwarz, kaum gelblich behaart, 6 mit schwach, eingedrückter Scheibe. Beine schwarz, gelblich behaart, Tarsen mehr braun, Klauenglied gelbbraun. Flügel schwach getrübt, mit dunkleren Endrand, Adern und Tegulae braun. — L. 6—7 mm. Br. ı!/, mm.
3 d von Buitenzorg, SCHMIEDEKNECHT leg. auf einer gelben Umbellifere.
Ad. No. 4. Prosopis impunctata n. sp. 9 9.
Der Pr. feaî VACH. ähnlich, aber die gelben Zeichnungen sind elfenbeinweiss und reducirt, vor allem sind die Seiten- lappen des Scutellum schwarz, Area stark köckerig gerunzelt.
9. Schwarz, kaum behaart, Kopf und Thorax dicht run- zelig punktirt, matt, Clypeus ganz flach punktirt, ganz matt, vor dem Ende mit gelbweissem Fleck, ebenso das Neben- gesicht gelbweiss. Antenne schwarz, unten braun, zwischen den Antennen ein flacher Höcker der mitten gefurcht ist. Mesonotum und Scutellum tief punktirt, Pronotum jederseits und die Calli h. gelbweiss. Area grob höckerig gerunzelt, glänzend. Abdomen fein und undeutlich punktirt, Segment I ganz glatt, glänzend, 2 kaum erkennbar punktirt, 3—6 deutlicher, Fransenbinden auf I1--2 wie beim /eaz kaum angedeutet. Ventralsegmente punktirt. Beine schwarz, Kniee gelbweiss, Klauenglied braun, Calcar gelblich. Flügel getrübt, mit dunklem Rande, Adern schwarzbraun, Tegulae vorne mit gelblichem Fleck.
EN 7emm. br. qe) d genau wie 9 gezeichnet, nur Kopf schmaler, das Neben-
mm.
gesicht bis über die Antennenbasis gelblich und die Man- dibel fast ganz gelbweiss, Antennenschaft etwas verdickt. mar Bral mm. È 39 24 von Buitenzorg, SCHMIEDEKNECHT leg., auf einer gelben Umbellifere (ahnlich Anethum).
10 DR. H. FRIESE, ANHANG ZUR:
Ad No. 5. Prosopis javanica n. sp. ©.
Wie Pr. impunctata 3, aber Gesicht ganz gelb, Tarsen II und III grösstenteils gelb. _ &. Schwarz, sparsam weisslich behaart, Kopf runzlig punk- tirt, Gesicht samt Stirnschildchen gelb, Nebengesicht concav, Antennenschaft verdickt, vorne gelb, Antenne schwarzbraun, unten gelbbraun, Mandibel schwarz, Höcker zwischen den Antennenwurzeln stumpf, vorne gelb, nach hinten schwarz. Thorax punktirt, matt, Area zeigt jederseits 3 mächtige glänzende Längsrippen. Abdomen undeutlich punktirt. Seg- ment I glatt, glänzend, Fransenbinden auf Segment 1—3 kaum angedeutet, Ventralsegmente punktirt, mit glatter Basis, 6 quadratisch und gekielt. Beine schwarzbraun, gelb sind: Tibie I vorne, II und III an der Basalhälfte und Tarsenglied der Beine II und IH, Calcar gelblich. Flügel fast gebräunt, Adern und Tegulae schwarzbraun, Tegulae gelb gefleckt und Calli h. ganz gelb.
1.2 mm. „Bes ne
4 d von Buitenzorg, SCHMIEDEKNECHT leg. auf einer gelben Umbellifere (ähnlich Anethum) fliegend.
Ad No. 6. Prosopis jacobsoni n. sp. ©.
Durch die blaue Farbe des schmalen Körpers auffallend, Clypeus und Nebengesicht elfenbeinweiss gefärbt.
d. Blau, behaart sind nur die Thorax- und Abdomen- zeiten sparlich, Kopf und Thorax fein und dicht punktiert, glänzend, Mandibel schwarz, Clypeus und Nebengesicht (inter- oculare) bis zu der Antennenbasis elfenbeinweiss. Antenne braun, unten gelbbraun, Geisselglied 2 kürzer als 1, aber langer als 3, das 3. = 4, 3 und 4 kurz, mehr scheibenförmig. Area des Mittelsegment gross, querstrichelt. Abdomen grober punktirt, Segment 4—6 seitlich und 7 überall mit einzelnen schwarzen Haaren besetzt. Ventralsegmente einzeln punktirt, mit braunhäutigen Rändern. Beine schwarzbraun, Tarsen gelbbraun, alle Kniee und die Basis vom Tarsenglied ı der Beine II und III weiss, Calcar weiss. Flügel getrübt, Adern und Tegulae, schwarzbraun.
L.5-mm.. Br. mm:
I d von Samarang auf Java im Januar 1910, JACOBSON leg.
„DIE BIENENFAUNA VON JAVA”. 17
Durch die langgestreckte Form wie blaue Färbung unter
allen Arten der alten Welt auffallend.
N
IO.
Type in Coll. FRIESE.
BESTIMMUNGSTABELLE FüR DIE HALICTUS-ARTEN VON JAVA. d'9.
INGOT DESC WAL Zen ARR PS ER alen pue, Korpenmehrzwenisen metallisch’erun.- B % "12 Nbgdomengschwarz IRE Ane TE a it Abdomen auch metallisch grün. . . RR A
Kopf und Thorax grob runzelig Balie L. 5—6 mm. H. nigroviridis. Kopf und Thorax äusserst fein skulpturirt. L. 4'/, mm. H. caeruleiceps.
. Beine gelblich, Kopf und Thorax runzlig punktirt. Thorax
ellerre RE Re he ee T7 Vesta cernes:
Beine schwarzbraun, Kopf und Thorax äussert fein, kaum erkennbar skulpturirt, Thorax dunkelerzgrün.
H. scopaceus.
Kopf normal iii 2 7 RE each
Kopf (3) verlängert, fast Bobet so lang wie breit, eiformig.
H. angusticeps. Abdomen mithellfilzigen Basalbinden auf den Segmenten. 7
Abdomen bindenlos. L. 9—10 mm. . . A. jacobsonz. Beimezschwarze ng de Men LE Ni ee Beinerselbliche wenn eee SN FI rocher: Mesonotum matt, eigenartig scharf gerandet . . . 0. Mesonotum einfach, meist glänzend und mit grossen
Punkten mn: Seah pete DI gp eee LO?
Segment I—4 an der Basis mit gelben Filsbinden. A. latwentris.
Segment 2—4 mit weissen Filzbinden an der Basis. H, thoracicus. Mesonotum äusserst fein skulpturirt mit einzelnen grösse- ren Punkten. LE. 61, 7, mm... = ©. 7. yavanıcus: Mesonotum fein und ziemlich dicht punktirt. L. 5'/, mm. H. schmiedeknechti.
Mesonotum einzeln punktirt, sonst glatt und glänzend.
10mm. Ei Enns
> “
15 DR. H. FRIESE, ANHANG ZUR:
Ad. No. 7. Halictus nigroviridis n. sp. ©. Kopf und Thorax erzgrün, Abdomen schwarz.
2. Erzgrün, gelblich behaart, Kopf und Thorax dicht runzlig punktirt, Clypeus sparsam grob punktirt, Mandibel rotbraun, Antenne schwarz; Mesonotum fast quergerunzelt (gerieft), Mittelsegment mehr blaugrün, Area grob gerunzelt. Abdomen schwarz, undeutlich und sehr fein punktirt, Seg- ' mentränder glatt, dem Ende zu besonders auf Segment 5—6 gelbfilzig. Ventralsegmente körnig punktirt, stark gelblich behaart, besonders die Endränder lang gefranst. Beine schwarz. braun, Tarsen rotbraun, bräunlich behaart, Scopa gelblich aussen schwarzbraun, Calcar gelbbraun. Flügel hyalin, Adern schwarzbraun, Tegulae heller braun. L. 5—6 mm. Br. des Thorax’ T2,.mm., des Abdom 2 mm.
