*%!«•«,
V
"**■*"••
UITTREKSEL UIT 'E STATUTEN.
Aki
De Linschoten-Vereenic oorspronkelijke, van r ' ' zee- en landreizen en 1 ; .
Werken van anderen aard daartoe bijzondere aanleid i:
t ten doel de uitgave in het ■ uitgegeven Ncdcrlandsche , n,
len slechts uitgegeven, indien
lat.
De Vereeniging Dcstaai leden.
Over het toetreden der
De gewone leden betal» gulden.
Donateurs zijn zij, die / 500. — aan de Vereenigii van minstens / 40. — bet.
eleden, donateurs en gewone
list het Bestuur.
irlijksche bijdrage van vijftien
Iragc in eens van ten minste en, of jaarlijks een contributie
Het lidmaatschap loo] sten December.
De leden, die niet lan^ worden, moeten daarv.i cember schriftelijk beri aansprakelijk voor de 1
4- :i forsten Januari tot den laat-
'ianig wenschen aangemerkt te ' ' it'taris vóór den eersten De- •1. i.ij gebreke daarvan blijven zij an het volgend jaar.
. r. 5.
De leden ontvangen e< ■ c mplaar van de werken, die door het Bestuur aangewezen / n oor het jaar of de jaren, waarvoor zij hunne contributie lü 1 i etaald.
Voor alle nadere inlichting 1 wende men zich tot den Secretaris-Penningmeester, 1 nge Voorhout 9, 's-Gravenhage.
WERKEN UITGEGEVEN DOOR
DE LINSCHOTEN-VEREENIGING
XXXII
DE EERSTE SCHIPVAART DER NEDERLANDERS NAAR OOST-INDIÊ ONDER
CORNELIS DE HOUTMAN
1595— 1597 III
VERDERE BESCHEIDEN BETREFFENDE DE REIS
UTITKEKSEL CTT DE STATITTEX
AiT. 2. De ï »iii'iMT<iea--VgeeBaéEg bbsè: tss. dosi -Ï!: ^r^gsrre ia ïié^
Wieden ira» jmlfira aani wwJe* 40tf^isAi -^jiks^swsl
De VereciMgiag bestaat «t oerdgiVn, dcsiatsszs €a ssvcce
Orerhet tnftrFtVn der kdeaa. bs^st ^et BestJgHsr. De leewiiie lede» jjrtalf
IVDïïssterïr* ZCT zg, db
— :>»taka.
A2T. 4.
trt des i22t-
'£L'Jz
Beleed het Beste:
YMTk.
UITTREKSEL UIT DE STATUTEN.
Art. 2.
De Linschoten-Vereeniging heeft ten doel de uitgave in het oorspronkehjke, van zeldzame of onuitgegeven Nederlandsche zee- en landreizen en landbeschrij vingen.
Werken van anderen aard worden slechts uitgegeven, indien daartoe bijzondere aanleiding bestaat.
Art. 3.
De Vereeniging bestaat uit eereleden, donateurs en gewone leden.
Over het toetreden der leden beslist het Bestuur.
De gewone leden betalen een jaarlijksche bijdrage van vijftien gulden.
Donateurs zijn zij, die een bijdrage in eens van ten minste / 500. — aan de Vereeniging schenken, of jaarlijks een contributie van minstens / 40. — betalen.
Art. 4.
Het lidmaatschap loopt van den eersten Januari tot den laat- sten December.
De leden, die niet langer als zoodanig wenschen aangemerkt te worden, moeten daarvan aan den Secretaris vóór den eersten De- cember schriftelijk bericht zenden. Bij gebreke daarvan blijven zij aansprakelijk voor de bijdrage van het volgend jaar.
Art. 5.
De leden ontvangen een exemplaar van de werken, die door het Bestuur aangewezen zijn voor het jaar of de jaren, waarvoor zij hunne contributie hebben betaald.
Voor alle nadere inlichtingen wende men zich tot den Secretaris-Penningmeester, Lange Voorhout 9, 's-Gravenhage.
REGELEN
VOOR DE UITGAVEN DER
LINSCHOTEN-VEREENIGING
1. Zooveel mogelijk zal elke Zee- of Landreis, dan wel Landbeschrijving, afzonderlijk worden uitgegeven. Slechts bij al te geringen omvang van een dezer, kan een andere tekst toegevoegd worden aan de uitgave; deze toe te voegen tekst moet evenwel aansluiten in onderwerp, of den hoofdtekst aanvullen. Groote teksten worden in meer dan een deel gesplitst.
2. Voor elke uitgave wordt den bewerker als eisch gesteld: dat zij bevat als Inleiding een korte Biographie van den schrijver van 't reisverhaal; een uiteenzetting van de Aanleiding tot de reis; en een Bihliographie van eventueele \Toegere drukken van het reisverhaal; voorts ophelde- ring in den vorm van Noten onder den tekst, daar waar de tekst op- heldering vereischt, en een Register (of Registers), benevens een hjst van geraadpleegde werken met plaats en jaar van uitgave aan 't slot.
3. De bewerker heeft vrijheid, in zijne Inleiding het resultaat eener reis ook te beschouv.-en in zijn verband met later ondernomen reizen naar dezelfde streek of streken.
4. De noten onder den tekst moeten sohsr blijven, en niet vervallen in uit- weidingen. Is er echter bepaalde noodzakelijkheid om dieper in te gaan op het een of ander gedeelte van den tekst, dan mag dat geschieden in een Bijlage achteraan. Ook hier echter blijft soberheid phcht.
5. De tekst zelve moet met de grootste nauwkeurigheid herdrukt worden naar de beste oudere uitgaven, c.q. nauwkeurig gedrukt naar het hand- schrift dat voor de uitgave dient. De origineele paginatuur van dien standaarddruk, dan wel van het handschrift, wordt in de uitgave der Linschoten-Vereeniging tusschen groote haken [] doorloopend mede- opgenomen.
6. Als algemeene regel geldt dat de tekst onverkort wordt gedrukt. Uitla- tingen zijn slechts dan veroorloofd, als het iets geheel onbelangrijks geldt. De bewerker moet dan echter in een noot toch rekenschap geven van wat hij wegliet.
7. Indien er voor de kennis van eene bepaalde Zee- of Landreis, behalve de aan den druk ten grondslag gelegde tekst, in archieven of bibliothe- ken nog andere bronnen bestaan, moeten deze bij de uitgave gebruikt en (indien noodig) in inleiding, noten of bijlagen verwerkt worden.
8. Het opnemen van kaarten en platen wordt aan den bewerker overge- laten, in overleg met de Commissie van voorbereiding.
Zij, die als lid toetreden tot de Linschoten-Vereeniging (jaarlijksche contributie ƒ 15. — ) kunnen één exemplaar van onderstaande werken ont- vangen als volgt:
1909. I. De Reis VAN Jan CoRNELisz. j\Iay . . , voor/ 10. —
Henry Hudson in Holland uitverkocht
1910. II. Itinerario van J. H. van Linschoten.
2 dln voor f 20. —
III. Korte Historiael ende journaels aen-
TEYCKENINGEN VAN VERSCHEYDEN VOYA-
^911-^ GiENS DOOR d. David Pietersz. de Vries voor - 10. —
IV. De Reis van Mr. Jacob Roggeveen . . voor - 10. — V. Beschryvinghe van het Gout Koninc-
KRIJCK VAN GUNEA DOOR P. DE MaREES VOOT - 10. — 1912.^
VI. TOORTSE DER ZEEVAART, DOOR DiERICK
Ruiters — Samuel Brun's Schiffarten . voor - 10. —
1913. VII. De Eerste Schipvaart der Nederlan-
ders NAAR OoST-InDIË ONDER CORNELIS
DE Houtman, Deel I voor - 20. —
VIII. Reizen van Jan Huyghen van Linscho- ten NAAR HET NoORDEN VOOr - 1 6. —
1914-^ IX. DiRCK Gerritsz. Pomp, ALIAS DiRCK Ger- RiTsz. China. Zijn reis naar en ver- blijf IN Zuid-Amerika voor - 10. —
X. De Open-Deure tot het Verborghen
Heydendom, door Abraham Rogerius . voor - 10. — I9i5.<
XI. Reizen in Zuid-Afrika in de Holland- se tijd. DeeII uitverkocht
XII. Reizen in Zuid-Afrika in de Holland- se tijd. Deel II uitverkocht
1916. ,
XIII. De Oost-Indische Compagnie in Cam- bodja en Laos voor ƒ 16. —
XIV. Reizen van Willem Barents, e. a. n. h. Noorden. Deel I uitverkocht
1917. {
XV. Reizen van Willem Barents, e. a. n. h.
Noorden. Deel II uitverkocht
1918. XVI. JOURNAEL van DE REIS NAAR ZuID-AmERI-
KA, door Hendrik Ottsen voor/ 16. —
1919, XVII. De Reizen van Abel Janszoon Tasman
EN Franchoys Jacobszoon Visscher . . voor - 20. —
I92I. 1922.
1923.
1924.
VI
I920. XVIII. Verhaal van het vergaan van het
JACHT „DE Sperwer" voor -12. —
XIX. Henry Hudson's Reize onder Neder-
landsche vlag voor - 1 2. —
XX. Reizen in Zuid-Afrika in de Holland- se tijd. Deel III voor- 12. —
XXI. De reis van Mahu en de Cordes door DE Straat van Magalhaes naar Zuid-
Amerika EN Japan. Deel I voor - 12. —
XXII. De reis van Mahu en de Cordes door DE Straat van Magalhaes naar Zuid- Amerika en Japan. DeeI II voor - 12. —
XXIII. Hessel Gerritsz., beschryvinghe van
DER SaMOYEDEN LANDT EN HlSTOIRE DU
PAYS NOMMÉ Spitsberghe voor - 8. —
XXIV. De reis van Mahu en de Cordes door DE Straat van Magalhaes naar Zuid- Amerika en Japan. Deel III voor- 10. —
1925. XXV, De eerste schipvaart der Nederlan- ders NAAR OoST-InDIË ONDER CoRNELIS
DE Houtman, Deel II voor - 28. —
XXVI. De Stichting van New- York in Juli
1625 voor - 12. —
XXVII. De reis om de Wereld door Olivier
VAN NooRT Dl. I voor - 12. —
! XXVIII. De reis om de Wereld door Olivier
VAN NooRT Dl. II voor -12. —
XXIX. De eerste Nederlandsche transatlan
TISCHE StOOMVAART IN 1827 VAN Zr Ms
Stoompakket Cura^ao Deel I voor - 8. —
XXX. De Zeeuwsche Expeditie naar de West
ONDER CORNELIS EVERTSEN DEN JONGE VOOr - 10. — •
XXXI. De Remonstrantie van W. Geleynssen
DE Jongh voor - 5. —
Wat den inhoud en het uiterlijk betreft sluiten zich de onderstaande werken aan de Werken der L.-V. aan. Zij worden voor de leden der L.-V. tegen verminderden prijs verlmjgbaar gesteld.
Baldaeus, Afgoderye der Oost-Indische Heyde-
NEN voor/ 9. —
DE ViLLiERS, Storm van 's-Gravesande voor - 1 0. —
Warnsinck, De retourvloot van Pieter de Bitter voor - 6. —
Wessels, Early Jesuit Travellers in Central Asia voor - 9. —
IJzerman, Cornelis Buysero te Bantam, i6i6 — 18 voor - 7.50
1926. 1927.
Werken der Linschoten-Vereeniging
I. DE REIS VAN JAN CORNELISZ. MAY naar de Ijszee en de
Amerikaansche kust, 1611 — 1612. Verzameling van beschei- den, uitgegeven door S. Muller Fz. 1909. Met 2 kaarten, gr. 8vo. In linnen band, kop verguld / 12.50
HENRY HUDSON IN HOLLAND. An inquiry into the origin and objects of the voyage which led to the discovery of the Hudson River by Henry C. Murphy. Reprinted, with notes, documents and a bibliography, by Wouter Nijhoff, Hon. Secretary to the „Linschoten-Vereeniging". 1909. uitverkocht
II. ITINERARIO. Voyage ofte schipvaert van Jan Huyghens van Linschoten naer Oost ofte Portugaels Indien, 1597 — 1592. Uitgegeven door H. Kern. 1910. 2 dln. Met portret, 3 kaarten en 5 platen, gr. 8vo. In linnen band, kop verguld
/ 25.—
III. KORTE HISTORIAEL ende Journaels Aenteyckeninge van verscheyden voyagiens in de vier deelen des wereldtsronde, als Europa, Africa, Asia ende America gedaen door d. David PiETERsz. DE Vries. Uitgegeven door H. T. Colenbrander. 1911. Met portret, 2 kaarten en 18 platen, gr. 8vo. In linnen band, kop verguld / 12,50
IV. DE REIS VAN MR. JACOB ROGGEVEEN ter ontdekking van het Zuidland, 1721 — 1722. Verzameling van stukken, uitgegeven door F. E. Baron Mulert. Met een aanhangsel over de waarnemingen der kompasmiswijzing op Rogge- veen's tocht, verricht door W. van Bemmelen. 1911. Met 3 kaarten en 2 platen, gr. 8vo. In linnen band, kop verguld
/ 12.50 V. BESCHRIJVINGHE ende historische verhael van het Gout Koninckryck van Gunea anders de Gout-custe de Mina ge- naemt, liggende in het deel van Afrika, door P. de Marees. Uitgegeven door S. P. L'Honoré Naber. 1912. Met i kaart en 21 platen, gr. 8vo. In linnen band, kop verguld / 12.50
VI. TOORTSE DER ZEEVAART door Dierick Ruiters, 1623 — Samuel Brun's Schiffarten, 1624. Uitgegeven door S. P. L'Honoré Naber. 1914. Met i kaart en i plaat. gr. 8vo. In linnen band, kop verguld / 12.50
VIL DE EERSTE SCHIPVAART der Nederlanders naar Oost- Indië onder Comelis de Houtman, 1595 — 1597. Journalen, documenten en andere bescheiden, uitgegeven en toegelicht door G. P. Rouffaer en J. W. IJzerman. Eerste deel. d'Eerste boeck van Willem Lodewycksz.1915. Met titelplaat, 2 portretten, 8 kaarten en 47 platen, gr. 8vo. In linnen band,
kop verguld / 25. —
VIII. REIZEN VAN JAN HUYGHEN VAN LINSCHOTEN naar het Noorden, 1594 — 1595. Uitgegeven door S. P. L'Honoré Na- ber. 1914. Met 14 platen en 4 kaarten, gr. 8vo. In linnen band, kop verguld / 20. —
IX Dl
|
3^ D |
|
i^ |
|
E- |
|
-*- |
|
-n. |
|
jz: « |
4.
r.