2 2 von Nusa Kambangan im März 1911, JACOBSON leg. Typen im Mus. Leyden, und intder Gole:
Diesen Halictus nigroviridis fand Herr JACOBSON an dem Eingang einer Höhle (Mesdjit Selo) unweit des Strandes. In der Böschung eines Erdwalls waren zahlreiche kleine Löcher angebracht, aus welchen die Insecten ein und aus flogen. Jedes Loch war der Zugang zu einem Nest; da der Erdboden jedoch sehr hart war, war es nicht möglich eine der Nest- röhren bis zum Nest selbst zu verfolgen.
Ad No. 8. Halictus caeruleiceps n. sp. ®.
Durch den blaugrünen Kopf und Thorax, wie schwarz- braunem Abdomen auffallende Art.
2. Kopf und Thorax schwarzblau, stellenweise blaugrün, kaum weisslich behaart, mit äusserst feiner Skulptur, aber glänzend; Clypeus schwarz, grob punktirt, 3 mal so breit wie lang. Mandibel rotbraun mit rotgelbem Ende; Antenne braun, unten gelbbraun. Mesonotum mehr grün, Metanotum schwarz, Area des Mittelsegment schräg gerunzelt oder ge- strichelt. Abdomen schwarzbraun, mit hellen Segmenträndern, kaum skulpturirt, Analfurche gelbbraun behaart. Ventral- segmente braun, mit glatten Endrändern, sonst punktirt. Beine schwarzbraun, Tibien braun, Tarsen gelbbraun, gelblich
„DIE BIENENFAUNA VON JAVA”. 19
behaart. Flügel hyalin mit gelblicher Basis, Adern gelbbraun, Stigma gross, braun, Tegulae gelbbraun.
imme Br 2. mm.
1 2 von Batavia im September, JACOBSON leg., Coll. Firtese.
Ad. No. 9. — Halictus testaceipes n. sp. 9.
Durch den ganz metallisch hellgrünen Körper und die gelben Beine auffallende Art.
9. Hellgrün, metallisch, Kopf dicht gerunzelt, matt, Clypeus punktirt mit schwarzer Endhälfte, Antenne braun, unten hellbraun; Thorax dicht runzlig punktirt, matt; Mesonotum fein punktirt, Area grob höckerig gerunzelt. Abdomen grün, undeutlich runzlig punktirt, Segmentränder glatt und schwarzbraun, dem Ende zu lang rotgelb behaart. Ventralsegment schwarz, lang scopaartig behaart. Beine rotgelb, nur die Basis bis zur Basalhälfte des Femur schwarz, rotgelb behaart, Scopa gelbbraun. Flügel hyalin, Adern blassgelb, auch das Stigma, Tegulae blassgelb.
Pers mm. ebr2Temm:
Su wie 9- nur viel kleiner, an den Beinen nur. Tibie und Tarsen rotgelb. |
Bee emme Br ‘mm.
2 von Batavia und Nongkodjadjar im Januar, 3 d von Samarang im November JACOBSON leg.
Typen im Mus. Paris und in der Coll. FRIESE.
Ad. No. 10. — Halictus angusticeps n. sp. ©.
Durch den schmalen, Kopf und einfarbig schwarzen Körper auffallend.
d. Schwarz, sehr sparsam gelblich behaart, Kopf und Thorax fein runzlig punktirt, Kopf fast doppelt so lang wie breit, Clypeus fast glatt, mit einzelnen Eindrücken, Stirn- schildchen beulig aufgetrieben, Wangen linear; Antenne braun, 1. Geisselglied = 2; Mesonotum fast glatt und glänzend, mit einzelnen sehr feinen Punkten, obere horizon- tale Zone (Area) gerunzelt. Abdomen glatt, glänzend, ohne Binden, dem Ende zu mit einzelnen langen und schwarz- braunen Haaren. Ventralsegmente kaum skulpturirt mit
20 DR. H. FRIESE, ANHANG ZUR:
braunen Rändern. Beine braun, kaum behaart, Tarsen heller. Elügel stark getrübt, Endrand dunkler, Adern braun, Tegulae schwarz.
1.5, corn Ser rem:
d von Gunung Ungaran, im December 1909, JACOBSON leg.
Type ini Muss Leyden und ingdem Col Rinse,
Ad. No. 11. — Halictus scopaceus n. sp. 9.
Eine kleine ganz erzgriine Art, die durch eine starke gelbe Bauchbürste und ganz gelbe Tegulae auffällt, Tibie III körbchenartig.
2. Erzgrün, sehr sparsam weisslich behaart, Kopf und Thorax durch äusserst feine und dichte Runzelung matt, Clypeus sehr breit, 4 mal so breit wie lang, mit schwarzer, grob gerunzelter Vorderhälfte und unebenen, geraden Vor- derrand; Antenne schwarz, unten braun; Area des Mittel- segment grober gerunzelt, sonst das Mittelsegment weisslich behaart. Abdomen etwas dunkler grün, äusserst fein und dicht gerunzelt, matt, Segment 3—6 mit einzelnen langen gelblichen Haaren, 5—6 mit dicht gelb behaarter Mittelfurche. Ventralsegmente glatt, glänzend, an allen Rändern mit langen, steifen Borsten besetzt, die als Pollensammelapparat fungiren (und grosse Klumpen davon tragen). | Beine schwarz- braun, gelblich behaart, Tibie III verbreitert und nur am oberen Rande mit dichter gelber Sammelbürste besetzt, untere Hälfte aber haarlos, grob gekörnt und als Körbchen (Corbi- cula) dienend am unteren Rande gelblich beborstet, Meta- tarsus schmal, gelblich behaart, in langen Penicillus verlängert, Calcar gelblich. Flügel hyalin, Adern braun mit sehr grossem Stigma, Tegulae scherbengelb.
Br bmm Bras mm:
3 2 von Nongkodjadjar im Januar 1911, JACOBSON leg.
Typen im Mus. Leyden und in der Coll. FRIESE.
Ad. No. 12. — Halictus jacobsoni n. sp. 2.
Grösste Malictus-Art von Java, durch die gelbbraune Be- haarung und das glatte, bindenlose Abdomen sowie durch verlangerten Clypeus auffallend.
?. Schwarz, überall sparsam gelbbraun behaart, Kopf
„DIE BIENENFATNA VON JAVA”. 21
undeutlich und ungleichartig skulpturirt, Gesicht schwach runzlig punktirt, Stirn fein runzlig punktirt, Scheitel fast glatt, Clypeus vorgezogen, verlängert, gerade abgestutzt, mit einzelnen grossen, aber flachen Punkten. Mesonotum fein und zerstreut punktirt, mit eingedrückter Mittellinie, Meso- pleuren samt Mittelsegment undeutlich gerunzelt, Scutellum ebenso fast 2-beulig, Metanotum fast gelbfilzig, Area grob, fast längsrunzlig. Abdomen fein und undeutlich punktirt, stellenweise glatt, überall stark glänzend, Segment ı fast ganz glatt, und stark glänzend, Behaarung auf Segment 5—6 dichter, Analfurche gelbfilzig. Ventralsegmente körnig punktirt mit einzelnen langen Haaren. Beine schwarz, gelblich be- haart, Scopa gelblich, Calcar gelbbraun. Flügel getrübt, Adern braun, Tegulae gelbbraun.