VIL
|
STAil^ |
v_t:r.-.-^ |
|
«r:^ - ^ |
|
|
-rïu~^' |
|
|
3::.. |
iO^'^ |
|
?ïr:i- |
|
|
3t. .- 3-1- |
-zmm. Zit
.■- Me
■V
%^
» ..♦
(li^
};»«
001^
iW^
:<!«»»••
^rw 1t ^1^^^
H -
ïJ^'
L,.,
: : .^ti.a':t>J'NiM
IX
XX REIZEN IN ZU!
%' :. . la:.^. . . Icidint: ■• 8 plattr
XXI. DEREIb
Magalt.-. Sche* : ten ,
ste ded. ten < :
XXII. DE REIS VAN M
ten ■ de deel. bee!
Inh:.:
XXIII. HESSEL
Landt • doorS. i lafb. u;
XXIV. DE ! ■ Ma. Sch' ten , c i . tfeel. li kaarter kop %•
XXV. DE EERSl
Ind: do: do<^ :
Va:
facï.:---.
XXVI. DE STIC! stru Doe- platen, gr.
XXVII. DE REI
1601. W. IJz platen c. -
XXVIII. DE REF "
1601. ;
W. IJz gr. 8vo. ^
FRIKA in de Hollandse tijd. Uitgege-
! RGEN. Derde deel. Tochten
; Oosten, 1670— 1752. Met in-
Mus Meyjes. 1922. Met 6 kaarten en
nen band, kop verguld. . . / 15. —
EN DE CORDES door de Straat van i -Amerika en Japan, 1598— 1600. rt..,i brieven, zeilaanwijzingen, kaar- .icht door F. C. Wieder. Eer- . n (R- Mjheepstocht. 1923. Met 22 pla- . o. In linnen band. kop verguld / 15.—
HU EN DE CORDES door de Straat van ■ \mcrika en Japan, 1598— 1600. i brieven . zeilaan wij zingen . kaar- F.C. W ieder. Twee- . ; Met 8 kaarten. 48 af- n li uiulaande tabellen, gr. 8vo. ,.i.J / '5-
^ I^<;c}i,-x,-s7in^he van der Samoyeden
T' .-ven
. , il en
~ vo. In linnen bandi, kop verguld / 10.—
" ^ CORDES door de Straat van
.;n en Japan, 1598— 1600.
n. zeilaanuijzingcn, kaar-
.. door F. C. Wieder. Derde
schip in Japan. 1925. Met 2
,1. ut- i ucelen. gr. 8vo. In linnen band,
,,,.... / 12.50
•VAART der Nederlanders naar Oost-
' II , .r^Tor^ i5C)5 — 1597- Journalen,
, uitgegeven en toegelicht
j. u . IJzerman. Tweede deel. De
Verhael (1597), Joumael (1598),
' Ir-t 15 kaarten, 18 platen en 6
band, kop verguld . / 35. —
\N NEW-YORK in Juli 1625. Recon-
• end aan de van Rappard
. : . 1925. Met 28 kaarten en
nen band, kop verguld . . • / 15.—
- TT n ■ 01 i vier van Noort, 1598 —
.ingen, uitgegeven door J.
ie deel. 192O. Met portret, 2 kaarten, 35
...- s. gr. 8vo. In linnen band. kop verguld
'VERELD door Olivier van Noort, 1598—
. n aanteekeningen, uitgegeven door J.
ede deel. 1926. Met 11 kaarten en platen.
and, kop verguld / '5.—
vin
IX. DIRCK GERRITSZ. POMP, alias Dirck Gerritsz. China. De eerste Nederlander die China en Japan bezocht, 1544 — 1604. Zijn reis naar en verblijf in Zuid-Amerika. Grootendeels naar Spaansche bescheiden bewerkt door J. W. IJzerman. 1915. Met 2 kaarten.gr. 8vo. In linnen band, kop verguld / 12.50
X. DE OPEN DEURE tot het verborgen heydendom, door Abra- ham RoGERius. Uitgegeven door W. Caland. 1915. Met titelplaat.gr. 8vo. In linnen band, kop verguld . . / 12.50
XI. REIZEN IN ZUID-AFRIKA in de Hollandse tijd. Uitgege- ven door E. C. GoDÉE Molsbergen. Eerste deel. Tochten
naar het Noorden, 1652 — 1686. 1916 uitverkocht
XII. REIZEN IN ZUID-AFRIKA in de Hollandse tijd. Uitgege- ven door E. C. Godée Molsbergen. Tweede deel. Tochten naar het Noorden, 1686 — 1806. 1916 uitverkocht
XIII. DE OOST-INDISCHE COMPAGNIE in Cambodja en Laos. Verzameling van bescheiden van 1636 — 1670. Uitgegeven en toegelicht door Hendrik P. N. Muller. 1917. Met i kaart en 3 afbeeldingen, gr. 8vo. In linnen band, kop verguld
/ 20.—
XIV. REIZEN VAN WILLEM BARENTS, JACOB VAN HEEMS- KERCK, JAN CORNELISZ. RIJP en anderen naar het Noor- den, 1594 — 1597. Verhaald door Gerrit de Veer. Uitgege- ven door S. P. L'Honoré Naber. Eerste deel. 1917.
litti^pyR.ocJtt XV. REIZEN VAN WILLEM BARENTS, JACOB VAN HEEMS- KERCK, JAN CORNELISZ. RIJP en anderen naar het Noor- den, 1594 — 1597. Verhaald door Gerrit de Veer. Uitgege- ven door S. P. L'Honoré Naber. Tweede deel. (Inleiding en Bijlagen). 1917 uitverkocht
XVI. JOURNAEL VAN DE REIS NAAR ZUID-AMERIKA door Hendrik Ottsen, (1598 — 1601). Met inleiding en bijlagen, uitgegeven door J. W. IJzerman. 1918. Met 3 kaarten en 5 platen, gr. 8vo. In linnen band, kop vergiild . . . / 20. — XVII. DE REIZEN VAN ABEL JANSZOON TASMAN en FRAN- CHOYS JACOBSZOON VISSCHER, ter nadere ontdekking van het Zuidland (Australië) in 1642 — 1644. Met inleiding en aanteekeningen uitgegeven door R. Posthumus Meyjes. 1919. Met 10 gedeeltelijk gekleurde kaarten en 68 afbeeldin- gen, gr. 8vo. In linnen band, kop verguld . . . . / 25. — XVIII. VERHAAL van het vergaan van het jacht „de Sperwer" en van het wedervaren der schipbreukelingen op het eiland Quelpaert en het vasteland van Korea (1653 — 1666). Met eene beschrijving van dat rijk, door Hendrik Hamel. Uit- gegeven door B. H0ETINK. 1920. Met i kaart en 11 afbeel- dingen, gr. 8vo. In linnen band, kop verguld . . . / 15. —
XIX. HENRY HUDSON'S REIZE onder Nederlandsche vlag van Amsterdam naar Nova Zembla, Amerika en terug naar Dart- mouth in Engeland, 1609. Volgens het journaal van Robert JuET, uitgegeven door S. P. L'Honoré Naber. 1921. Met 4 kaarten en 3 platen, gr. 8vo. In linnen band, kop verguld
/ 15.-
IX
XX. REIZEN IN ZUID-AFRIKA in de Hollandse tijd. Uitgege- ven door E. C. GoDÉE Molsbergen. Derde deel. Tochten langs de Z. O. Kust en naar het Oosten, 1670 — 1752. Met in- leiding van R. Posthumus Meyjes. 1922. Met 6 kaarten en 8 platen, gr. 8vo. In linnen band, kop verguld. . . / 15. —
XXI. DE REIS VAN MAHU EN DE CORDES door de Straat van Magalhaes naar Zuid-Amerika en Japan, 1598 — 1600. Scheepsjournaal, rapporten, brieven, zeilaan wijzingen, kaar- ten, enz. Uitgegeven en toegelicht door F. C. Wieder. Eer- ste deel. De uitreeding en de scheepstocht. 1923. Met 22 pla- ten en 3 kaarten, gr. 8vo. In linnen band, kop verguld / 15. —
XXII. DE REIS VAN MAHU EN DE CORDES door de Straat van Magalhaes naar Zuid-Amerika en Japan, 1598 — 1600. Scheepsjournaal, rapporten, brieven, zeilaanwij zingen, kaar- ten, enz. Uitgegeven en toegelicht door F. C. Wieder. Twee- de deel. De Straat van Magalhaes. 1924. Met 8 kaarten, 48 af- beeldingen en facsimile's en 11 uitslaande tabellen, gr. 8vo. In linnen band, kop verguld / 15. —
XXIII. HESSEL GERRITSZ., Beschryvinghe van der Samoyeden Landt en Histoire du pays nommé Spitsberghe. Uitgegeven door S. P. L'HoNORÉ Naber. 1924. Met 5 kaarten, i plaat en lafb. inden tekst. gr.8vo. In linnen band, kop verguld/ 10. —
XXIV. DE REIS VAN MAHU EN DE CORDES door de Straat van Magalhaes naar Zuid-Amerika en Japan, 1598 — 1600. Scheepsjournaal, rapporten, brieven, zeilaanwijzingen, kaar- ten, enz. Uitgegeven en toegelicht door F. C. Wieder. Derde deel. Het eerste Hollandsche schip in Japan. 1925. Met 2 kaarten en register op de 3 deelen. gr. 8vo. In linnen band, kop verguld / 12.50
XXV. DE EERSTE SCHIPVAART der Nederlanders naar Oost- Indië onder Comelis de Houtman, 1595 — 1597. Journalen, documenten en andere bescheiden, uitgegeven en toegelicht door G. P. RouFFAER en J. W. IJzerman. Tweede deel. De
oudste journalen der reis: Verhael (1597), Journael (1598), Van der Does (HS.). 1926. Met 15 kaarten, 18 platen en 6 facsimile's, gr. 8vo. In linnen band, kop verguld . / 35. —
XXVI. DE STICHTING VAN NEW-YORK in Juli 1625. Recon- structies en nieuwe gegevens ontleend aan de van Rappard Documenten, door F. C. Wieder. 1925. Met 28 kaarten en platen, gr. 8vo. In linnen band, kop verguld . . . / 15. —
XXVII. DE REIS OM DE WERELD door Olivier van Noort, 1598— 1601. Met inleiding en aanteekeningen, uitgegeven door J. W. IJzerman. Eerste deel. 1926. Met portret, 2 kaarten, 35 platen en 2 facsimile's, gr. 8vo. In linnen band, kop verguld
/ 15.-
XXVIII. DE REIS OM DE WERELD door Olivier van Noort, 1598— 1601. Met inleiding en aanteekeningen, uitgegeven door J. W. IJzerman. Tweede deel. 1926. Met 11 kaarten en platen, gr. 8 vo. In linnen band, kop verguld / 15. —
X
XXIX. DE EERSTE NEDERLANDSCHE TRANSATLANTISCHE STOOMVAART in 1827 van Zr. Ms. Stoompakket Cura^ao, door J. W. VAN NouHUYS. Eerste deel. Het Journaal. 1927. Met 7 platen en kaarten, gr. 8vo. In linnen band, kop ver- guld / 10.—
XXX. DE ZEEUWSCHE EXPEDITIE NAAR DE WEST onder Cornelis Evertsen den Jonge, 1672 — 1674. Nieuw Nederland een jaar onder Nederlandsch Bestuur. Uitgegeven door C. DE Waard. 1928. Met 7 platen en kaarten, gr. 8vo. In lin- nen band, kop verguld / 12. —
XXXI. DE REMONSTRANTIE van W. Geleynssen de Jongh. Uitge- geven door W. Caland. 1928. Met een kaart en een portret, gr. 8vo. In linnen band, kop verguld / 6. —
Werken die zich, wat inhoud en uiterlijk betreft, aansluiten aan de Werken der Linschoten-Vereeniging.
Baldaeus, Philippus, Afgoderye der Oost-Indische heydenen. Op -
nieuw uitgegeven en van inleiding en aanteekeningen voorzien, door A. J. DE Jong. 1917. LXXXV en 236 blz. Met 13 platen . gr. 8vo. In linnen, kop verguld f 12. —
ViLLiERs, J. A. J. DE, Storm van 's-Gravesande. Zijn werk en zijn leven. Uit zijne brieven opgebouwd. 1920. 416 blz. Met een kaart en facsimiles. gr. 8vo. In linnen, kop verguld f 15. —
Warnsinck, J. C. M., De retourvloot van Pieter de Bitter, (Kerstmis 1664 — Najaar 1665). 1929. VII en 135 blz. Met 7 afbeeldingen en 2 kaarten, gr. 8 vo. In linnen, kop verguld f 7.50
Wessels S. J.,C., Early Jesuit travellers in Central Asia. 1924. XVI en 344 blz. Met i kaart en 5 platen, gr. 8vo.
In linnen, kop verguld f 12. —
IJzerman, J. W., Cornelis Buysero te Bantam, 1616 — 1618. Zijn brieven en journaal met inleiding en bijlagen 1923. XXIV en 272 blz. gr, 8vo. In linnen, kop verguld f 10. —
JAN JANSZ. KAEREL. DE JONGE
(Uit het Schilderij van Gerrit Pieterse Sweelinck)
DE EERSTE SCHIPVAART
DER
NEDERLANDERS
NAAR OOST-INDIË
ONDER
CORNELIS DE HOUTMAN
1595-1597
JOURNALEN, DOCUMENTEN EN ANDERE BESCHEIDEN UITGEGEVEN EN TOEGELICHT DOOR
Dr G. P. RÖUFFAER en Dr J. W. IJZERMAN
III
VERDERE BESCHEIDEN BETREFFENDE DE REIS
MET I KAART, 3 PLATEN EN 10 FACSIMILE'S
'S-GRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF 1929
r ^
INHOUD
' i
xcc
&2S. WKKtl WCKX'V.
AvoTTKrs — :. — ^C5
V5a\1
liet iirtnu.w
>^KC4
iat»-?^
* V.
^;s«r
'^J^s^S
<-^
^ï*-^5$
^1
1114912
INHOUD
Bladz.
Opdracht xvil
Een woord vooraf xix
Inleiding xxi — lxxv
MONTANUS (XXV) — HUGO DE GrOOT (xXX) — AERNOUT LiNTGENS (XXXVUI) — JERONIMUS MARIJEN (li) —
Anonymus (ui) — Cornelis Jansz. Turck (lui) — Aan- teekeningen betreffende de reis, het verkort Journaal enz. (lvi) — Brieven uit Bantam (lviii) — Dossier van Boninghen (lx) — Jacob Jansz Kackerlack (lxxi) — Cornelis Jansz Ceullen (lxxiii) — Plancius (lxxiv). —
V en VI
^i^tatiétï}z ^c^djrtjbitiaöe ücr ftct tuijt üccaembe Caop*
ItabtStmiJtecbam, €cr^t in Xatuti gDcötcIt cnbc fieöcDrebcn üoorSaö. 3f|adum Pontanum, €nbt &ö ben êclben bact nae ncet^ticö obEtgien enbc op bele jjlaetöen bermccrbcrt cnbe ücrfictert, €nbc nu in ïjtt Mtüct' öunt^ oUec güc^ct boac Pcttum .öSantanitm.SCm^tctobami, Juöcane ®i* gflanti €:cubit Sfubocu^ Hjonbiuj Stn. ^. 1614
Het vier en twintichste Capittel.