IE Semm. Br. 21, mm.
I 2 von Gunung Gedeh, im März 1911, JACOBSON leg.
type-in der Coll. FRIESE.
Ad. No. 13. -— Halictus roepkei n. sp. 2.
Dem Halictus laevigatus K. von Europa entfernt ähnlich, aber viel kleiner, Körper matt, Beine rotgelb.
2. Schwarz, gelbbraun behaart, Kopf und Thorax äusserst dicht und fein runzlig punktirt, ganz matt; Gesicht gelbfilzig, Stirnschildchen und Clypeus kaum behaart, Clypeus vor- gezogen, verlängert, greb und flach gerunzelt, mit gelb- filzigem, geradem Vorderrand. Antenne schwarzbraun, unten gelbbraun, Schaftbasis rotgelb. Mesonotum und Scuteilum dicht seidenartig gelbfilzig, wie bei Andrena aeneiventris ; Mittelsegment mit stark verlängerter, oberer horizontaler Zone, die mit dem verticalen Teil in einen Winkel mit scharfem verlängertem Rand zusammenstösst. Abdomen äusserst fein skulpturirt, matt, Segment 1—4 mit breiter, weissfilziger Basis 5—6 lang gelbbraun behaart. Ventral- segmente grob punktirt, mit blassen Rändern, kaum behaart. Beine rotgelb, mit schwarzer Basis und Femur, gelblich behaart, Scopa gelb, Metatarsus verlängert, von Tibienlänge und -breite. Tarsenglied 2 verlängert und lappig verbreitert. Flügel getrübt, Adern blassbraun, Stigma ganz hell, Tegulae blassgelb.
22 DR. H. FRIESE, ANHANG ZUR:
L. 6—6!/, mm., Br. 15), mm. I ® von Salatiga auf Java, ROEPKE leg. Type mn den Coll RRIPSE:
Ad. No. 14. — Halictus lativentris n. sp. 9.
Wie. H. javanicus, aber viel breiter, dicht gelb behaart, Mesonotum dicht und fein runzlig punktirt, ganz matt und filzig behaart.
2. Schwarz, kurz gelblich, fast filzig behaart, Kopf und Thorax dicht und fein runzlig punktirt, ganz matt, Clypeus verlängert mit grob gerunzelter Endhälfte und gerade abge- stutztem Endrand; Zunge (ausgestreckt) sehr lang und fadenförmig, so lang wie Kopf und Thorax zusammen, Antenne schwarzbraun. Mesonotum mit eingedrückter Mittel- linie samt Scutellum und Metanotum ziemlich dicht gelbfilzig, Area halb kreisförmig, grob gerunzelt. Abdomen fein punktirt, glänzend, breiter als der Thorax, Segment ı—4 mit breiter gelblich befilzter Basis, diese Binden mitten etwas verschmälert, Analfurche und Segment 6 rotgelb befilzt. Ventralsegment mit haartragenden Punkten und quergestrichelter Basis, mit blassbraunen Endrändern. Beine schwarzbraun, gelblich be- haart, Scopa. gelblich, Metatarsus verlängert, mit rötlichem Endpinsel, Tarsenglied 2 kaum verbreitert. Flügel schwach getrübt, Adern und Tegulae blassbraun, Stigma sehr hell, Tegulae gelbbraun.
Ei mm Br. 2%), mm.de Abd. none
d wie 2, auch Clypeus ganz schwarz, Zunge ebenso lang, aber aile Tarsen und Kniee rotgelb.
E. 6%, mm, Br mm.de Abdin
2 von Enkhuizen (Pulu Njamuk Ketjil) im September 1907, d von Baron (Gunung Sewu) in März 1911, JACOB- SON leg.
Typen in Coll. FRIESE.
Ad No. 15. Halictus thoracicus n. sp. 9.
Dem A. javanicus ähnlich, aber kleiner, Mesonotum mit scharfem, erhabenem Rande umgrenzt und netzartig höckerig gerunzelt.
?. Schwarz, gelblich behaart, Kopf und Thorax dicht
„DIE BIENENFAUNA VON JAVA”.
bo (OS)
runzelig punktirt, Stirn mit erhabener Mittellinie, Clypeus endhälfte grober gerunzelt, ganz matt; Antenne schwarz, unten braun; Mesonotum und Scutellum netzartig und höcke- rig gerunzelt. Mesonotum mit scharf erhabenem Rande umgrenzt; Metanotum gelbfilzig, Area grob netzartig und erhaben gerunzelt, ganz matt. Abdomen undeutlich punktirt, Segment 7 fast glatt und glänzend, 2—4 fast matt, mit weiss befilzter Basis. Ventralsegmente punktirt, mit blassen End- rändern. Beine schwarz, gelblich behaart, Scopa gelblich, Calcar rotbraun. Flügel getrübt, Adern und Tegulae braun.
[SON emme Br.>22mm.
Var. 2, Scopa aussen mit schwarzbraunem Streifen, Meso- notum seitlich glatt werdend.
Ou emm.(sBr 2), mm. Var. scopipes n. var.
I ® von Buitenzorg, SCHMIEDEKNECHT leg., Var. scopipes, Gunung Gedeh im März, JACOBSON leg.
Typentin CollEriese.
Ad No. 16. Halictus javanicus n. sp. 9.
Dem 77. leucosonius K. in Form und Farbe täuschend ähnlich, aber Mesonotum. äusserst fein skulpturirt, fast matt, mit einzelnen grösseren Punkten.
2. Schwarz, sparsam weisslich behaart, Kopf verlängert, dicht runzlig punktirt, Clypeus gewölbt mit flacher Scheibe, mit zerstreuten groben Punkten, Stirnschildchen stark gebeult. Mesonotum infolge äusserst feiner Sculptur matt, mit einzel- nen gröberen Punkten, Scutellum glänzend, einzeln punktirt, Metanotum dicht weissfilzig; Area glatt, glänzend, obere horizontale Zone des Mittelsegmentes, grob gerunzelt, Meso- pleuren dicht gerunzelt und matt. Abdomen undeutlich punktirt, die breiten, niedergedrückten Segmentränder äus- serst fein quergerieft, fast glatt, Segment r ziemlich lang behaart, 2—5 mit weiss befilzter Basis, 6 schwarzbraun be- haart; Ventralsegmente punktirt, mit breiten braunhäutigen Endrändern. Beine schwarz, gelblich behaart, Tarsen braun, Scopa gelblich, oben ein Streifen fast schwarzbraun, Calcar rotgelb. Flügel getrübt, Adern und Tegulae schwarzbraun.
L. 6'/,—71/, mm., Br. 2—2!/, mm.
24 DR. H. FRIESE; ANHANG ZUR:
? d wie 2, aber Clypeus noch mehr verlängert, mit gelbem Vorderrande, Basalbinden sehr deutlich.
Li. 51, 6 mm, Der 22mm:
Auf Java sehr häufig, so von Buitenzorg, SCHMIEDEKNECHT leg., von Salatiga, ROEPKE leg., ferner von Wonosobo im Mai, Gunung Gedeh im März, Nongkodjadjar im Januar, JACOBSON leg. vorliegend.
Typen in der Coll. FRIESE und im Leidener Museum.
Ad. No. 17. Halictus schmiedeknechti n. sp. 2.
Dem Malictus javanicus ähnlich, aber viel kleiner, Meso- notum fein und dicht runzlig punktirt, matt, Segment 2—4 breit gelbfilzig.
2. Schwarz, gelblich behaart, Kopf und Thorax runzlig punktirt, matt, Clypeus grober gerunzelt, vorgezogen, ver- längert ; Stirnschildchen convex, Antenne schwarzbraun. Meso- notum und Scutellum fein und ziemlich dicht punktirt, matt, horizontale Zone des Mittelsegment grob gerunzelt, mit scharf erhabener Kante hinten und seitlich begrenzt. Abdomen fein und undeutlich punktirt, Segment ı glänzend, 2—4 matt an der Basis mit breiter gelber Filzbinde bedeckt; Ventral- segmente mit haartragenden Punkten und blassgelben End- rändern. Beine schwarz, gelblich behaart, Scopa gelbbraun, Metatarsus verlängert mit rötlichem Endpinsel (Penicillus), Tarsenglied 2 verbreitert, Calcar rotgelb. Flügel getrübt, Adern und Tegulae braun.
Ist, mins) Dr. nem:
2. mehrfach von Salatiga. ROEPKE leg., Buitenzorg, SCHMIE- DEKNECHT leg., Telaga Mendjer im Mai, Samarang, Gunung Gedeh im März, Nongkodjadjar im Januar, JACOBSON leg.
Alles auf Java.
Typen in der Coll. FRIESE und im Leidener Museum.
Ad. No. 18. — Halictus gedehensis n. sp. 79.
Dem 77. javanicus ähnlich, aber viel kleiner, weiss behaart, Mesonotum mit einzelnen Punkten, sonst glatt und glänzend.
2. Schwarz, sparsam weisslich behaart, Gesicht fein
punktirt, Stirnschildchen beulig und glatt, Clypeus mit einigen groben Längseindrücken, glänzend; Antenne schwarz, unten
„DIE BIENENFAUNA VON JAVA”. 25
kaum heller. Mesonotum und Scutellum mit einzelnen feinen Punkten, sonst glatt und stark glänzend; Thoraxseiten fein gerunzelt, fast gestrichelt; Metanotum weiss befilzt, Area körnig gerunzelt, viel grober als die angrenzenden Partien. Abdomen undeutlich skulpturirt, aber stark glänzend, am Segmentrand fein quergestrichelt, Segment ı fast ganz glatt, wie polirt, 2—3 jederseits mit schmal weissfilziger Basis, 4—6 mit einzelnen weissen Haaren, Analfurche und Segm. 6 schwarzbraun befilzt. Ventralsegmente mit einzelnen haar- tragenden Punkten und langen weisslichen Haaren. Beine schwarz, meist schwarzbraun behaart, Scopa nach dem Körper zu weiss, aussen schwarzbraun, Metatarsus viel schmaler als die Tibie, Calcar rotgelb. Flügel getrübt, Adern und Tegulae schwarzbraun.
ES 6mm.; Br. 1®/, mm.
d wie 2, Clypeus und Beine auch ganz schwarz.
Essemm, Br. 1/5 mm.
Mehrere @ von Nongkodjadjar im Januar und von Gunung Gedeh im Marz, 1 & von Nongkodjadjar in Januar, JACOB- SON leg.
Eypen-in Coll. FRIESE, und im Beidener Museum.
Ad. No. 19. — Halictus babakanensis n. sp. ©.
Eine metallisch hellgriin gefärbte Art, die durch die spiegel- glatte und schwarze Endhalfte der Segmente 1 —2 auffällt.
2. Hellgrün metallisch, ziemlich dicht gelblich behaart; Kopf mehr gelbgrün, dicht gerunzelt, matt, Clypeus doppelt so breit wie lang, grob aber ungleich punktirt mit geradem, schwarzem, etwas aufwärts gebogenem Vorderrande, Mandibel rotbraun, Antenne schwarzbraun, unten braun; Stirn zwischen den Antennen mit feinem Kiel. Thorax grün, dicht runzlig punktirt, etwas glänzend, vorne fast quergerunzelt, Scutellum fein punktirt, glänzend, Metanotum fast gelbfilzig; Area des Mittelsegment kahl, sehr grob gerunzelt. Abdomen undeutlich punktirt, Segment 1—2 mit schwarzer, spiegelglatter, concaver Endhälfte, 2. schwach gelbfilzig, mit fein quergerunzelter Basalhälfte, 3—4 auch glatter Endhälfte, die aber mit gelben Fransenhaaren besetzt sind, 5-6 rot gefärbt, 5 mitten an der Furche klein ausgeschnitten, 5—6 gelb befilzt. Ventral-
26 DR. H. FRIESE, ANHANg ZUR:
segmente dicht und lang gelblich scopaartig behaart. Beine grün, Kniee, Tibienende und Tarsen meist rotbraun, alle Teile gelblich behaart. Scopa oben gelblich, Tibien III körbchenartig wie bei M. scopacea gebildet. Flügel hyalin, an der Basis gelblich, Adern gelblich, Stigma gross, braun, Tegulae gelbbraun mit schwarzbraunen Scheibenfleck.
L. 5—6 mm., Br. ı!/, mm.
I 2 von Babakan (Banjumas) im März, JACOBSON leg.
ypez1n-Eoll.KEripse:
Ad. No. 20. — Nomioides obscurus n.sp. ©.
Wie N. pulchellus SKENCK von Mitteleuropa, aber Kopf und Thorax dunkel erzfarben, Abdominalsegmente jederseits gelbweiss gefleckt.
2. Dunkel erzgrün, Kopf und Thorax äusserst fein skul- pturirt, Mandibel rot. Mesonotum glänzend, Clypeus bis auf 2 längliche schwarze Scheibenflecke gelb, ebenso der Antennenschaft vorne gelb; Antenne schwarzbraun unten gelbbraun. Am Thorax nur die Calli h. und der seitliche Teil des Pronotum gelb, Scutellum und Metanotum schwarz, oberer Zone des Mittelsegment gerunzelt, matt. Abdomen schwarzbraun, kaum skulpturirt, Segmente jederseits mit klei- nem gelbem Fleck. Ventralsegmente braun. Beine schwarz- braun, alle Beine und Tarsen gelb, ebenso die Tibie I ganz und die Vorderseite der Tibie II, Metatarsus von Tibienbreite, etwas verlängert, Endpinsel rotbraun. Flügel. hyalin, fast milchig, Adern blassgelb, Tegulae gelb.
L. 31/,—4 mm., Br. 1 mm.
2 2 von Buitenzorg, SCHMIEDEKNECHT leg.
Type in der Coll 2 ERIESE:
Ad. No. 21. Halictus (Rostratilapis !) macrognathus n. sp. ©.
Dem AH. wroughtoni Cam. von Bengal, Birma nach der Beschreibung nahestehend, aber Beine gelblich, Tibie II bewehrt.