De eerste vaert na Oost-Indien by die van Amsterdam begonnen ;
ende de historie ende wtcomste derselver ordentlick gestel t, . . 1-58
VII (0\iet ïjtt fiuitrcdjt
(Vertaling uit Hugonis Grotii de Jure praedae commentarius,
ed. H. G. Hamaker, Den Haag, 1868) 59-71
VIII
1597 journaal ban SCcrnaubt 3Cintgcn^ ïi^cdjaeï liaut toöeeunc niu apt €ijUanbt ban ^^acHe toe* öcrbacren lé, etc. 73-103
C
journaal ban Sjfroniniu^ .HQarycn 105-117
D
journaal ban een onbeftenbe 1 19-133
XIV
Bladz.
E en F gioucnaaï ban ben taïft Corncïf^ 3?an^5 ^urcft
E. van 24 Maart tot 8 December 1595
F. van 24 Maart tot 17 September 1595 . . . . 135-181
H, M, N, en L
SCanteeficnlnöEn öctrcffcnöe öc rei? en fietrcffcutie yro*
öuctcn EU öaiibdploarEn 183-194
SCantccftcnfngcn üetrcffcube öe rci^ ban be l^aUanbia . . 185 l^crftact Slauniad ban be rci^, gcöoubcn aaii üaacb bec l^aïïanbia 188
pactg^En baec ^^epec toa^t 193
J
^SriEftaf^^EÏinotijbcn^ljEtbErölijf te bantam. . . . 195-210
Brieuen van den 3. Augustus tot den 19. Augustus 1596 ge- schreuen aen mijn Heeren van tCollegium door mijn Jan Janss. Carel tot Bantam 197
K ^tuftftEU KJEtrEffEubE CammiE^ O^ECcit ban ^^oninoöc" • 211-284
Lijst der stukken 213
Aanhangsel: Stukken betreffende Van Boninghen na diens terugkeer te Amsterdam 278
A
Slournaaï ban 3facoö 3fan^5 HiacftErïacft.
eec^t antjecêtuutman, latct Stuurman oy öc Ifoïlanbia .... 285-338 HitEEi^ 287
^Ijui^'tEi? 316
Bijlage : De landverkenningen van Oost-Java en de eruptie- punten aldaar door S. P. L'Honoré Naber 331
B
journaal ban CornEÏi^ 3fan?\'n CEUÏÏEn,
Stuurman ban I^ct (Dui fficn 339-40S
G
3Ü3EnioEiE ban PEtrns piancius niet EEn uittrEliGEÏ uit bE aan- tEEftEninöEu ban jprEbErilï bE i^outman 409-432
I. ©anbcgrabcn öcc I.nictc cnbc Ijct affinctcn bcr ^eluct boor \jtt ^oorb- oo^tcrcn cnbc .iDoorblucptcrcn bcr iiaclbc 411
II. extract lutc^cIjtiftciiüaiijFrcbricUCjoutman, etc 426
Toelichtingen door S. P. L'Honoré Naber 433
XV
Bladz.
Platen en Kaarten
1. Portret van Jan Jansz. Kaerel, de jonge tegenover den titel
2. De compagnie schutterij van kapitein Jan, Jansz. Kaerel in 1604 xxix
3. Kaart van het eiland Bali XLVii
4. Teekening van het Astrolabium Catholicum met beweegbaren wij-
zer en verschuifbaar „armken" 438
Facsimile's van Brieven
1, Brief van Willem Lodewycx uit zijn gevangenschap in Bantam
dd. 8 October 1596. Handschrift van Willem Lodewycx, . .210
2, Brief van Gerrit van Boninghen dd. 18 September 1595, Hand-
schrift van Gerrit van Boninghen 216
3, Brief van den stuurman Keyser aan den scheepsraad, dd, 18 Oc-
tober 1895. Handschrift van PieterDircksz. Keyser, . . 230/31
4, Verklaring dd. 21 October 1595 van Muelenaer en 3 Commiezen,
omtrent een gezegde van Van Boninghen, Handschrift van Comelis de Houtman 233
5, Slot van het Protest van eenige adelborsten, geschreven 20
November, ingediend 5 December 1595, Handschrift van Jeronimus Maryen. 240
6, Slot van den Algemeenen Pardonbrief, dd. 28 December 1595.
Handschrift van Barent Heynck 249/50
7, Uittreksel uit het Journaal van Comelis de Houtman. Handschrift
van Paulus van Caerden , 253
8, Bekentenis van Hans Brouwer op 11 Mei 1596. Handschrift van
Reynier van Heil 263
9, Slot der verklaring van Cornelis van Eemskerck van 9 Juni 1596,
Handschrift van Cornelis van Eemskerck 268/69
10. Veroordeeling van Van Boninghen door den scheepsraad op 10
Juni 1596. Handschrift van Willem Lodewycx 269/70
VERBETERINGEN
p, 28, noot 2, liefghetal= geliefd; wordt in deze beteekenis veelvuldig gebruikt, komt ook als familienaam voor. Cornelis Pieterse, wed^ van Bergen op Zoom, trouwt 26 Nov. 1586 Janneken Liefghetal van Nijenhoven (Trouwboek Middelburg)
p. 43, noot 2: Lees voor p. 103, p. 303.
AAN
DE NAGEDACHTENIS
VAN
GERRET PI ETER ROUFFAER
AAN
DE NAGEDACHTENIS
VAN
GERRET PIETER ROUFFAER
EEN M^OORD VOORAF.
Reeds vóór zijn vertrek naar Oost-Indië, in April igog had Rouf- faer den wensch uitgesproken, de bewerking van Willem Lodewycx' „d' Eerste boeck" voor de jonge Linschoten Vereenigifig op zich te ne- men, en na zijn terugkeer haastte hij zich, zoodra hij voldoende op krachten gekomen was, met geestdrift die taak ter hand te nemen. Reeds in Februari igi2 ging zijn, tot nu toe zo^ider gevolg gebleven, oproep uit tot opsporing van drie reisjournalejt, die van Cornelis de Houtman, Janjansz Carel de jmige en Jelle Jellesz Valckenier. Maar eerst in Maart 1915 kan het eerste deel van de Eerste Schipvaert der Nederlanders naar Oost-Indië verschijnen met de opmerking, dat ziekte het gereedkomen daarvan lang had vertraagd. Sedert bleef hij lijdende.
In hetzelfde jaar igi$ werd begonnen met de bewerking van het tweede deel, waarin hei Verhael, het Journael en Franck van der Does' Cort verhael behandeld zijn. Tien jaar later, in Maart 1925, teekende hij de „Inleiding" en een jaar daarna volgde, zonder dat hij zelf daartoe de vergunning had kunnen geven, de uitgaaf.
Met krachiigen wil en onverzwakt enthousiasme had Rouffaer voortdurend gestreden tegen de tot machteloosheid doemende ziekte, die zijn lichaam ondermijnde, en daarbij dankbaar ieder uur gebruikt, waariti hem werken mogelijk was.
In Februari ig26 werd de heldere geest verduisterd en stierf hij voor de wetenschap, die hij met zooveel toewijding had gediend; in den nacht van 8 op g Januari ig28 blies hij den laaisten adetn uit.
Op zijn verzoek heb ik, vooral bij het begin der werkzaamheden aan Lodewycx' journaal, toen verschillende onderzoekiyigen te doe^i wa- ren in het Rijksarchief en elders, het mijne gedaan om den arbeid voortgang te doen hebben. Maar mijn bemoeienis werd langzamerhand van minder beteekenis, zoodai dan ook het tweede deel nagenoeg geheel voor zijne rekening blijft. Trouwens ieder, die de otiuitputtelijke
XX
kennis en den die-pen speurzin, de schitterende woordenkeus en de machtige verbeeldingskracht van Rouffaer kent, zal dit ook zander deze verklaring begrepen hebben.
Thans rust op mij de taak het in igi2 begonnen werk te volt ooien Het is duidelijk, dat de eenheid in de uitvoering daaro7ider moet lij- den, en dat veel zal ontbreken, wat Rouffaer als van zelf kon geven, maar dat boven mijn krachten ligt. Ik ben getrouw gebleven aan de gedachte die ik in een briefkaart van i October igi2 uitdrukte: „Geheel deel ik Uw gevoelen, dat het wenschelijk is, zoo kort mogelijke noten te maken; ik zou zeggen zelfs zoo min mogelijk in getal".
In ieder geval is door het gereed komen van dit derde deel bereikt, dat alle, ook de tot nu toe niet gedrukte bescheiden betreffende de eerste reisnaar Oost-Indië, ei^idelijk het licht hebben gezien. Ik hoop, dat ynij de kracht zal worden gegeven ook het vierde en 7iaar ik vertrouw laatste deel, waarin meer bepaald over de liitrusting van den tocht, de perso- nen die daaraan deelnamen en de uitkomsten, die hij heeft opgeleverd, zal worden gehandeld, en waaraan een bibliografie zal worden toege- voegd, tot een gelukkig einde ie brengeti.
Met dankbaarheid maak ik melding van de hulp en voorlichting, die ik van verschillende zijden ondervond; van Mr. R. Bijlsma, archi- varis aa?i het Rijksarchief, die mij dikwijls met goeden raad ver- plichtte, van Dr. C. P. Burger, die de goedheid had de drukproeven te willest doorzien, van Prof. Dr. D. Cohen, die mij bij de vertaling van Hugo de Groot' s de jure praedae bijstond, van Dr. F. C. Wieder, bi- bliothecaris te Leiden, kolonel J . L. H. Luymes, chef der af deeling Hydrografie van het Dep. van Marine, van den heer C. C. Lekkerker- ker, archivaris van hei Bali-Instituut, van den heer J . F. L. de Bal- bian Verster ie Amsterdam, van deti oud-luiienant kolonel P.F. L. C. Lach de Bère, die bij het onderzoek van verschillende archieven ge- waardeerde diensten bewees; en vooral en in het bijzonder van den onvermoeiden werker, kolotiel S. P. l'Honoré Naber, die zoo vrien- delijk was, de toelichting tot de landverkenningen en tót de memorie van Plaficins op zich ie nemen, waardoor mijn taak verlicht iverd, en dit boek aan waarde gewonne>i heeft.
J. W IJ
INLEIDING.
Het eerste deel van dit werk is gewijd aan D' Eerste Boeck van Wil- lem Lodewycx. In het tweede worden behandeld het Verhael en het Journael van de Reyse, benevens het journaal van Frank vaji der Does. In afwijking van het oorspronkelijke, op p. XXVI van het eerste deel ontvouwde plan, werden daarin drie stukken niet mede op- genomen. Dat zijn: de ter zake dienende tekst uit Pontanus' histori- sche beschrijving van Amsterdam, de vertaling van een gedeelte van Hugo de Groot' s „De jure praedae" en het journaal van Aernout Lintgens' verblijf op Bali. Met deze drie bescheiden opent nu dit derde deel, terwijl daarna de nog ongedrukte volgen, welke op p.XX VII van het eerste deel worden opgenoemd. De stukken van zoo verschillenden inhoud, waaruit deze laatste verzameling bestaat, berusten {met de journalen van Van der Does en van Lintgens) in het Algemeen Rijks- archief, en zijn afkomstig uit het Archief der Compagnie van Verre.
Zonder twijfel was het aantal van dergelijke door de deelnemers aan de reis medegebrachte papieren veel grooter; een deel daarvan, zooals de logboeken van Keyser en Vechter Willemsz, de waarnemingen van FrederickHoutman en Siochnans, werden ter hand gesteld aan Plan- cius, een ander, grooter deel is op andere wijze verloren geraakt. Wan- neer men de vraag stelt, hoe de overgebleven bescheiden te zamen wer- den gebracht, dan moet het antwoord luiden: zeker niet door vrijwillige inlevering van den gedeeltelijk onvoltooiden arbeid der schrijvers. Daarvoor zal een dwangmaatregel noodig zijn geweest, waaromtrent niets bepaalds werd aangetroffen, maar die volkomen past in de ge- dachtensfeer, waarin de Bewindhebbers verkeerden.
Vóór het begin van de tweede reis onder het bevel van den admiraal Jacob Cornelisz van Neck, omstreeks den tijd, waarin het Journael ie Middelburg en D' Eerste Boeck te Amsterdam het licht zagen, eisch- ten de Bewindhebbers der pas gevormde Oude Oost-Indische Compag- nie van de deelnemers een verklaring, die aan duidelijkheid niets te wenschen overlaat. Zij lieten toch 24 April i^gS door „coopluijden ,
1) Deze stukken zijn beschreven door Mr. R. Bijlsma in ,, De archieven van de Com- pagnieën op Oost-Indië i 594 — 1603", den Haag, 1027. p. 5 — 9.
XXII
schipperen, ondercoophiyden, stuerluijden ende onder stuurluij den" schriftelijk bij eede heioven, dat zij „alle journalen, caerten, schriften, affteyckeningen van landen, steden, stromen, reden, capen ofte hoe- eken, hemelsteyckeneji, coursen ende alle dependentiën van deze zee- vaert op dese voyage gemaect, geannoteert, geschreven ofte vercregen, getrouwelick sullen overleveren in handen van den Admirael ofte Be- winthehheren" , hetzij dat zij daartoe verzocht werden of niet, zonder daarvan eenige copie of klad te mogen achterhoude?i of anderen mede te deelen. Verder, dat zij ook alles, wat hun met betrekking tot deze reis reeds ontdekt was, of hetgeen door de „ervarentheyt" tot hun ken- nis zou mogen komen, geheim zouden houden, zonder daarvan iemand tot nadeel der Compagnie eenige kennis te geven; en eindelijk, dat zij , als de reis volbracht was, niet voorbij de Kaap de Goede Hoop zouden varen in dienst van andere kooplieden of compagniën, maar alleen in dien van deze Compagnie, en dat voor een redelijk salaris, ter beoordee- ling van goede, zaakkundige mannen ^) .
Natuurlijk werd van de mindere schepelingen een dergelijke be- lofte gevorderd. Zoo hadden de Bewindhebbers zich verzekerd, dat al- leen op clandestiene wijze, hun iets van de op reis gemaakte aanteeke- ningen zou kunnen ontgaan.