1) Halictus subgen. Kostratilapis n. subgen. wie Trichostoma Sauss. (= Diagonozus Endrl.) von Afrika, aber Marginalzelle im 9 ohne An- hang, Kubitalzelle 2 so gross wie 3; 2 Kubitalquerader gerade (nicht winkelig), endet in den charakterischen Filzfleck, ı Discoidalquerader
e „DIE BIENENFAUNA VON JAVA”. 27
d. Schwarz, gelblich und anliegend behaart, Kopf und Thorax fein und dicht punktirt, stellenweise runzlig, Kopf schnabelförmig verlängert, Wangen so lang wie breit, Clypeus stark gewölbt, gelbbraun, jederseits am Rande mit schwarzer Beule; Labrum sehr breit, fast linear, Zunge so lang wie das Mentum, Mandibel lang sichelförmig, gelbbraun mit schwarz- brauner Spitze; Gesicht gelb befilzt, Stirnschildchen kahl, stark gewölbt, verlängert und mit einzelnen groben Punkten ; Antenne schwarzbraun, unten rotbraun, 2 Geisselglied = 3. Pronotum gelb befilzt, Mesonotum auf der Scheibe zerstreut und seicht punktirt, Scutellum mehr gerunzelt, Metanotum gelbfilzig, Area grob längsriefig. Abdomen gelbbraun, fein und undeutlich punktirt, Scheibe von 1—3 Segment mehr weniger verwischt schwarzbraun, 3. ausserdem mit dichter, brauner, sammetartiger Befilzung, 4—6 mehr schwarzbraun nur Endrand breit gelbbraun, 7. schwarz. Ventralsegmente fein und schräg gestrichelt, gelbbraun, 3. tief halbkreisförmig ausgerandet, mit aufgeworfenem, verdicktem Rande, 4. braun, matt, tief ausgeschnitten, im Ausschnitt die Mittelfurche des 5. sichtbar. Beine gelblich, gelbbraun behaart, Tibie III drei- kantig, nach innen verbreitert und hier in langen Spitzen Zahn verlängert, der an seiner Basis die breiten Calcaria trägt. Flügel gelblich getrübt, fein behaart, 2 Kubitalquer- ader endet nach oben in der Zellmitte in sternartigen Haarfleck (Diagonosus ENDERL.), Adern braun, Tegulae gelbbraun.
L. 9—10 mm., Br. 2 mm.
d von Nusa Kambangan im März, JACOBSON leg. (Type in Coll. FRIESE).
Halictus (Rostratilapis) sladeni n. sp. SQ.
2. Wie ein grosser Halictus tetrazonius mit breitem und verlangertem Kopfe, Segment 1 (beim d 1—2) rotgelb.
interstitiell auf 2. Kubitalquerader, 2. Discoidalquerader mündet inner- halb vor der 3. Kubitalquerader.
Die Abweichungen scheinen sich nur auf das Flügelgeäder zu erstrecken, sind sehr geringer Natur, ich glaube aber, um die orientalischen Arten dieser Aalictus-Gruppe besser fassen’ zu können, die Unterschiede in dem subgenus-Namen Kostratilapis festlegen zu müssen.
L. 9—II mm.
Vorderindien und Java.
N ee)
DR. Hr FRIESE MAN EAN GRZ DIR
2. Schwarz, kurz gelbbraun behaart, Kopf fein aber unregel- mässig dicht punktirt, stellenweise runzlig, Kopf stark ver- längert, Wangen quadratisch, Clypeus rotgelb, vorgezogen, mitten abgestutzt, seitlich schwach punktirt, Mandibelbasis eckig vorspringend, Labrum und Mandibel rot, ebenso der Antennenschaft, Geissel braun, oben dunkelbraun, Stirnschild- chen convex, fast glatt, glänzend, Stirnpartie bei der Antennen- basis eingedrückt, concav, seitlich am Augenrand gelbfilzig. Pronotum gelbfilzig, Mesonotum und Scutellum punktirt, glänzend, Mittelsegment braun, matt, fein skulpturirt, Area glänzend, gerunzelt. Abdomen kaum erkennbar punktirt, Segment ı glatt, rotgelb, mit brauner Querbinde, Segment 2—4 mit kaum angedeuteter heller Filzbinde, 4—6 kurz und sparzam schwarz behaart. Ventralsegmente einzeln und grob punktirt und fein quergerunzelt, mit einzelnen langen Haaren. Beine rotgelb, gelblich behaart, Scopa gelbbraun. Flügel gelblich getrübt, Adern und Tegulae gelbbraun.
E. 11 mm., Br. 3 mm. Kopfange 31/5. mm.
d wie 2, Clypeusrand breit gelb, Segment 1—2 rotgelb mit schwarzem Querfleck, Ventralsegmente anhlich wie bei H. macrognathus, 1—3 rotgelb, 4 tief halbkreisförmig ausge- randet, 5 schwarzbraun, matt infolge sehr feiner Skulptur, 6 mitten grubenartig vertieft, glänzend. Beine braun, Tarsen gelbbraun, Tibie III gekrümmt, verdickt, Tibie III verbreitert und verdickt, nach innen in mächtigen, spitzen, weissen Zahn verlängert, der an der Basis (unten) die beiden bleichen Calcaria trägt, Metatarsus weiss behaart.
Er nr — 12mm. Br. 20, mm.
3? von Khasia Hills im Juni 1895, Indien; von SLADEN eingesandt.
Typen in der Coll. FRIESE.
Ad No. 22. Nomia maculipennis n. sp. ©.
Grosses d der Nomza terminata SM. anhlich, aber Scuteilum 2-dornig, Femur III mit breitem Basalzahn.
3. Schwarz, gelbbraun behaart. Kopf und Thorax dicht runzlig punktirt, matt, Clypeus kahl, gewölbt, schwach 2- beulig, längsrunzelig, mit abgerundetem Endrand; innere
„DIE BIENENFAUNA VON JAVA”. 29
Orbitae stark nach vorne convergirend. Antenne schwarz, unten braun, Geisselglied 1 = 2 = 3, Scutellum ‘punktirt, jederseits gebeult und mit grossem, aufrechtstehendem, koni- schem. Dorn bewehrt. Mittelsegment punktirt, Area durch sehr feine Skulptur matt. Abdomen fein punktirt, fast kahl, die niedergedrückten Endränder der Segmente fast glatt, davor also auf der Segmentmitte mit einer Reihe langer weisslicher Haare besetzt, “Seem: 7. verborgen, aber eine Reihe langer rotgelber Borsten ragen davon hervor. Ventral- segmente 1—3 kaum gefranst, 4 sehr vergrössert, fast qua- dratisch, concav mit kahler Mittelfurche, daneben in grosser Ausdehnung braunfilzig, die Furche lauft dem Endrande zu in erhabenen Kiel aus und trägt nach hinten einen’ langen spitzen Dorn, der seitliche Endrand von Segment 4 und 5 trägt einen Biischel rotgelber Borsten, Segment 5 mitten einen stumpfen Zahn, der dem Dorn vom 4 gegenübersteht und mit diesem zusammen offenbar als Zange fungirt. Beine schwarz, gelbbraun behaart, Femur III mit breitem, abge- stutztem, rotgelbem Basalzahn, Tibie III am Ende etwas ver- breitert und nach unten in spitze Ecke verlängert, die rotgelben Calcaria trägt. Flügel gelblich getrübt, mit schwarzbraunem Spitzenfleck, Adern rotgelb, Marginalader rot, Tegulae be- sonders gross, stark gewölbt, rotgelb.
Es 10—11 mm. Br. 4 mm:
I d von Babakan (Banjumas) auf Java, März 1911, JACOB- SON leg.
Type in der Coll. FRIESE.
Ad. No. 23. Nomia elongata n. sp. 3.
Der Noma parca KOHL (Abessinien) ähnlich und wie diese durch die schmale Gestalt im & auffallend, aber Tarsen weisslich, Ventralsegment 4 dicht weiss befilzt.
2. Schwarz, sparsam gelblich behaart, Kopf und Thorax dicht runzlig punktirt, matt. Gesicht mit Clypeus gelb befilzt, innere Orbitae nach unten stark convergirend. Antenne schwarz, 2. Geisselglied — 3. Metanotum wie Pronotum dicht anliegend gelbfilzig, obere Zone des Mittelsegment grober gerunzelt als die Umgebung. Abdomen undeutlich punktirt, wenig glänzend, Segment 2—4 mit breiter, gelblicher Filz-
30 DR. H. FRIESE, ANHANG ZUR:
binde am Endrande, auf Segm. 2 weit unterbrochen, 5—6 rötlichgelb behaart. Ventralsegmente kahl mit breiten braunen Endrändern. Beine braun bis schwarzbraun, Tarsen rotgelb, gelblich behaart, Calcar gelbbraun, Scopa gelblich, Metatarsus sehr breit, fast breiter als die Tibie, nach dem Ende zu breiter wordend, 2. Tarsengliedlappig verbreitert. Flügel schwach getrübt, mit dunklerem Rande, Adern und Tegulae braun.
L. 6—6!'/, mm., Br. des Abdomen 2!/, mm., -d. Thorax 2 mm.
& dem ® ähnlich, aber sehr lang gestreckt, Antennen lang, erreichen das Thoraxende. Abdomen viel länger als der Thorax, aber nicht breiter; Ventralsegment 4 dicht weisslich befilzt,- 5. kahl, schwach ausgerandet, mitten mit kleinem Höcker, Tarsen verlängert, gelbweiss, Metatarsus viel schmaler als die Tibie, letztere dem Ende zu verbreitert und median im spitzem Winkel vorstehend, Calcaria weiss.
L. 7—-8 mm., Br. 2 mm.
3? zahleich von Samarang und Batavia, im Juli— September von JACOBSON gesammelt; & auch mehrfach von Buitenzorg, SCHMIEDEKNECHT leg.
Typen in der Coll. FRIESE und im Leidener Museum.
Ad. No. 24. — Nomia jacobsoni n. sp. ®.
Dem ® der N. elongata FRIESE ähnlich, aber die Segment- binden auf 1--4 ganz, Scutellumgegend rotgelb befilzt.
2. Schwarz, sparsam weisslich behaart, Kopf fein runzlig punktirt, Gesicht weiss befilzt, Clypeus vorne gerundet, Antenne schwarz. Mesonotum fein punktirt, am Hinterrande samt dem Scutellum dicht rotgelb befilzt, Mittelsegment samt Area äusserst fein gerunzelt, matt. Abdomen undeutlich punktirt, Segment ı mehr weislich behaart, am Endrande mit schmaler, weisser Fransenbinde, 2—4 mit breiter gelblicher Filzbinde, 5—6 dunkel behaart. Ventralsegmente gelblich behaart. Beine schwarz, weisslich behaart, Scopa weiss, Metatarsus breit, aber schmaler als die Tibie, obere Hinter- ecke des Metatarsus stark verlängert, Calcaria gelbbraun. Flügel getrübt, mit dunklerem Rande, Adern und Tegulae braun.
E 27mm... Br. 22mm.
„DIE BIENENFAUNA VON JAVA”. GI 2 von Samarang im August, von Batavia im November, JACOBSON leg. Typen in der Coll. FRIESE und im Leidener Museum. Man vergl. auch Momta samarangensis 3.
Ad. No. 25. — Nomia samarangensis n. sp. ©.
Der N. jacobsont 2 ähnlich, aber Mesonotum fein runzlig punktirt, matt.
d. Schwarz, gelblich behaart, Kopf und Thorax fein ge- runzelt, matt, Gesicht gelblich behaart, Mandibel gelb mit roter Spitze, innere Orbitae stark nach vorne convergirend, Antenne gelbbraun, oben braun, Schaft und Geisselglied ı schwarz, Endglied verlängert und zugespitst. Mesonotum und Scutellum dicht braun befilzt, Mittelsegment matt. Abdomen undeutlich, aber grob punktirt, glänzend, Segment 1 lang gelb behaart, Endrand von 1—-6 mit breiten gelben Fransenbinden. Ventralsegmente kahl, 4. tief ausgerandet, Rand lappig erweitert, 5—6 vertieft liegend, unsichtbar. Beine schwarz, Tarsen gelbbraun, Klauenglieder (I—III) ver- breitert und schwarz, Calcar gelbbraun, Adern und Tegulae ebenfalls.
7 mm» Brasem:
I d von Samarang, JACOBSON leg.
-- Type in coll. FRIESE.
Ad. No. 26. — Nomia albofasciata SM. ©.
19/75 NV SMITHS ia? brs Ent. Soc: London p. 57.
d wie @ fallen durch die schmalen, gelbweiss gefärbten Binden der Segmente 1—4 auf, Beine pechbraun, ® mit weisser Scopa.
Das o ähnelt dem © sehr, es sind aber Segm. 1—5 gelb- weiss bandirt. Beine II bewehrt, Femur kantig verdickt, nach oben beulig aufgetrieben, an der Basis unten mit kleinem Höcker beim ı. Drittel; Tibie III dreikantig, ver- dickt, nach innen in breite, gelbweisse Lamelle verlängert, die an ihrer Basis die beiden bleichen Calcaria trägt, Meta- tarsus gelbbraun, innen gelbbraun behaart.
L. 8—g mm., Br. 3 mm.
¢@ mehrfach von Salatiga (Java), ROEPKE leg.
bo
Dk. H. FRIESE, ANHANG ZUR:
ios)
Ad. No. 33. — Ceratina dentipes n. sp. ©.
Wie C. nigra HANDL. von Südeuropa mit schwarzem Kör- per, aber Tibie III innen mit grossem Zahn bewehrt.
d. Schwarz, kaum weisslich behaart, Kopf und Thorax punktirt, Clypeus und Stirnschildchen fast spiegelglatt, Clypeus mit grossem | -förmigem, gelbweissem Fleck, Labrum mit gelber Scheibe, Mandibel braun, Antenne schwarzbraun. Mesonotum und Scutellum etwas feiner punktirt, Area fein gerunzelt, nicht auffallend. Abdomen unregelmässig punktirt, Segment 1 fast glatt, 4-5 mehr höckerig punktirt und stellenweise auch gerunzelt, 7 als schmaler Dorn vorragend. Ventralsegmente deutlich punktirt, mit braunen Segment- rändern, 6 am Ende fast 2-dornig. Beine braun, reichlich elfenbeinweiss gezeichnet, so:
Femur I unten, Tibie I vorne, Kniefleck der Beine II, Tibie II aussen an der Basalhälfte; Tarsen gelbbraun, Klauenglied I aber schwarz, Femur II mit und unten mit feinem Borstenpinsel, Tibie [Il stark verbreitert und mitten innen mit grossem, weisspitzigem Zahn bewehrt, der fast Calcarlänge erreicht, Metatarsus wie Calcaria bleich. Flügel getrübt, Adern und Tegulae braun, Calli hum. gelbweiss.
L. 4-—4'/, mm., Br. I mm.
3 d von Buitenzorg, SCHMIEDEKNECHT leg.
Typen in der Coll. FRIESE.
Ad. No. 36. Xylocopa javana n. sp. ©.
Der X. aestuans ähnlich, aber Gesicht weisslich behaart, Thorax oben rotbraun.
2. Schwarz, schwarz behaart, Skulptur wie bei aes/uans, auch die Grenzen der schwarzen Behaarung, Gesicht grob punktirt, dünn weisslich behaart, Labrum lang gelbbraun behaart, mit kahlem, erhabenem Kiel. Mandibelbasis rotbraun ; Antenne schwarz, unten rotbraun. Mesonotum vorne mit eingedrückter Mittellinie, sonst samt Scutellum rotbraun be- haart. Abdomen punktirt, glänzend, seitlich und dem Ende zu lang schwarz behaart. Beine schwarz, nur Klauenglied rot, Tibienschuppe in der Mitte der Tibie endend, Calcar rot.
„DIE BIENENFAUNA VON JAVA”.
>) D
Flügel schwarzblau, Adern und Tegulae schwarz, Tegulae und Flügelbasis rot behaart.
EZRA
I 2 von Java, bei Buitenzorg; SCHMIEDEKNECHT leg. Type in Coll: FRIESE.