Een overeenkomende verklaring hadden de deelnemers aan den eer- sten tocht niet behoeven af te leggen. Maar dit verzuim werd bij hun thuiskomst hersteld, toen allen volstrekte geheimhouding werd opge- legd. Dit blijkt uit een brief van 28 Augustus i^gy door Hans van Uffele, commissionair te Rotterdam, gericht aan den bekenden Daniel van der Meuten, een uitgeweken Ztiid-Nederlandsch koopman , toen gevestigd ie Leiden ^) . De schrijver had 13 A ugustus gehoord van den terugkeer der schepen uit Indië en van de aankomst der pinas, het Duifken, voor Enkhuizen. Verlangend nadere bijzonderheden om- trent het verloop der reis te ver^iemen, had hij een schuit gehuurd en zich van Amsterdam naar Enkhuizen begeven. Aan boord komende van het f acht, werd hij teleur gesteld. Hij had „alle pariiculariteijt ge- vraecht, doch tiiet volcommelijck connen versta en, overmidts op eede haer verboden" ').
i) Inventaris, no. 34,
2) Gem. Archief Leiden. Archief Van der Meulcn, Bundel 233 Zie over hem o a Wie- der, Reis door de Straat van Magalhaes, I p 16, 17,
3) Dit gaf \an Ufiele (die als schrijver de tweede reis n.iar het Noorden medemaakte in 1595; De \'ecr, 2e reis. p. 13), aanleiding, aan \ an der Mculen nadere inlichtingen te vragen. Hij vervolgt: „niet, twijfelende U.E nu int breede beter hebt verstaen, hope na goede informatie, alsoo ick versekert, U.E. de goede afiexie tot dcser geünieerde landen,
XXIII
Is hei nu gewaagd ie veronderstellen, dat de Bewindhebbers der Compagnie van Verre naast de belofte van geheimhouding, inlevering van alle medegebrachte papieren geëischt hebben? En ligt het niet in de rede de oorzaak van het onvoltooid blijven van sommige bescheiden , niet alleen in ziekte of dood, maar vooral ook in deze inbeslagneming te zoeken?
Bij de uitvaart was het doel van den tocht, waarvan de Bewindheb- bers zelf slechts een flauwe voorstelling hadden, zorgvuldig verborgen gehouden. Na den terugkeer was elke publicatie voor hen uit den booze, omdat daardoor gewaardeerde gegevens onder de oogen kwamen van ongewenschte mededingers in het binnen- en buitenland, die van hun duurgekochte cnidervinding partij zouden kunnen trekken. Zoo bleven de journalen van Frank van der Does en van Lintgens bij het archief van de V. O. I. C. verborgen, tot het eerste in 1864 door De Jonge, het tweede in 1856 door Leupe werd aan het licht gebracht. Dien ten gevolge worden de overige journalen en aanteekeningen eerst nu wereldkundig gemaakt.
Wie mededeelingen deed aan de pers, handelde tegeii zijn plechtig afgelegde belofte, en wanneer hij die niet mocht hebben gedaan, in ieder geval tegen den uitdrukkelijk uitgesproken wensch van de Be- windhebbers. Het Verhael en het Journael verschenen waarschijnlijk in verband daarmede zonder vermelding der namen van hen, die bij de samenstelling betrokken waren. Wanneer men, zooals in de Inleiding van Dl II beproefd is, deze personen wil opsporen, zal men wel niet behoeven te zoeken mider hen, die zich op nieuw aan den dienst der Compagniehebben verbonden, 7naar elders moeten rondzien, wellicht in de eerste plaats onder degenen, die overgingen naar de zeeuwsche ondernemingen, die van De Moucheron enTenHaeff.Doch, waar alle nadere aanwijzingen ontbreken is ook daarvan niet veel te verwachten . Wat Langhenes kennelijk beloofd heeft geheim te houden, zal wel altijd verborgen blijven.
opmerking verdient, dat Pontanus, die het journaal van Kaerel in zijn historie van Amsterdam verwerkte, diens naam verzwijgt, waar-
die deur UE. cnde ander voortaen mogen floreren — continuerende d'opserratie van de voirsz. schepen, niet twijfelende na goede informatie, de handt sult aenhouden om de roose van Oost-Indien te hulpen plucken, West-Indien ontrent de Goyana oft Trinidado niet te versuijmen. lek wensche sulcx bij U.E. als andere Brabanders, schuijlende onder de pro- texie dezer geunieerden, residerende tot Leyden, Haerlem ende Rotterdam, veel, die mid- delen hebben, geaffexioneert waren als ick, die egcen, maer een goeden wille hebben om te trachten na eer, proffijt ende het voornaempste, d' inwoondercn onder het jock der Christenheijt noch te mogen brengen, dienende tot veel haerder salichcyt.
XXIV
door het mogelijk werd, dat drie eeuwen later daarover nog kon wor- den gestreden.
Even merkwaardig is, dat het „totten leser" van d' Eerste hoeck slechts geteekend werd met de initialen G. M. A. W. L., welke onver- klaard bleven tot Rouffaer daaruit las G{tiilla) M alias W{illem) L{odewycx) ^). Deze geheimzinnigheid zou onnoodig zijn geweest, wanneer hetgeen vroeger omtrent Lodewycx' optreden en werkzaam- heid werd gezegd, juist was. Bedoeld wordt hetgeen voorkomt in Dl I p. XXXIV noot I, namelijk dat hij den tocht als „middelman" ge- heel heeft kunnen medemaken, en aan het einde met weglating of ver- doezeling van alle twisten „officieel" voor de Amsterdatnsche reeder s de Eerste schipvaert kunnen beschrijven. En op p. XIX van Dl II, waar men leest: Willem Lodewycx' D' Eerste Boeck was „in waar- heid een Boek, dat wel een Journaal, een officieel-Amsterdamsch journaal zelfs, tot grondslag had, maar door de ruimte aan geest van den samensteller, en door de gezonde eerzucht bij Amsterdamsche ree- ders en den Amsterdam sch en uitgever, gegroeid was tot wat wij thans noemen een standaard-werk" .
Willem Lodewycx bleef na afloop der reis niet trouw aan de Com- pagnie, maar ging over in dienst van De Moucherofi. Reeds ig Sep- tember I5g8 kreeg hij van dezen een opdracht van vertrouwen naar de Kust van Guinee j eerst in i6oj kwam hij in dienst van de V.O.I.C. als opperkoopman op de vloot van Steven van der Hagen '^) . De Be- windhebbers, wel verre van de eerzucht te koesteren aan liet verschij- nen van een monumentaal officieel reisverslag van zijne hand den stoot ie geven, waren als goede koopliedeii lichtschuw, waar hun be- lang dit medebracht, en zouden zeker Lodewycx' arbeid met groot ge- noegen een blijvende rustplaats naast de journalen van Frank van der Does en anderen hebben aangewezen.
In verband met den inhoud der stukken zal Jiicrachter een andere volgorde in acht worden genomen, dan in Dl. I werd aangekondigd. Na de reeds vroeger gedrukte documenten komen thans de journalen van den adelborst Jcronimus Maryen, van een anonymus en van den tolk Cornelis Jansz; dan eenige aanteekeningen gedeeltelijk van on- bekenden, de briefwisseling van de te Bantam vertoevende personen met den scheepsraad en het dossier Van Boninghcn. Besloten wordt
i) Album Kern, 1903, p. 272, noot .-.
a) Hij overleed aan boord van de Dtlft 18 April i6o^, 9 dagen nadat men de linie had gepasseerd.
XXV
met die stukken, welke meer rechtstreeks op de zeevaart heirekking hebben, de stuurmans journalen van Jacob Jansz Kackerlack en van Cornelis Jansz Ceullen, een memorie van Petrns Plancius en een uittreksel uit de aanteekeningen van Frederick de Houtman.
Bij het plaatsen van noten aan den voet der bladzijden is groote so- berheid betracht en herhaling zooveel mogelijk vermeden; mede met het oog daarop moge een kort woord van toelichting bij elk der ge- noemde bescheiden voorafgaan.
Het kwam mmoodig voor hij verwijzing naar voorafgaande stukken de oude nummers en letters aan te halen; volstaan werd met het noe^ men der bladzijde van het betrokken deel.
M o n t a n u s. (p. i — 58)
In het jaar 161 1 verscheen bij Jodocus Ho7\dius te Amsterdam een geschiedenis met beschrijving van die stad, „Rerum et urbis Amstelo- damensium historia" door Johan Isadkszoon Pontanus. Nadat de schrijver zijn manuscript „?iaarstig overzien en op vele plaatsen ver- meerderd ende verbeterd" had, werd dit „in het Nederduitsch overge- zet" door de7i Amsterdamscheti latijnschen schoolmeester Petrus Montanus, een zwager van Hondius. Deze vertaling, die in 1614 het licht zag, draagt duidelijk den stempel van zijn oorsprofig en vertoont in het gedeelte dat voor ons doel van belang is, in het algemeen slechts kleine afwijkingen van den latijnschen tekst, welke ter vergelijking voor zoover wenschelijk aan den voet der bladzijden is afgedrukt ^) .
Johan Isaaksz werd 21 Januari i^yi op zee vóór het bereiken van Elseneur geboren, toen zijn ouders Isaak Pietersz en Margaretha van Delen op reis waren naar Denemarken. Van daar de naam Ponta- nus ^), die later door hem werd aangenomen. Zijn vader was, na als handelsagent voor deti koning van Denemarken te Amsterdam werk- zaam te zijn geweest, vafi 1593 of 1596 tot zijn dood in 161$ consul voor de Staten in dat land.
De jonge Pontanus bezocht te Amsterdam de latijnsche school en
i) De sterkste afwijking komt wel voor opp. 19 hierachter, waar Montanus den moham- medaanschen Gouverneur van Bantam den gruwel laat schrijven: ,,Alsoo het den Almach- tighsten God etidf der Gnden ai/gheliel'. heeft'. In het oorspronkelijk ,,translaet" uit het Portugeeschstaat: Alsohet God Almachtich cndehaercE. gelieft heeft". Zie Heeres. Corpus dipl. p. 3.
2) Pontus, de zee. Zie over Pontanushetartikel van Ur.S V. Haak in Dl. I van het Nieuw Ned. biogr. wdbk. Leiden 1911, waaraan de bovenstaande bijzonderheden ontleend zijn.
XXVI
werd in 1589 ingeschreven als medisch student te Franekcr. In ij()3 was hij te Rome, en in het laatst van dat jaar verwierf hij den graad van doctor in de wijsbegeerte aan de hoogeschool te Leiden. Geruimen tijd verbleef hij bij Tycho Brahé op het eiland Hven bij Kopenhagen, om na eenige omzwervingen in 1600 te Basel te promoveeren als doctor in de medicijnen. Zes jaar later werd hij benoemd tot hoogleeraar in physica en mathesis aan de kwartierlijke Veluwsche school te Harder- wijk, waar hij tot zijn overlijden in i6jg bleef. Daar gaf hij werken van verschillende latijnsche schrijvers, ook een bundel latijnsche ge- dichten en andere kleine geschriften uit, maar zijn hoofdstudie werd en bleef de geschiedenis, toen hij door den koning van Denemarken en door de Statest van Gelderland tot officieel historieschrijver was aan- gesteld.
In het tweede boek van zijn historische beschrijving va7i Amsterdam, waaraan hij zeker eenige jaren gewerkt heeft, behandelt hij ook de eer- ste tochten der Nederlanders naar het Noorden en naar Oost-Indiê. In het algemeen had hij de bedoeling zich daarbij tot korte uittreksels te beperken, maar voor de eerste Schipvaart maakte hij een uitzondering. Daaraan ruimde hij een wat grootere plaats in ^) , zeker mede omdat hij zoo gelukkig was, gebruik te kunnen maken van het belangrijk on- uitgegeven journaal van een der meest vooraanstaande deelnemers aan den tocht, en daardoor in staat nieuwe bijzonderheden mede te deelen. Hij noemt diens naam niet, maar geeft zoodanige aanwijzing, dat in verband met den inhoud van zijn verhaal omtrent de identiteit van de persoon zekerheid bestaat.
Op p. 5 van het hierachter afgedrukte gedeelte van Montanus' ver- taling toch, leest men: „ick volghe meestendeels hierinne ende in het navolghende de eyghen handt van een treffelick man, ende die op dese reyse als een van de Overste wesende, alles selve ghesien ende ervaren heeft".
De eerste, die de vraag beantwoordde, wiens journaal door Ponta- nus gebruikt iverd, was Prof. Dr. R. Fruin in zijn bespreking van het manuscript van Hugo de Groot' s De jure praedae in de Gids van 1868 Dl. IV p. 2^2 2). Daar verwijst hij naar den latijnschen tekst: „autographum viri spectati et ex praefectis autoptae aiitorem ut plu- rimum seqiior" , en onderstreept, dat Pontanus met „pracfcctus" een „commies" bedoelt. Aangezien nu in diens verhaal, zoo gaat hij voort, vooral de lotgevallen van het schip Amsterdam bijzonder uitvoerig be-
1) Pontanus Caput XXI 11 p. 144 — 191 ; Montanus Capittel XXIV )i. 180 — 237. 3) Verspreide geschriften Dl. 111 p. 367. vlg.
XXVII
handeld zijn, moet de schrijver van het journaal een der commiezen van dien bodem zijn, dus Willem Lodewycksz of Jan Jansz Kaerel. Aangezien de eerste echter een uitvoerig dagregister heeft uitgegeven, zou alleen Kaerel overblijven. Deze redeneering, hoe klemmend zij ook schijnt, zou zelfs indien door Pmitanus aan de Amsterdam bijzondere aandacht ware gewijd, [hetgeen niet het geval is) weinig zekerheid ge- ven. Willem Lodewycksz en Jan Jansz Kaerel toch voeren wel uit als ondercommies op dat schip, maar beiden werden reeds bij Madagascar overgeplaatst, de eerste naar de Mauritius, de tweede naar de Hollan- dia. Bij de groote ramp, de overvalling voor Sèdajoe, welke aan den schipper Schellinger en den Commies Van Heil het leven kostte, be- vond zich geen van beiden aan boord van de Amsterdam.
Meer hout snijdt de opmerking: „Pontanus laat Kaerel een hoofd- rol vervullen, zooals hij in geen der andere reisbeschrijvingen doet, en weet niet alleen te verhalen, wat de praefectus Carolus gedaan, maar ook wat hij bij zich zelven gedacht heeft."