Von der Xylocopa eximia FRIESE, von O.-Afrika, die in der Farbe der Behaarung übereinstimmt, verschieden: durch die blauschwarzen Flügeln, die schwarzen und rotbehaarten Tegulae, durch die schwarz behaarten Pleuren (bei A exzmza bis weit unter die Tegulae rot behaart) und durch das flache Stirnschildchen, welches bei A. exzmza beulig erhaben ist.
Ad No. 39. Xylocopa caerulea F. — Herrn Epw. JACOBSON verdanke ich ein Nest dieser auffallend blau behaarten Art, das in einem fast armdicken diirren Art angelegt ist. Von aussen führt ein runder, 13—14 mm. im Durschnitt haltendes Loch in das Innere; der Ast ist mitten ausgehöhlt und zwar von der Aussenoeffnung gleich weit nach oben wie unten. Der Durchmesser dieser Holzrinne beträgt 15 mm., ist also etwas weiter als die Flugöffnung, der untere Teil enthält 2 Zellen, die durch Scheidewände aus abgenagten kleinen Holzspahnen hergestellt sind. Der untere Teil-der. Zelle. ist rundlich ausgehöhlt und schr geglättet, also concav, die obere Scheidewand aber gerade und rauh, weil die Mutter-Biene ja nur von oben den mit Schleim gekitteten Brei genügend ebnen und glätten kann. Infolge der einen concaven Seite der Scheidewand, ist diese am Seitenrande sebr dick( =4 mm) unde degg\Iittesnungrabist nm dick, Inder unteren Zelle befand sich eine Larve mit Futterbrei (JACOBSON), deren Reste man noch deutlich erkennen kann. Während der untere Teil wohl für 4 Zellen Raum bietet, er ist 77 mm. lang und jede Zelle nimmt 17 mm. Länge plus 4 mm. Scheidewand- Dicke ein, bei oben bereits angegebener Breite von’ 13—14 mm. Der nach oben ausgehöhlte Teil des Nestes enthält keine Zellabteilungen, wohl aber an einem Ende Pollenreste, ähnlich wie die in den leeren Zellen des unteren Teiles. Ich halte den oberen Raum für einen Speicher, um den Ueber- schuss der Pollenernte bei günstigem Wetter und reichlicher Trachtzeit aufzunehmen und um ihn später bei ungünstigem
2 J
34 DR. H. FRIESE, ANHANG ZUR:
Wetter, das das Ausfliegen der Bienenmutter hindert, beim Weiterbau der Zellen zur Hand zu haben. Einen instructiven Nestfund in dieser Beziehung konnte ich bei Lzthurgus dentipes von den Karolinen feststellen.
Ad No. 50. Nomada lusca SM. ©.
Das © fällt durch die rostrote Färbung des Körpers auf; die Exemplare von Java sind allerdings nur 4—4!/, mm. lang, während SMITH für sein Exemplar von den Philippinen 6 mm. lg. angiebt. Auch BINGHAM erwähnt die Art von Sikkim, Tenasserim, Ceylon als gew6nhliche Art von 7 mm. Lange.
d wie 2, aber viel dunkler gefärbt, Thorax schwarzbraun, nur bei I d rostrot mit schwarzem Mesonotum, Segment 2—3 mit mehr weniger grossem gelbem Seitenfleck, Segm. 7 rötlich, verlängert und fast zweispaltig. Beine schwarzbraun mit gelben Fiecken.
mm Bern:
Batavia und Samarang im Januar, JACOBSON leg.
Ad No. 52. Nomada javanica FRIESE. 1909. N.j. ERIESE, 2 in: Ann. Mus. Mune... 7, P:7268.
2. Der Nomada biguttata FRIESE (1909) ähnlich, aber noch kleiner, Segment 2 mit breiter, gelber Basalbinde.
2. Kopf und Thorax rotbraun, dicht runzlig punktirt, matt, mit dunklen Stellen auf Stirn, Mesonotum u. and. Antenne braun, Scapus und Glied 2. gelblich gefärbt, 2. Geisselglied == 3 = 4. Scutellum stark gebeult, hellbraun, Area mit grob gerunzelter Basis, sonst äusserst fein skulpturirt, matt. Abdo- men schwarz bis schwarzbraun, glatt, glänzend, Segment 2 mit breiter, gelber Basalbinde, 5. fast ganz gelb gefärbt, weisslich gefranst. Bauch hellbraun, kahl. Beine schwarzbraun, mit hellen Knieen und hellem Tibienende, Tibie III in eine Ecke verlängert ohne Enddorne; Flügel hyalin, mit dunklem Rande, Tegulae und Calli humerales hellbraun.
1.42), mm Bra arm
ı 2 von Buitenzorg (Java) im botanischem Garten, SCHMIE- DEKNECHT leg.
„DIE BIENENFAUNA VON JAVA”. 35
Ad. No. 53. — Nomada biroi. FRIESE #9.
NODO ON; Dw RIESE co 2 ins Ann. Mus, Hung, v.27 pa250:
1909. N. b. var. wigrescens FRIESE, d-ebenda p. 259.
2. Kleine, schmale Art, rot- bis gelbbraun. Kopf und Thorax mehr oder weniger schwarz gefärbt, grob punktirt, stellenweise gerunzelt, Mundpartien immer rotgelb (9 rein- gelb), Antenne lang, erreicht das 1. Segment, nur oben und dem nde zuransedunkelt, 2. Geisselelied: 3,4; Stirn und Mesonotum fast immer schwarzbraun, innere Orbita bis oben rotgelb, Scutellum 2-beulig, wie Metanotum deutlich hervortretend, Area fast glatt, glänzend, nur Basis und Mitte gerunzelt. Abdomen rotgelb, Segment 2—4 oft seitlich weiss gefranst, 5 ganz gefranst, 6 verborgen. Ventralsegmente rotgelb, nur das letzte auffallend gefranst. Beine einfach, weisslich behaart, auch Tibie Ill ganzrandig, ohne Enddorne. Flügel hyalin, mit dunklem Endrand, Adern schwarzbraun, Tegulæ braungelb. L. 5!/,—6 mm., Br. 1 mm.
d wie 9, meist dunkler gefärbt, Kopf und Thorax vor- herrschend schwarz, Mundpartieen gelb, Antenne braun, Calli h. gelb. Scutellum und Metanotum rotgelb, Segment ı schwarz, 2—3 jederseits mit mehr oder weniger deutlichen gelben Flecken, 7 schmal, lang und 2-teilig. Ventralsegmente rotgelb, 6 schwarzbraun, stark erhaben, jederseits am Ende weiss bebüschelt. Beine rotgelb.
E“ mm., Br. 1 mm:
Var. nigrescens FRIESE &, ganz schwarz, nur Tegulæ, Calli hum. und die Segmentflecken gelb.
gd von der Insel Cretin (Tami); 2 von Simbang, am Huon Golf; Stephansort (Astrolabe Bai) und Tamara 10. Septbr. 1896; d von Lemien (Berlinhafen), Simbang und Sattelberg an Huan Golf, BIR6 leg.
Neu-Guinea. |
I d var. von Buitenzorg auf Java (botan. Garten), SCHMIE- DEKNECHT leg.
Als Wirtbiene dürften Malictus-Arten in Betracht kommen, da Andrenen fehlen !”
Ad. No. 54. — Eriades othonis n. sp.
Nach der Beschreibung dem £. parvulus BINGHAM ähnlich,
36 DR. "ER TERTESBRSAN ELAN G (ZUR:
aber grösser, Clypeus ausgerandet und Rand unregelmässig gehöckert.