Daardoor werd echter niet overtuigd Prof. Dr. H.C. Rogge, die in het verhaal zelf aanleiding had gevonden tot de bewering, dat niet Kae- rel, maar veeleer Cornelis de Houtman de door Pontanus bedoelde per- soon zou zijn. „De schrijver toch", zoo luidt zijn betoog, „is geheel op de hoogte van alles, wat er in den scheepsraad is omgegaan; hij deelt daaruit bijzonderheden mede uit een tijd, toen Karel als ondercom- mies daaraan geen deel nam en die bevestigd worden door de officieele bescheiden, die thans in het Rijksarchief berusten. De tekst van het door De Houtman zelven opgestelde handelsverdrag met den rijksbe- stierder van Bantam wordt door Pontanus uit dit journaal letterlijk medegedeeld. Treedt bij dezen geschiedschrijver Karel meer dan elders op den voorgrond, hoewel de bovengenoemde journalen karig zijn m het noemen van namen, hij staat opzettelijk stil bij de verwikkelingen, waarin De Houtman van nabij betrokken was. De Houtman heeft nauwkeurig aanteekening gehouden van alles, wat zich op de reis heeft voorgedaan en niets belet ons aan te nemen, dat hij zijn verslag bij de thuiskomst aan de bewindhebbers heeft overgelegd, die er eerst aan De Groot, daarna aan Pontanus inzage van hebben kunnen geven" ^).
Men vraagt zich hierbij af, of Rogge Pontanus' verhaal wel geheel onbevangen heeft gelezen en of hij zich daarbij niet heeft laten leiden door den wensch,zijn held. De Houtman, naar voren te brengen, ook wanneer daartoe geen aanleiding bestaat. Dat verhaal toch bevat niet
i) Zie het verdienstelijk opbtcl: De eerste Nedcrlandbchc Handelsonderneming op Oost-lndie en Cornelis de Houtman. Tijdschr. K. N. Aardr. Gen. 1895. p. 410 en 411.
XXVIII
alleen plaatsen, die slechts van Kaerel afkomstig kunnen zijn, maar evenzeer zulke, die Cornelis de Houtman niet kan hebben geschreven ^). Onderzoek van de beschikbare gegevens en meer bepaald van het dos- sier Van Boninghen bevestigt, dat Kaerel alle gelegenheid had om van de door Rogge aangehaalde feiten volkomen kennis te nemen.
Jan Jansz Kaerel droeg denzelfden naam als zijn vader, een der be- ivindhebbers van de Compagtiie van Verre, en werd ter onderscheiding van dezen, de jonge bijgenaatnd. Volgcjts Elias, [De vroedschap van Amsterdam, Dl I p. 2y8) werd hij geboren in 15^4 en zou hij dus bij het begin der reis 2 April IS95, meer dan 20, hoogstens 21 jaar oud zijn geweest ^) . Zeker door invloed van zijn vader werd hij geplaatst op de Amsterdam, waar hij met den ouderen Willem Lodewycksz als on- dercommies onder den commies Reinier van Heil diende. Daar schreef hij o.m. op ly October 1595 de door Van Heil opgestelde en door den schipper Schellinger geteekende aanklacht naar aanleiding van het eigenmachtig optreden van den commies Gerrit van Boninghen op de Hollandia. Op 26 October werd hij overgeplaatst naar dien bo- dem, waar hij werkzaam was onder Cornelis de Houtman, die Van Boninghen had vervangen. In December werkte hij ijverig mede aan het bijeenbrengen en copieeren van de stukken, welke tot staving der aanklacht moesten dienen. Toen Van Boninghen 25 December onver- wacht van de Mauritius naar de Hollandia was teruggekeerd, ging De Houtman weder op de Mauritius over, maar bleef Kaerel, nu onder Van Boninghen, op zijn post. In deze eenigszins pijnlijke verhouding maakte hij den overtocht van Madagascar naar Indië. Den loden Juni 1596, kort voor de aankomst in Straat Soenda, werd Van Bo-
i) Slechts dit staaltje hierachter op p. 32 : De gouverneur .verhaelde, dat hij wel
wist, dat den Capiteyn Houtman van de Schippers ende veel in de vlote gehatet was, cndc dat de Capiteyn Karel by Molenacr ende d'ander gesien ende bemint was".
2) In het R.A. 'Bundel Oldenbarnevclt, Verspr. collcctiën, Lok. Holland, no. 1 1 17) treft men afschrift van een tweetal verklaringen aan, 26 Augustus 1599 afgelegd voor schepenen van Amsterdam. Bij de eerste, die betrekking heeft op de eerste schipvaart, treden op jan Jansen Carel de Jonge, oud omtrent 23 jaren, (commies geweest op 't schip Hollandia}, Wouter Wilkes, oud 26 jaren (adelborst op het jacht de Duijff) en Fieter Dirricxs Emaus. oud 26 jaren (adelborst op het schip Amsteldam) ; bij de andere, die aangaande de tweede schipvaart, Jacob van Neck, oud omtrent 3 jaren (admirael). Jan Jansz Carel de Jonge, oud 23 jaren (commies) en F. Dirricxs Emaus, oud a6 jaren (commies). Hier is Carel i' , a 2 jaar jonger ; is derc opgaaf juist, dan zou hij 1 April 1595 hoogstens lo jaar oud rijn ge- weest. Hoewel in dien tijd aan zeer jonge mannen zeer verantwoordelijke betrekkingen wer- den gegeven, valt het toch eenigszins moeilijk aan te nemen, dat iemand van 18 ii 10 jaar, ook al was hij zoon van een bewindhebber, niet alleen tot ondercommies werd benoemd, maar ook als plaatsvervangend commies zou zijn aangewezen. Denkt racn aan een fout bij de copie, verwisseling van een 5 met een 3, dan zou daarmede het verschil verklaard kun- nen worden. Verschillen van ettelijke jaren bij Iceftijdsopgaven zijn trouwens in acten van dien tijd gewoon.
|
w |
X |
|
o: |
a |
|
Ui |
\r. |
|
< |
% |
|
i^ |
< |
|
s: |
% |
|
VD |
"Zi |
|
Z < |
V, |
|
"^ |
s |
|
en |
|
|
z |
U |
|
< |
"2 |
|
OS |
|
|
z |
i^ |
|
■"^ |
u |
|
^ |
z |
|
u. |
|
|
^ |
|
|
Hu |
» |
|
< |
tZJ |
|
iii |
|
|
z |
;^ |
|
< |
O) Bi |
|
> |
^ |
|
a |
H |
|
H |
5 |
|
— ^ |
ae |
|
b 1 |
Ü |
|
u |
z |
|
c« |
< |
|
> |
|
|
U |
|
|
MM |
^ |
|
z |
öï |
|
Ü |
|
|
< |
^ |
|
a. |
z |
|
^ |
u |
|
0 |
Cfl |
|
u |
i3
XXIX
ninghen van zijn ambt vervallen verklaard en den i8den d.a.v. Kaerel, in overeenstemming met de aanwijzing in den gesloten brief van de Compagnie van Verre, officieel tot commies op de Hollandia aange- steld. Als zoodanig had hij zitting in den scheepsraad, het college van schippers en commiezen, dat over alle gewichtige aangelegenheden, de belangen der onderneming rakende, had te beslissen. Als zoodanig riep hij, na den dood van de commiezen Heynck {26 Juni 1596) en Van Heil (5 December I5g6) als van zelf daartoe aangewezen, 2g Decem- ber I5g6 den scheepsraad bijeen, die oordeelen zou over Cornelis de Houtman, toeii deze beschuldigd werd, den schipper Meulenaer met vergif uit den weg te hebben geruimd. Het vonnis, voorloopige vrij- spraak bij gebrek aan bewijs, werd met zijne hand geschreven, en bracht aan het prestige van De Houtman, dat vroeger reeds veel had geleden, een nieuwen slag toe.
Het ligt in de rede, dat de aanstelling tot ondercommies van Kaerel, die op een enkele uitzondering na, jonger was dan een der adelborsten, reeds den naijver wekte van vele ouderen, die tnet meer ondervinding toegerust in lager en rang dienden. Duidelijk is ook, dat zijn snelle en onverwachte bevordering tot commies, gesteld zelfs dat meerdere be- kwaamheid en krachtiger persoonlijkheid deze keuze hadden gewet- tigd, dien naijver nog deden toenemen. Kaerel zal daarom moeilijke dagen hebben doorgebracht, te meer nu de verdeeldheid ten gevolge van de zaak Van Boninghen de gemoederen in heftige beweging had ge- bracht en gehouden. Zoo moet wellicht verklaard ivorden, dat Willem Lodewycx in d' Eerste boeck zijn naam geen enkele maal noemt, hoewel daartoe gelegenheid te over was; zoo ook waarom Van der Does als hij tweemaal melding van hem maakt, dit doet op een wijze, die van weinig waardeering getuigt; ten slotte ook, hoe Lintgens zich tegen- over hem de grap veroorloofde met het sprookje van den wonderlijken muur op Bali, met de kennelijke bedoeling he^n er in te laten hopen.
Het blijft te betreuren, dat Kaerel verhinderd werd, zelf zijn jour- naal volledig uit te geven. Als ieder deelnemer, die de belofte van ge- heimhouding had afgelegd, was hij verplicht den wensch van de Be- windhebbers te volgen.
Hij voer reeds i Mei 1598 van Texel weder uit op de vloot van Ja- cob van Neck en keerde ig Juli i^gg terug. Daarna bleef hij te Ain- sterdam gevestigd en in de zaken van zijn vader werkzaam. In 1604 vindt men hem afgebeeld door Gerrit Pietersz Sweeling [of Sweelinck) als kapitein te midden zijner schtitters.
Toen hem eenige jaren later door Ponta^ius gelegenheid werd gebo-
den, om meer dan in de verse te laten vallen op zijn aandeel op den achtergrond km hlijve onder uitdrukkelijke vooncaat bruikte journaal onvermeld te
Dankbaar moet worden erl journaal van Kaerel niet kon het ook verkort, heeft overf^em wordt in de eerste plaats het > voor liantamla^en. Deze pén Hollandia defi f^anschen tijd i l.odewycx van 28 Au^ustu^ aan den wal werden i\i van hetgeen andere joi" ■
Daarnaast moeten vermeld ontmoeting met de porlui^ersc van den commies van liontni^i. l^elukkii^e ver^^issinf;; van Ari> Maar hetf^een daarnaast ovei werkende (geleerde zijn leiddi kan hem (^een verwijt treffen, Zuidkust van Sumatra, het l liali, omdat het niet in zijn pi te spreken is, dat hij meerm juiste voorstelling van zaken /
Zijn inwerp over Java en l xvycx' geschrift en is hieracl opmerkingen en aanvult inget: fisch en taalkundig gebied, ki> gaan, evenals de beschrijving Hali.
XX
rnjoii' schied was, het licht
den ea nt, en hij zelf daarbij
heeft hij die aangegrepen, knxndijk ziin naam als schrijver van het ge- -n.
i, dat Pontanus, nu hij hei gthêêU
ven, het belangrijkste daaruit, zij
n en in het latijn overgezet. Dedoeld
,, ; I.,! ii^iurde. toen de schepen
..j:!ji>i h'iorl ah commies op de
bleef, terwijl Houtman met Willem
'h'tober I$g6 als gevangenen
H'^chte aanvulling
rden de gedeelten, handelende over de kraken op de uitreis; over het drama over den mm<al van SHajoe, de on- ja en over den dood van Muelenaer. ift, als de volijverige, PMar slordig ■it, is van wetuig waarde. Al ''■'t over het naterhalen op de >ean, het voorgevallene op tag daarover uit te weiden, niet tegen n in zijn verhaal een verwarde en on- >l.
Uam is een excerpt uit Willem Lode- ^niet afgedrukt. De rgde
tfelke liggrtt op ' <-
en zonder bezwih -^^^^^ ^ ^ ffi den pisangboom^^^^^Keiland
n n go (1 ( i r o o t (p. 61
zijn xt>e) „de jure prae Jp /ulft van i(h toen hij als i '' '^ ^5^3 — ifi n Haag gcT, n Dr. H. G. Ha iker uiigegcv< ,. het ontstond, zijn beekenis en verdie 't in het vroeger gcnmide artikel van
>trn Dl. I p. Q4, Dl, II V).>4 — 9»)7.
WW'' *
;
XXM
••l^
«I
Ci4b tmn iS6$ ^). Hrt is e^ pUiéoai om 4U rtcMimuittfiknJ U ich>j éoof 4ê Dtmimdkêhkii i dtr \ imftstêgm, hm tif 4um étn \<
l$fm ii Poftmgmttn op U trtdm r'
ttU
tê m$mtn m imixltiinfw m^M U w^l gOidtn uttsJdfi kom firscktedm Hei ooHofskanJrJtngfn, *ls rttds OotmêHs BmstumuM m Lmirms l> u > m im Odohtf vmt kdtdfiê jmmr door ging mrt dm engtiscM^n admtméJ nu door df Hollanders ondrr ' V4tn een ntk gfUdm kr^ak, uV .s. i.iU'ja, tw>f de rtvter x'un I>fohore *•).
Hierachter i^gt de veriaitnf^ tsiM f • gtdéelie van het ilde fnHy/dstnk. .. sckipxHiari en aUten zullen bespre
De Groot sUli in het Ixcht, dat di komsi itf HoUmuUrs in Hantam de den begiynnen. al hmdden .* MNi vritmitchup te tr^' ItnulKhê vorsien en ^ êÜHH hnn het handel, i meermalen e
In dei'. — Ml de .ï.x» iiim
•<i>MwyM kx^rs in
N /W dusx^rrt lijdelijk •» te^en hen te
•■,, . ■...-.N , j'
reihtxstardigina xsm
itten, eerst ondet
• ^/ Helena
■ ') vereent-
"^tratttéMalakit.daiir-
de vermeestertnfi
•'.«•/' -J hebruiin i(>i\i
'tenten uit het tweede hebbefi op de eerste
i^HmtddeUijk tia aaH'
heden te^^en hen had-
onder den schijn
■"•*• ■ ■' /f* tn
> nut i ar ook hun leven
mm^
aard een eenxtjdige vo weg. ■
rx\P\ ïtt«h#f»#ri
XXX
den, om meer dan in de verschenen journalen geschied was, het licht te laten vallen op zijn aandeel in den eersten tocht, en hij zelf daarbij op den achtergrond kon blijven, heeft hij die aangegrepen, kennelijk onder uitdrukkelijke voorwaarde zijn naam als schrijver van het ge- bruikte journaal onvermeld te laten.
Dankbaar moet worden erkend, dat Pontanus, nu hij hei geheele journaal van Kaerel niet kon geven, het belangrijkste daaruit, zij het ook verkort, heeft overgenomen en in het latijn overgezet. Bedoeld wordt in de eerste plaats het verslag van het gebeurde, toen de schepeti voor Bantamlagen. Deze période, waarin Kaerel als commies op de Hollandia den ganschen tijd vrij bleef, terwijl Houtman met Willem Lodewycx van 28 Augustus tot 12 October i^gó als gevangenen aan de?i wal werden vastgehouden, geeft een zeer gewenschte aativulling van hetgeen andere journalen daaromtrent mededeelen ^).
Daarnaast moeten vermeld worden de gedeelten, handelende over de ontmoeting met de portugeesche kraken op de uitreis; over het drama van den commies van Boninghen; over den overval van Sëdajoe, de on- gelukkige vergissing van Arosbaja en over den dood van Muelenaer. Maar hetgeen daarnaast overblijft, als de volijverige, maar slordig werkende geleerde zijn leiddraad loslaat, is van weinig waarde. Al kan hem geen venmjt tref f en, waar hij zwijgt over het waterhalen op de Zuidkust van Sumatra, het bezoek aari Bawean, het voorgevallene op Bali, omdat het niet in zijn plan lag daarover uit te weiden, niet tegen ie spreken is, dat hij meermalen in zijn verhaal een verwarde e7i on- juiste voorstelling van zaken geeft.
Zijn inwerp over Java en Bantam is een excerpt uit Willem Lode- wycx' geschrift en is hierachter niet af gedrukt. De daarbij gevoegde opmerkingen en aanvullingen, welke liggen op godsdienstig, geogra- fisch en taalkundig gebied, konden zonder bezwaar worden voorbij ge- gaapt, evenals de beschrijving van den pisangboom en van het eiland Bali.
Hugo de Groot (p. 61 — 71).
De Groot schreef zijn werk „de jure praedae cammentarius" in 1604 en de eerste helft van 1605, toen hij als jong advokaat — hij was geboren 10 April 1583 — in den Haag gevestigd was. Eerst in 1868 werd het door Dr. H. G. Hamaker uitgegeven. De omstandi gleden, waaronder het ontstond, zijn beteekenis en verdienste wcrrden uitvoerig uiteengezet in het vroeger genoemde artikel van Dr. R. F ruin in de
i) Verg. noten Dl. I p. 94, Dl. Il p. 294 — 207.
XXXI
Gids van 1868 ^). Het is een gelegenheidsgeschrift, een breed opgezet ■pleidooi om de rechtmatigheid te betoogen van den nieuwen koers in 160J door de Bewindhebbers der Vereenigde Oost-Indische Cmnpag- nie ingeslagen, toen zij aan den vlootvoogd Steven van der Hagen de geheime instructie medegaven ^), om in stede als tot dusverre lijdelijk tegen de Portugeezen op te treden en geen vijandelijkheden tegeft hen te plegen, vóór men daartoe genoopt werd, een geheel andere houding aan te nemen en aanvallenderwijze te werk te gaan, zoodra dit met kans op goeden uitslag kon geschieden. Het bedoelt dus de rechtvaardiging van oorlogshandelingen, als reeds gepleegd door de Zeeuwen, eerst onder Cornelis Bastiaensz en Laurens Bicker in Maart 1602 bij St. Helena en in October van hetzelfde jaar door Joris van Spilbergen iji vereeni- ging met den engelschen admiraal Middleton in Straat Malaka, daar- na door de Hollanders onder Jacob Heemskerck bij de vermeestering van een rijk geladen kraak, de S. Catharina, op 2j Februari i6oj voor de rivier van Djohore ^).
Hierachter volgt de vertaling van enkele fragmenten uit het tweede gedeelte van het iide hoofdstuk, die betrekking hebben op de eerste schipvaart en alleen zullen besproken worden.
De Groot stelt in het licht, dat de Portugeezen onmiddellijk na aan- komst der Hollanders in Bantam de vijandelijkheden tegen hen had- den begonnen, al hadden zij getracht dit aanvankelijk onder den schijn van vriendschap te verbergen; dat zij door laster en omkooping de in- landsche vorsten en grooten tegen hen hadden opgezet, waardoor niet alleen hun het handeldrijven onmogelijk gemaakt, maar ook hun leven meermalen ernstig bedreigd werd.
In den grond der zaak had De Groot gelijk, de Portugeezen waren in de aanwending van middelen, om de Hollanders het verblijf te Ban- tam onaangenaam te maken en hun den lust tot terugkeeren te bene- men, niet kieskeurig geweest. Hij vond voor zijn levendig, soms harts- tochtelijk pleidooi stof in de gedrukte journalen, die overvloeien van klachten over de schandelijke praktijken der Portugeezen, en die uiter- aard een eenzijdige voorstelling van zaken geven. Het lag niet op zijn weg, iets ter verklaring, d.i. ter vercmtschuldiging van het standpunt der tegenpartij te zeggen. Hij gevoelt er niets voor, dat de Portugeezen op grond van hun ontdekkingen en steunende op de uitspraak van den
X) Zie p. XXIV.
2) Uitgevaren met 12 schepen 18 December 1603.
3) Het bericht van het nemen der kraak bereikte het vaderland half Maart 160 -; ; de kraak zelf werd in Juli d.a.v. in de Eems binnengebracht.
MB ^4MPW«Mf Av
4. Htm ê^
/^
'**'# W^ fst^M fm r« j iH 1 1
ioAfnl
nlmj ëUfcmf
i
ii> r** >«'
mtukdvmL
• i
Oil^«^OLB
^
ver
!» al ' ver- heid van de
■ man, :n 1). ;; ge-
xxxn
r«M$ vttÜ^ hét recht meefitUn te hebben, alle andere ,tun buiten
Oost^ïnA%i U sluii^: dat zij de Hollanders beschouua< ais indrin-
*>ers, dis geduchte mededingers in den handel, en d
dédêUjk de bewijzen voor zich zagen, toen de tT/- •■" ?
krijgen mn lading de voorkeur verlangden; du.
haddm, dat de stuurman Pedro de Tayde zijn i.
•klaart %n de Indische wateren verkocht had aan Cof>
alle aanleiding haddm dm landverrader met den u^
Zorg7'uldig vermeed hij er op te u-ijzen . hoe Hollanders
voeld en hoe zij gehandeld zouden hebben , indien xij verrt. waren door
een ox^ermacht van Poriugeezen en gevaar gezien hadot uit jaren
oude betrekkingen verdrongen te worden.
Fruin beweert wel. dat De Groot kennis gekregen ha.i 'n het jour- naal, dat door Pontanus gebruikt werd en daaruit «iV 'der- hedc$i zou hebhen fnedcgedeeld, onder meer over h' /'' Amsterdam voor Sèdajoe en den moord van deti c... schipper) l 'erheJ. maar dit wordt bij nader onderzoek Kieuw, maar aan andere bron ontleend is het feit, dai ckenier behoorde tot degenen, die met C • < •• ■ > ^ ,,^
gevangen werden genomen : zoo ook wat ^
Eemskerck *), den adelborst, die het laatst te Bantam au land gelie- ven was, en van zijn huisheer den chinees Lakmoy *), d\ >.em 2y Oc- ioberisgó onder matten verborgen aan boord liet brenr^, het eerst hij hem genoemd.
Nieuw zijn eveneens de namen van drie Portugeezen Marez*). Batalha en Pessoa, die zich zouden It Hollanders hij den G r van Ba'
met den Keizer, Rau_ Demak.
Kieuw is ook wat De Groot verder verklaart, nam havens van Java Portugeezen werden gezonden, om dt
kwaad gerucht te brengen en door omko ' ' ' '
zoo zouden Pessoa naar Sédajoe en 'J
kan en aruieren naar D japara, Djacatra en Tandjoenf
zijn^).
ügd. \'al-
' ancisco de
i. de
nen
nen.
.lar alle
rs in
ken;
roe-
u gegaan
1- Zie LierE-chier p. C5.
2) Van Eemskerck was medio i6oa als admiraal met de Hollandia teragg^eerd. De Jonge II, p. 239.
3) De I p. 96. noot 20, p. X58, noot 4 ; Dl. II p, 43, noot i. PurcbM 19 4 1 De Marez is alleen Termeld door Pontanai, zie hieracbter p. 31 et. 5 Hierachter p, 62. 63
e OverijM*!
p. 5.03.
.X*»'
/»•-
fHtié . éte wm tttÊt
•*ar
?.«E T
^■/r" «n^ v^^tmmim mm» -j-L rétietiUen, vuirvi-
'.'.(«mlir
Uil ir VOK
éet x-rr. f»t^ '■ ^ ': *
f ULtrV V.f- ■1 --f .■cr'
i|
ij<i
xxxn
Patis wettig het recht meenden te hebben, alle andere natiën buiten Oost-Indië te sluiten; dat zij de Hollanders beschouwden als indrin- gers, als geduchte mededingers in den handel, en dat zij daarvan al dadelijk de bewijzen voor zich zagen, toen de vreemdelingen bij het ver- krijgen van lading de voorkeur verlangden; dat zij, toen zij zekerheid hadden, dat de stuurman Pedro de Tayde zijn wetenschap van de vaart in de Indische wateren verkocht had aan Cornelis de Houtman, alle aanleiding liadden den landverrader met den dood te straffen ^) . Zorgvuldig vermeed hij er op ie wijzen, hoe Hollanders zich zouden ge- voeld en hoe zij gehandeld zouden hebben, indien zij verrast waren door een overmacht van Portugeezen en gevaar gezien hadden uit jaren oude betrekkingen verdrongen te worden.
Fruin beweert wel, dat De Groot kennis gekregen had van het jour- naal, dat door Pontanus gebruikt werd en daaruit nieuwe bijzonder- heden zou hebben medegedeeld, onder meer over het gebeurde met de Amsterdam voor Sédajoe en den moord van den commies [er staat schipper) Verhel, maar dit wordt bij Jiader onderzoek niet bevestigd. Nieuw, maar aan andere brmi ontleend is het feit, dat de jonge Val- ckenier behoorde tot degenen, die met Cornelis de Houtman te Bantam gevangen werden genomen; zoo ook worden de namen van Cornelis van Eemskerck ^), den adelborst, die het laatst te Bantam aan land geble- ven was, en van zijn huisheer den chinees Lakmoy ^), die hem 2y Oc- tober I5g6 onder matten verborgen aan boord liet brengen, het eerst bij hem genoemd.
Nieuw zijn eveneens de namen van drie Portugeezen, Francisco de Marez^), Batalha en Pessoa, die zich zouden beijverd iiebben, de Hollanders bij den Gouverneur van Bantam in discrediet te brengen en met den Keizer, Radja van Demak, tegen hen same^i te spannen. Nieuw is ook wat De Groot verder verklaart, namelijk dat naar alle havens van Java Portugeezen werden gezonden, om de Hollanders in kwaad gerucht te brengen en door omkooping Jiaat tegen hen te wekkoi; zoo zouden Pessoa naar Sédajoe en Toeban, Batalha naar Patiaroe- kan en anderen naar Djapara, Djacatra en Tandjoengdjawa gegaan zijn^).
x) Zie hierachter p. 65.
2) Van Eemskerck was medio i()oaals admiraal met de Hollandia en de Overijssel teruggekeerd. De Jonge II, p. 239.
3) De I p. 96, noot 20, p. 158, noot 4 ; Dl. II p. .(3, noot i. Purchas 1905 III p. 503.
4) De Marez is alleen vermeld door Pontanus, zie hierachter p. 31 en 41,
5) Hierachter p, 62. 63
XXXIII
Deze laatste mededeeling kan niet zcnider meer voor waarheid wor- den aangenomen, en doet verschillende vragen rijzen.
Wanneer heeft deze uitzending f laats gehad? Vóór de Nederland- sche schepen de reede van Bantam hadden verlaten, was er toch niet aan te denken op andere plaatsen voor hun komst te waarschuwen; en hoe kon men hij hun vertrek weten, waarheen zij zich zouden wenden, terwijl de scheepsraad dit hij Djakatra zelf nog niet wist en overwoog of het zaak was naar de Molukken te zeilen of onmiddellijk huiswaarts te keer en?
Welke waren de plaatsen op Java's Noordkust, het heidensche Pa- naroekan wellicht uitgezonderd, waar de Portugeezen genoeg invloed hadden om iets door hun zendelingen te kunnen uitrichten? Waar wa- ren de personen, waar de vaartuigen en waar was het geld, dat voor een zoo vaag doel beschikbaar kon worden gesteld?
Wat leert de loop der gebeurtenissen? Bij de rivier van Tandjoeng- djawa ontmoetten Houtman en de zijnen niets, dat op het bestaan van een hinderlaag wees, hoewel zij er van 7 tot 11 November 1596 bleven om water in te nemen.
Te Djakatra wsrden zij hij aankomst den I2den vriendschappelijk behandeld, en kwam de Regent zelf den lóden vol vertrouwen aan boord. Aan het aandoen van D japara werd niet gedacht; zij liepen het op grooten afstand langs de Karimondjawa eilanden voorbij.
Maar Toeban en Sëdajoe dan?
Hier spreekt De Groot duidelijk. „Een gruwelijke overvalling is on- der leiding van Francisco Pessoa by Sedajoe op de volgende wijze voorbereid. Toen de schepen daarheen gevaren waren, heeft Rasalata, een Portugees van oorsprong, geboren te Aveiro, maar afvallig van het Christelijk geloof en in die streken berucht als een aartszeeroover, een list op touw gezet met den sabandar van Sedajoe" , enz. ^).
In verschillende journalen en daaraan toegevoegde noten werd reeds veel medegedeeld omtrent hetgeen aan den moord van 5 December 1596 voorafging, maar voldoende klaarheid werd daardoor nog niet verkre- gen 2) .
Voorop dient gesteld, dat Toeban en Sëdajoe, die in één adem wor- den genoemd, op 23 K.M. afstand van elkander zijn gelegen, en ieder voor zich met de nieuw aangekomen schepen aanraking hebben ge-
1} Hierachter p 67.
2) O.a. door Willem I.odewijcx Dl. lp. 167 — 171, in het Verhael en het Journael Dl. II p. . 7 — 5 ', door Van der Does DL II 31.; — 317 ; in noot 5 van p .•7 L'l- Il is overgenomen een stuk uit Begin ende Voortgangh .6, 5 I p. 58 en 59 . Hierachter volgt Pontanus p. 48 — 51, waarvan een bladzijde aan den vogel „Eme" gewijd.
III
XXXIV
zocht. De Amsterdam en de pinas lagen dicht hij Sèdajoe, de Mauri- tius en de Hollandia wat verder af, dichter hij Toehan, als men wil.
Aangenomen mag worden, dat op 3 en 4 December twee personen, een adelborst en de Goezerat Abdoel van de Amsterdam naar land werden gezonden. Dit blijkt uit de berichten van Willem Lodewycx en van Van der Does. Ook Begin en Voortgang, waarin Lodewycx wordt gevolgd, meldt het aan land gaan op den 4den en voegt, als de af- loop der overvalling reeds is beschreven en de dooden overhoord zijn gezet, het eerst vergeten bezoek aan land op den 3den daaraan toe.
Den eersten dag hadden Abdoel en zijn makker den Regent van Sédajoe met groot gewapend gevolg gezien, maar niet gesproken; den volgenden waren zij binnen de stad in zijn tegenwoordigheid toegelaten en vriendelijk ontvangen. Van de personen, die men eerst had ontmoet en van den regent zelf, had men vernomen, dat die van Sèdajoe vijan- den waren van Bantam. Den jden was de sabandar van Sèdajoe aan boord van de Amsterdam gekomen en had hij door het medebrengen van geschenken, waaronder de veel besproken vogel, vertrouwen trach- ten te wekken. Inderdaad had hij daardoor de gewenschte wetenschap van de sterkte der bemanning verkregen en daarmede de overtuiging dat bij een plotselingen, onverwachten aanval slechts op geringen tegen- stand behoefde gerekend te worden.