?. Schwarz, weisslich behaart, Kopf und Thorax grob runzlig punktirt, Clypeus gewölbt, vorne niedergedrückt, schwach ausgerandet und leicht gehöckert, Mandibel und Antenne schwarz; Pronotum, Mesonotum an den Seiten und Scutellum hinten mit einem Kranz von aufrecht stehenden, weissen Haaren umgeben; Area spiegelglatt, glänzend, obere horizontale Zone des Mittelsegment mit tiefen, parallelen Langsfurchen. Abdomen punktirt, fast matt, Segment ı vor dem steil abfallenden Basalrand und am Endrande, 2. und 3. nur am Endrande mit schneeweissen Fransenbinden, 4—6 überall mehr grau behaart. Scopa gelblich weis. Beine schwarz, weisslich behaart, Calcar gelblich. Flügel hyalin, Adern und Tegula fast schwarz.
ES 6: mm. Bron
d wie ?, Antenne länger, erreicht fast das Mittelsegment, Gesicht gelblich behaart, Clypeusrand gerade abgestutzt, Segment 6 (ventral liegend) gerundet, ohne Besonderheiten.
esse mm, Br I em
3 mehrfach von Buitenzorg, im botanischen Garten auf Labiaten fliegend, SCHMIEDEKNECHT leg.; 9? von Batavia, JACOBSON leg.
Typen in Coll. FRIESE und in Leidener Museum.
Ad. No. 55. — Megachile roepkei n. sp. 92.
Von Megachile dimidiata SM. durch die schwarzen Beine, von WM. ceylonica BINGH. durch die grösstenteils weisgelbe Scopa gestrennt.
2. Schwarz, dicht gelbbraun behaart, Kopf fein runzlig punktirt, Clypeus grober mit fast glattem -Mittelfeld, mitten schwach vorgezogen und ausgerandet. Mandibel breit, einzeln und grob punktirt, mit a grossen Zähnen. Antenne schwarz, 2. Geisselglied = 1, aber nur ?/, so lang wie 3. Mesonotum fein und sparsam punktirt, Scutellum auf der Hinterrand- hälfte gröber; Area äusserst fein gerunzelt, matt, von der runzlig punktirten Umgebung stark abstechend. Abdomen ziemlich dicht, aber unregelmässig punktirt, schwach bläulich schillernd, Segment ı ganz, 2 nur am Hinterrand gelbbraun
„DIE BIENENFAUNA VON JAVA”. 27
behaart, 3 und 4 (--5) mit schmalen, weissen Haarfransen, 5--6 sonst sparsam schwarz behaart, Scopa weiss, auf Seg- ment 4 gelblich behaart, Calcar gelbbraun, Metatarsus schmal, aber von Tibienbreite. Flügel gebräunt, am Basalteil !/, gelblich, Adern und Tegule gelbbrann.
L. 11—12 mm., Br. 4 mm.
d dem 2 ähnlich, Antenne länger, erreichen fast den Meta- thorax, Segment 4 mit gelbfilziger Basis, 6. kahl, zugespitzt, mitten rundlich ausgeschnitten, davor eingedrückt. Ventral- segmente häutig gerändert, 4 etwas verlängert. Beine schwarz, unbewehrt, alle Tarsen verbreitert, aber schwarz, besonders die am I und II Beinpaar.
E28), 9 mm. Br. 3)/,.mm.
d'? mehrfach von Salatiga auf Java, ROEPKE leg., ferner van Samarang im April—Mai, JACOBSON leg. und 1 2 von den Karimon—Djawa Inseln im April 1905, JACOBSON leg, ı 2 auch von Buitenzorg, SCHMIEDEKNECHT leg. an Labiaten liegend. |
Typen in Coll. FRIESE und in Leidener Museum.
Ad. No. 58. — Megachile aiboscopacea FRIESE. Koog Mas FRIBSE Mo Ain Ze Hym.'Dipt. Vs 3p. 350:
2. Nigra, sparsim nigro-hirta, ut 7. disjuncta, sed multo minor; segmento medio segmentoque I. utrinque albohirtis; scopa nivea; pedibus albido-hirtis, metatarso angustiore. — Long. 10—11 mm. lat. 3!/, mm.
=
d ut femina, sed facie albo-hirta; segmentis 2.—5. utrin- que albido-fimbriatis, 6. convexo, ante apicem fossulato; ventre albo-tomentoso, coxis I gibbosis. — Long. 8— IO mm., lat. 3 mm.
2. Schwarz, sparsam schwarz behaart, ähnlich der 47. disjuncta, aber viel kleiner; Kopf und Thorax viel grober gerunzelt, fast gerieft; Gesicht braun behaart; Mittelsegment ganz und Segment 1 nur jederseits mit dieser Behaarung ; Scopa schneeweiss, nur auf Segment 6 und Endhälfte von 5 schwarz. Beine mehr weisslich behaart, Metatarsus schmaler, nur !/, so breit wie die Tibie. Flügel schwarzblau mit
38 DR. H. FRIESE, ANHANG ZUR:
hyaliner Basis, Adern und Tegula braun. — L. 10—11 mm. Br. 22, mm:
d dem 2 ähnlich, aber Gesicht weiss behaart, besonders der Clypeusrand; ausser Segment 1 sind auch die Ränder von 2—5 seitlich mehr oder weniger weisslich gefranst, 6 gewölbt, ganzrandig, vor der Spitze mit schiefer Grube. Ventralsegmente gewölbt, weissfilzig. Beine einfach, weisslich behaart, Coxa I mit kleinem Höcker. — L. 8—10 mm., Br mm:
Zahlreiche 9 £ von Java, Buitenzorg im botanischen Garten, Januar 1902. (Dr. O. SCHMIEDEKNECHT leg.)”
Ad. No. 61. — Megachile sicheli FRIESE.
19034 Mss FRIESE (042 ne “Ze Elm Dip Even ip 1904.” Ms: FRIESE rd. ?rebendarv. 2797220.
2. Nigra, nigro-hirta, ut JZ. heteroptera, sed scopa nigra. Long. 17 —18 mm, lat. 6 mm.
d ut femina, sed facie ventreque albido-hirtis; segmento 6. minuto, rotundato, convexo, ante apicem fossulato; tarsis fuliginosis; coxa I mucronatis. — Long. 12 mm, lat. 4 mm.
@. Schwarz, schwarz behaart, wie MW. heteroptera, aber Scopa einfarbig schwarz, wie SICHEL bereits eine Form als kleinere Varietät erwähnt; die angeblichen innen 2-zähnigen Mandibeln dürften nur bei alten Exemplaren vorkommen, bei meinen Exemplaren sind die Mandibel genau wie bei heteroptera gebildet, ebenso ist auch der Metatarsus conform. Long. 17-18 mm., Br. 6 mm.
d wie das ®, aber Gesicht und Unterseite weisslich be- haart; Clypeusscheibe kahl; Segment 6 klein, einfach gerundet, schwach gewölbt, vor dem Ende mit Grube, ganz- randig. Bauch kahl, Segmente rot gerandet. Beine weisslich behaart, Tarsen einfach und braun, Coxa I kurz: bedornt. Beine und Flügel sonst genau so wie bei keteroptera gebildet, die aber ein viereckiges, stark gekieltes Segment 6 hat, das mitten ausgerandet ist. — L. r2 mm., Br. 4 mm.
Mir liegen z. Zt. 2 d 4 2 von Java (Buitenzorg im Januar) vor durch Freund SCHMIEDEKNECHT mitgebracht, ferner 1 ?
„DIE BIENENFAUNA VON JAVA”. 39
vom 4. Juni, Java, ı 2 von der Insel Wetter im April ge- fangen (Asia Arch. bei Timor. Im Mus. Budapest 3 2 von Celebes und Lombok.
1904. „Falls