Willem Lodewycx, die op de Mauritius voer, beschrijft de komst op 4 December aan dien bodem van een „verloochent Portugees" , van iemand, die kwam om de nieuw aangekomenen namens den Regeni van Toeban te verwelkomen en die zelf zijn diensten aanbood. Hij ver- klaarde zich bereid aan boord te blijven, totdat de gewenschte verver- schingen waren opgedaan ^). Den ^den dag der overvalling keerde hij op de Mauritius terug, met verzoek een stuk van een harnas en wat rood laken voor zijn heer te koopen en dit mede naar land te nemen. Deze renegaat was alzoo een dienaar van deii Regent van Toeban en had met dien van Sèdajoe niets uit te staan.
De welwillende houding van Toeban werd twee jaar later bevestigd, toenjacob Heemskerck 22 Januari i^gg voor die stad gekomen, op de meest vriendschappelijke wijze ontvangen werd en met een geschenk aan Prins Maurits van daar terugkeerde. De renegaat diende daarbij als ceremoniemeester. Hij kreeg te Soerabaja bericht van de ramp, die
i) Dl. I p. 168. Pontanus, hier achter p. 49. „Ende wilde niet in de schepen blijven
verscheyden mael ghebeden zijnde, soo lieten haer de onse niet sonder oorsake voorstaan, dat hij van die van Bantam uitghemaeckt was". Kaerel bevond zich echter aan boord van de Hollandia en niet van de Mauritius.
XXXV
een deel van Heemskerck's bemanning bij Arosbaja getroffen had be- gaf zich met Van Warwyck daarheen, en maakte zich verdienstelijk door te voorkomen, dat meer gevangen Hollanders van kant gemaakt werden. Met deze wetenschap kan moeilijk worden aangenomen, dat hij bij zijn bezoek aan de Mauritius geen goede bedoelingen koesterde.
In de atmosfeer van verdachtmaking, waarin de Hollanders maan- denlang hadden doorgebracht, werd een ander waandenkbeeld geboren. Een jonk, geladen met notemuscaatnoten, rechtstreeks van Banda ge- komen, zou, na eerst als lokmiddel van Chineezen bij Djakatra dienst te hebben gedaan, door de Portugeezen en die van Bantam met het- zelfde doel naar Djapara en Sêdajoe gezonden zijn.
Willem Lodewycx doet toch het ongeloofelij ke verhaal, i) dat na den moord op de Amsterdam eenige Javaansche gekwetsten, vóór zij werden doodgestoken, verklaard zouden hebben, „dat zij ons gevolgd waren van Bantam af, hoe dat zij te Jacatra gekomen waren, en met de jonk met de notemuscaten ons meenden te bedriegen; zij waren van daar te Japara gekomen, alwaar zij mts verwacht hadden, en waren den vorigen dag aldaar {d.i. te Sêdajoe) gekomen, doordat hun van wege den Koning werd medegedeeld, dat wij aldaar waren aangeko- men". Eerst 2 December hadden de schepen geheel onverwacht voor Sêdajoe het anker uitgeworpen; den 4den zou de jonk, die voor Dja- para gewaarschuwd had moeten worden, reeds Sêdajoe bereikt hebben.
Pontanus, geeft dezelfde lezing over de Odyssee der jonk ^); De Groot zwijgt er over. Inderdaad is het niet noodig fantastische onder- stellingen te maken, om de overvalling bij Sêdajoe te verklaren.
Langs de kust dwalende, waren de Hollandsche schepen voor een zeerooversnest gekomen, en ondernemende piraten hadden van de gele- genheid gebruik gemaakt om met de hun eigen beslistheid plotseling hun slag te slaan. De Amsterdam was toch met de pinas op eenigen afstand van de groote schepen, dicht bij de kust geankerd; het vertrou- wen der uiterst zwakke bemanning was door geveinsde vriendschaps- betuigingen gewonnen, en het scheen gemakkelijk de niets kwaads ver- moedenden te overmeesteren. Was dit geschied, dan zou in korten tijd
i) Dl. I p. 1 70. De zenuwachtige overspanning, waarin de hoofden van de vloot verkeer, den, wordt treffend uitgedrukt door hetgeen W. Lodewijcx Dl. I p. 184 mededeelt. ,,Aan deCuste van Bali, in eenen inham, hebben wy ontallijckveel seylenghesien met veel volck op strandt. Dese seyde hy aldaer vergadert te wesen om de stadt te ontsetten, ende waren 8 duysent slerck, sonder d'andere die op andere plaetsen noch laghen : viaer wij, 't selve niet gheloovende, dan vermoeden dat 't gheheele gewelt van Java aldaer was vergadert otn ons op te hopen ende ons den deurganck te beletten, hebben ons in ordere ghestelt, opdat wy (soo 'tnoodich ware) veerdich souden wesen.
a) Dl. III p. SI.
XXXVI
het schip geplunderd en de buit met vele kleine vaartuigen in veilig- heid zijn gebracht. De plotselinge aanval met groote overmacht onder- nomen, zou dan ook het gewenschte gevolg hebben gehad, indien hij niet op onverwachten tegenstand was gestuit. Aansporing van buiten was voor deze stoutmoedige bandieten niet noodig ^) , en daarvan is on- danks De Groot's beweren niet gebleken. Het aandeel van Pessoa, van wien niets verder is gehoord, zoowel als dat van den renegaat van Toeban, kan dan ook gerust naar het rijk der fabelen worden verwezen.
Een van de slachtoffers van het bloedbad van Sèdajoe was de nauw- lijks twintigjarige adelborst Gilles Valckenier ^), en wordt als zooda- nig door verschillende journalen, maar niet door Pontanus genoemd. De Groot vermeldt hem behalve bij deze gelegenheid nog tweemaal; hei eerst, als hij hem, bij een onjuiste voorstelling van zaken, met „de voornaamsten van de vloot" , Houtman, Willem Lodewycx en lo an- deren door den Gouverneur bij zich laat roepen om hem gevangen ie nemen; en daarna als hij door de Portugeezen een poging laat doen om hem, met Houtman te Bantam gevangen zijnde, door vergif om te brengen ^) .
Volgens het laatste, wondere verhaal zou dit hun gelukt zijn, in- dien niet de „edele" Sabandar met den bezoar steen tijdig redding had gebracht. Hier heeft men kennelijk te doen met een verhaal, dat De Groot heeft opgevangen en zonder kritiek medegedeeld*) .
Kan het zijn, zoo vraagt men zich af, dat de buitengewone belang- stelling van De Groot voor dezen jongen adelborst in eenig verband staat tot diens familiebetrekking met den Bewiiidhebber Reinier Adriaensz Pauw? Hij was toch de oudste van i6 kinderen uit het hu- welijk ,dat 20 Februari i$y6 op de Elbe ie Hamburg gesloten werd tusschen Gilles Jansz Valckenier en Claerigen Pauw, en alzoo Rei- nier's neef (oamzegger) .
In de beide verschenen deelen van dit werk is herhaaldelijk melding gemaakt van een journaal van den adelborst Valckenier, dat in De Groot's handen gekomen en door hem gebruikt zou zijn^). Daarbij werd soms aan de verbeelding vrij spel gelaten. De jonge man zou met denGoczerat Abdoel aan land zijn geweest en terugkomende aan boord, mimiddellijk zijn laatste ontmoeting met die van Sèdajoe op schrift
i) Verg. p. Sa hierachter, waar de Kiloer op Bali aan Lintgens betzelfde verklaart.
2) Verg Dl. II p. 50 en p. 317. 3) Hienchter p. 6ó en p. 69,
4) Zie andere pogingen tot vergiftiging hierachter p. 131.
51 O. a. Dl. II p. 37, noot 3 van p. 30 ; p. 4S, noot 5 van p. 4,- p. 399 noot i.
XXXVII
hebben gesteld. De inkt van deze aanteekening was nauwlijks droog, toen hij door de moordende kris werd getroffen; gelukkig werd zijn ar- beid door een zijner belangstellende makkers voortgezet en zoo voor het nageslacht bewaard. Dit is natuurlijk zuivere fantasie. Er is geen re- den om aan te nemen, dat juist de jongste der adelborsten met een zoo belangrijke zending als die naar Sëdajoe, werd belast, terwijl anderen beschikbaar waren, met name de twee die zich bij den onverhoed- schen aanval zoo dapper weerden, dat de vijanden, voor zoover niet neergelegd, in de vlttcht hun heil moesten zoeken ^).
Waarschijnlijk zal ook Valckenier een dagboek hebben gehouden, dat bij zijn dood werd afgebroken, maar de wijze, waarop hij door De Groot tweemaal besproken wordt, kan niet aan zijn aanteekeningen ontleend zijn. Daarin kan alzoo geen aanwijzing voor de juistheid van het vroeger beweerde gelegen zijn; integendeel.
Bij nadere overweging moet worden aangenomen, dat De Groot een journaal van Valckenier niet gekend, althans niet gebruikt heeft.
Niet ondienstig schijnt het hierbij af te drukken, wat voorkomt in Hugo de Groot's sesde boek der Nederlantsche historiën {vertaling Joan Goris), Amsterdam 1681, p. jog.
„Deese Soomer sijn vier Hollandtsche schepen, die de derde Lente voor deese {1597) waeren uytgevaeren, d'eerste van allen uyt Indien weeder in 't Vaederlandt gekomen. En niet grooter is geweest de Uijdi- schap, dan de verwonderingh der ingeseetenen, wanneer se hoorden, hoe de volken van 't eylandt Madagaskar op de keer van Afrika nae 't Oosten, de schaemelheit besneeden en bewimpelt hebbende, voorts met het lichaem naekt loopen: op wat wij se deese Godt kenden en niet en kenden: hoe groot een vermooghen de quaede geesten aldaer hadden: en wijders, dat se elkander niet door naemen, en ook niet de tijden, onder- scheyden; hoe se onser seeden soo onkundigh waeren, dat se teegen eenen tinneleepel eenen os verruylden. Daerenbooven verhaelden se hoe gevaarlijk de muytery van 't scheepsvolk in 't midden van soo veele ge- vaeren geweest was; dan ook den trouweloosen aerdt der woestelinghen, dien de Poriugijsen doorgaens, en insonderheit op Java, omgekoft hadden, om, onder schijn van vreede, moort ende plunderingh te ver- berghen: waer uyt slaeghen en tijt verlies reesen. Maer dat selfs de Hollanders eenighermaeten schuit hadden: want dat door ouders
i) Hans Bouwer en Pieter Dircksz Emaus waren toen ca. adelborsten aan boord van de Amsterdam.
XXXVIII
of vrienden derwaerts gesonden waeren, die, om hunne schulden of quaede seden uyt het vaederlandt verjaeght, met hunne ge- breeken vergeselschapt quaemen. En de domheit van eenighe is 500 groot geweest, dat se, onder die arghwaenende volken, de diepte der haeve van Bantam, by helderen daeghe, peylden. Dat Java een eylandt is, ten naester by als Engelandt, en 7iiet, als sommi- ghe gelooven, een gedeeÜe van 't vaste landt van 't Zuyden, is door 't rondtom vaeren gebleeken ....
Aernout Lintgens (p. 75 — 103.)
Nu volgt het verhaal van hetgeen den adelborst Aernout Lintgens gedurende zijn verblijf op het eiland Balt wedervaren is, waarvan een door hem zelven keurig geschreven copie in het Alg. Rijksarchief be- rust. Dit verhaal werd, zooals uit een aanieekening aan het hoofd in margine blijkt, door Lintgens niet officieel ingediend bij het collegium, maar overgegeven aan zijn chef, den comtnies Jan Jansz Kaerel. Of het werd opgemaakt ingevolge een bepaalde opdracht, blijft in het onzekere.
Van Aernout Lintgens verneemt men voor het eerst in het journaal van Frank van der Does en dan niet vóór 9 Februari isgy, enkele we- ken voor de terugreis naar het vaderland werd aanvaard ^) . Hij bevond zich toen aan boord van de Hollandia op de Zuidwestkust vati Bali, ging daar aan land en trok van Koeta over de hoofdplaats Gèlgèl naar de Laboehan Amoekbaai aan de Oostkust.
Aernout was volgens zijn eigen mededeeling, toen hij op Bali ver- toefde, omtrent 25 jaar ^) oud en alzoo geboren ini^yi of 1572. Hij was een zoon van den bekenden Pieter Lintgens en Elsgen Bartholo- meusdr, en had twee oudere broeders, Hendrik [geb. i^óy, ]i6o3) en Pieter de jonge (f 1606), een jongeren, Salomon, benevens twee zus- ters Margaretha {geb. IS77, in isgg gehiavd met Lieven Moens) en Susanna [gehuwd met Jan van Tongerloo) ').
Vader Lintgetis, een Zuid-Nederlander, geboren omstreeks 1540, behoorde tot de vreedzame Doopsgezindeti en was mogelijk om den geloove uitgeweken. I?i 1576, waarschijnlijk reeds vroeger, bevond hij zich te Lissabon, naar hij in betrekking siond tot Gaspar Cuner- torf en diens compagnon Hans Snel. In Februari 1578 vertrok hij naar Antwerpen, maar in September van hetzelfde jaar was hij te
I Dl II p. 353. 2) Hierachter p. 77.
3) Voor meerdere bijzonderheden omtrent Pieter Lintgens wordt verwexen naar mijn opstel: Een en ander over Pieter Lintgens met aanteekeningen en bijlagen in de Bijdr. T. L. en V. 1928, p. 132 — 161.
XXXIX
Lissabon terug, waar hij zich ii November i^yg nog ophield. ^)
Daarna te A msierdam gevestigd, dreef hij een uitgebreiden han- del op de Oostzee en op Spanje en Portugal, later ook op Italië. Hiertoe had hij vertegenwoordigers in verschillende plaatsen. Zoo was in 1582 Hans Schopmans zijn factor te Malaga, Jacques Nicolaes te Sevilla. In i^Sg kwam Schopmans in Nederland, om daarna weder naar zijn standplaats terug te keer en. Mogelijk werd hij daarheen door Aernout vergezeld, want deze sprak spaansch en portugeesch,een kennis, die hij in het Iberische schiereiland zelf zal hebben opgedaan.
In de eerstvolgende jaren ontwikkelde zijn vader een groote bedrij- vigheid als reeder, ondanks de verbodsbepalingen in de Nederlanden en de dreigende inbeslagneming der Hollandsche schepen in de vijan- delijke havens. Uit verschillende notarieele aden blijkt, dat hij in de jaren 1594 — 1596 naar Setubal en San Lucar de Barrameda een aan- tal schepen zond, uitgaande met granen en koopmansgoederen, en te- rugkeerende met zout, wijn en andere artikelen.
Hij was ook deelhebber in de Compagnie van Verre, maar tot welk bedrag is onbekend. Het zal hem dus niet moeilijk zijn gevallen, voor zijn zoon A ernout een plaats als adelborst te verkrijgen op een der 4 sche- pen, welke 2 April 159 5 uit Texel zee kozen. Mogelijk maakte een bij- zondere reden dies tijdelijke verwijdering uit zijn omgeving wenschelijk
Gedurende Aernout' s afwezigheid bleek de finantieele toestand van zijn vader verre van, rooskleurig te zijn geworden. Toen dezen toch tus- schen 11 en 21 November 1596 een aantal wissels ter betaling werden aangeboden, was hij daartoe niet in staat. De toestand was echter niet wanhopig, want hij slaagde er in met zijne crediteuren een accoord aan te gaan, waarbij onder verband van te verwachten baten, met een lang- zame afwikkeling hunner positie genoegen werd genomen.
Aernout keerde 14 Augustus 1597 aan boord van de Hollandia in het vaderland terug. Weinige weken later verloor hij zijn moeder, die 27 October in de Oude Kerk te Amsterdam begraven werd.
Omtrent zijne bezigheden in de eerstvolgende jaren ontbreken alle be- richten. Waarschijnlijk heeft hij geen deel genomen aan een der latere tochten naar Indiè, ten minste zijn naam is daarbij niet vermeld ge- vonden. Wellicht heeft hij zijn vader bijgestaan in diens zaken, welke steeds uitgebreide bemoeiingen buitenslands noodig maakten en ook in het vaderland genoeg te doen gaven.
i) Zie Mr. J. Nanninga Uitterdijk. Een Kamper handelshuis te Lissabon 1 572 — IS04. Zwolle 1904. Daar wordt hij Linkes, Lenckes, Lenkens, Leynckcns en eens Lintges ge- noemd.
XL
Onder de crediteuren van i^gó komt ook voor Adriaen Hendricksz ten Haeff {1560 — 1608), de bekende burgemeester van Middelburg. Met dezen had Pieter Jiandelsbetrekkingen, die waarschijnlijk lang te voren waren aangeknoopt en nog jaren zouden bestaan. Zoo was hij te Amsterdam werkzaam als agent van de Zeeuwsche reeders, die in na- volging van de Hollanders de vaart op Indié begminen waren. Naar het schijnt was dit reeds het geval bij de eerste uitrusting der 3 schepen, die 25 April I5g8 uitliepen, en bij de tweede van de 4 schepen, die 23 Januari 1601 zee kozen, i) De resolutiën der Bewindhebbers, welke op deze expedities betrekking hebben, ontbreken; die, waariti gehandeld wordt over de derde, over de uitreeding van de Zierikzee, de Vlissingen en de Der Goes, zijn aanwezig. ^)
Uit deze laatste blijkt, dat Pieter Lintgens het volle vertrouwen zij- ner principalen genooi. In 1601 voerde hij een groot aantal opdrachten uit van verschillenden aard; orders, die betrekking hadden op de be- wapening en den krijgsvoorraad, op scheepsbenoodigdheden, op allerlei victualiën, op den aankoop van realen van achten {46 d 46^! \ si- P^^ stuk) en vooral op het aannemen van de bemanning. Hij had last ge- schikte krachten aan te werven, in de eerste plaats onder de zeelieden, die reeds een of meer reizen naar Indië gemaakt hadden, en a>tderhan- delde met lieden van lage/en en hoogeren rang. Zoo was hij iusschen- persoon bij de overeenkomst mei den stuurman Jacob Jansz Buyte- wech, teruggekeerd met Olivier van Noori, aangeiiomen op f go p. m.; met schipper Govcri Jansz, die op de Mauritius twee reizen gemaakt had, eerst met Jacob Cornelisz van Neck, daarna met Jacob Wilkens, aangenomen op f 144 p.m.; met den bekenden oppercommies Sebald de Weert, wiens salaris eerst op 1% vafi de avance {de behaalde winst) later op f 150 p.m. werd bepaald.
Onder degenen, die in dienst werden gesteld op de Zierikzee [vice- admiraal de Weert, schipper Covert Jansz) behoorde ook Lintgetts' oudste zoon Hendrick, die, in I5g4 gehuwd mctCornelia Spierinck en sedert gevestigd te Rotterdam, thans uitging als boekhouder en zou ont- vangen I °/oo van de avance. De drie schepen zeilden den 31 sten Maart 1602 uit, met bestemming naar Ceylon.
Lintgens was persoonlijk voor f 3000 in deze onderneming betrok- ken, terwijl hij op naam van zijn schoonzoon Anthony Moens f 1600 had ingelegd. Zeer veel grooter was zijn belang in de Vereenigde Oost-
i) Op een der laatste schepen voer n-.ede Gersrd Ie Roy [rijn „cosijn" en later compag- non van zijn zoon Pieter de jonge , die na het aandoen van Atjeh ook Patani bezocht. 2) R, A. Res Kamer Zeeland betr. 14 schepen 1601 — 1^04.
XLI
Indische Compagnie, die 29 Augustus 1602 werd opgericht. Door iusschenkomst van Jan Jansz Kaerel den oude schreef hij in voor f 60.000, het hoogste bedrag, waarvoor iemand deelhebher was gewor- den, mogelijk gezamenlijk met eenige geestverwanten, maar zeker in de hoop daarmede een goede speculatie te doen. Aanvankelijk was be- paald, dat de storting op de actiën 7noest geschieden in 3 termijnen, telkens op den isten Ociober van de jaren 1602, i6oj en 1604. Hij haastte zich daarmede niet, want tot en met i October 1603 had hij in het geheel nog slechts f 15000 afbetaald.
De actiën liepen kort na de oprichting der Compagnie op tot 114 of 115 % , en gedurende eenigen tijd was er gelegenheid ze met voordeel aan anderen over te doen. Maar daaraan kwam weldra een einde.
Men begon in te zien, dat de oorlog, die met kracht tegen de Span- jaarden en de Portugeezen in hei Oosten was begonnen, zoodanige kos- ten medebracht, dat de kans op voordeelige uitkomsten in de naaste toekomst gering was geworden. Velen wenschten zich om die reden van hun bezit te ontdoen. Voor Linigens en zijne geloof sgenooten was reeds het erkende einde van den vreedzamen handel, een aansporing om zich terug te trekken. Zij keurden het dragen der wapenen, zoowel tot aan- val als tot verdediging, af, en hadden ernstige gemoedsbezwaren tegen het verwerven van winst, waaraan bloed kleefde, en van buit, welke door geweld verkregen was. ^)
Daarbij kwam, dat Koning Hendrik IV zich, vervuld van het plan om in Frankrijk een handelsonderneming op Oosi-Indië tot stand te brengen en overtuigd, dat de in de Nederlanden opgedane ervaring hem daarbij van groot nut zou zijn, zich in dezen tijd tot de Staten Generaal wendde. Hij vroeg toestemming om in de Vereenigde provinciën door eenige fransche kooplieden schepen met de bijbehoorende uitrusting te laten aankoopen en de noodige bemanning, schippers, stuurlieden en bootsvolk aan te werven. Maar i November 1604 werd hem geant- woord, beleefd en beslist, dat wat betreft den aankoop van materieel men deFranschen gaarne ter wille zou zijn, maar dat het octrooi van de Oost-Indische Compagnie een afdoend beletsel was om toe te laten, dat haar uit deze landen concurrentie werd aangedaan, zoodat aan hei sluiten van overeenkomsten met nederlandsch personeel niet kon wor- den gedacht.
Weldra volgde een nieuwe poging om hetzelfde gedaan te krijgen, maar nu met medewerking van hoUandsche kooplieden. Hendrik' s
i) Zie o.a. Dr. Joh, Dyserinck's „De weerloosheid volgens de Doopsgezinden". Gids 1890 Dl. I.
XLII
aandacht was door den Brabander Mathieu Coulhée gevestigd op de Doopsgezinden te Amsterdam, die als erkenning voor bewezen gelde- lijke diensten aan den opstand, steeds de bescherming van Prins Wil- lem van Oranje hadden genoten en ook met diens zoon op goeden voet stonden. Zoo werd door tusschenkomst van den gezant De Buzanval een schrijven ter hand gesteld aan Prins Maurits, waarin als belast met het uitvoeren van den gewenschten aankoop van schepen en het bij- eenbrengen der bemanning, Pieter Lintgens en zijn zoon Aernout warm werden aanbevolen.
Het optreden van den franschen koning bracht groote ontroering in den lande. Bewindhebber en der O.I.C. begrepen, dat hun belangen ernstig bedreigd werden; dat de concurrentie met een compagnie, die zonder oorlogsuitgaven te dragen, onder bescherming van de fransche vlag, zou genieten van hetgeen zij met strijd en opoffering hadden voor- bereid, fnuikend moest zijn. Zij weerden zich zoo goed mogelijk en dienden een uitvoerig protest in tegen de schending van hun octrooi.
Prins Maurits deed mededeeling van den ontvangen brief aan de Staten van Holland en aan de Staten Generaal. De eersten besloten 12 Januari 1605, den agent Aerssens te Parijs op te dragen, al het moge- lijke te doen om den Kcming te bewegen van zijn voornemen af te zien; de laatsten gaven op hun beurt 20 Januari den Prins in overweging aan Hendrik IV te antwoorden, dat uitvoering van zijn plan de levens- belangen van den Lande ten ernstigste zou schaden en den spaanschen vijand tot groot voordeel strekken, terwijl het bestaande octrooi een af- doend beletsel vormde tegen het verkenen van hun toestemming.
Bij hun verweer hadden Bewindhebbers, toen zij de groote moeilijk- heden uiteen zetten, waarin de Compagnie verkeerde, behalve op de zware lasten, die de oorlogstoestand onvermijdelijk maakte, ook ge- wezen op de werkzaamheid van binnenlandsche vijanden, die alles aan- wendden wat zij konden, om het crediet der Compagnie te schokken. Isaak Ie Maire, zeker de bekwaamste hunner tegenstanders, nam 22 Februari 1605 ^V'*^ ontslag als bewindhebber en maakte met atideren gebruik van de gelegenheid om de onrust te vermeerderen. Er ontstond een soort paniek en de cofitramine had eenigen tijd vrij spel.
Ook Lintgens droeg daartoe het zijne bij. Hij verkocht in den loop van April 1605 de helft van zijn actiën voor y5 %, alzoo met 25 % verlies, zoodat op het einde dier maand zijn participatie teruggebracht was tot f 30.000, waarop niet meer da^i f 12.^23 gestort was. ^)
i) Zie de rekening courant van Lintgens uit het grootboek der actiën der O.I.C. als bij- lage bij mijn bovenaangehaald artikel. Het is alzoo onjuist uit de mededeeling in De Jonge
XLIII
Onder die omstandigheden besloten de Staten Generaal na daartoe door Bewindhebbers te zijn aangezet 2g April tot ingrijpen. Op hun verzoek verschenen 5 Mei Pieter Lintgens en zijn zoon Aernout in hunne vergadering. De vader vertoonde de commissie, die hij van den Koning gekregen had, om de noodige uitrusting van schepen en scheepsvolk in deze landen gereed te maken, maar verklaarde, toen de Staten hun misnoegen over de uitvoering daarvan te kennen hadden ge- geven, dat hij niet tegen hun verlangen zou handelen en niets tegen het octrooi der V.O.I. Compagnie ondernemen. Hij zou zich geheel terug- trekken. Slechts in geval de Staten tot een ander inzicht mochten ko- men, verzocht hij, dat zij in de eerste plaats op zijne belangen zouden letten.
Deze afloop was verwacht door den gezant de Buzanval, die langen tijd in de Nederlanden had vertoefd. Wanneer hem de leiding dezer aangelegenheid ware overgelaten, zou hij een geheel anderen weg heb- ben gevolgd, en zonder officieel vergunning te vragen, geleidelijk, als het ware ongemerkt, wat voor het doelnoodig was, naar Frankrijk heb- ben laten overkomen.
Voor Lintgens was het mislukken van het plan een geduchte tegen- valler. In het algemeen stonden zijne zaken er slechts voor; hij had moeite het hoofd boven water te houden. En nu ging een gelegenheid verloren, die een eerlijk man de kans gaf goed geld te verdienen, en iemand met een ruim geweten zelfs zeer veel. Buzanval, die meende dat Lintgens tot de laatste soort behoorde, waarschuwde zoo krachtig mo- gelijk er tegen, met hem in zee te gaan.
In September van hetzelfde jaar trof hem een nieuwe slag door den dood van zijn zoon Aernout, die bestemd was als leider van de onder- neming op te treden en op wien, naar het schijnt, in Frankrijk groote verwachtingen waren gebouwd. Niet echter door De Buzanval, die per- soonlijk even weinig voor de medewerking van den zoon als voor die van den vader voelde. In zijn brief van 27 September aan den minister De Villeroy meldde hij Aernout' s overlijden met de woorden, „qui est mort ici en buvant". Deze schijnt dus, 33 jaar oud, zijn leven als drinkebroer te hebben geëindigd.
Zijn broeder Hendrick was van de reis naar Ceylon 7iiet terugge- keerd. Hij was I Juni 1603 met Sebald de Weert en een aantal Hol-
III p. 120 af te leiden, dat de stijging in den koersderaandeelcngeregeldzouhebben plaats gehad van 114 of 115 % tot 125 k 130%, nadat de tijding inNederlandgekomenwasvande verovering van Amboina en Tidore en daarmede van het verdrijven der Portugeezen uit de Molukken.
XLIV
landers bij een feestmaal, aangericht door den Maharadja van Kandy, te Batticola afgemaakt, i)
In 1606 overleed ook Pieter de jonge, zoodat den ongelukkigen va- der slechts zijn jongste zoon Salomon overbleef.
De nu volgende jaren brachten steeds nieuwe geldelijke zorgen, waartegen de oude man met de hem overgebleven énergie streed, zoo- lang hem dit mogelijk was, maar zonder gevolg. Hij stierf, arm en be- rooid. Zijn stoffelijk overschot werd 3 October 1616 in het familiegraf in Oude Kerk te Amsterdam bijgezet. ^)
Het dagboek van Aernout Lintgens bevat belangrijke aanteekenin- gen omtrent den toestand van land en volk, over de zeden en gewoonten der Baliërs, den bouw en inrichting hunner woningen, hun oorspron- kelijk polynesischennatuur godsdienst, vergroeid met Hindoeisme, het erfrecht van den vorst, enz. Het brengt ons in kennis met den Radja van Bali, toen heer over het geheele eiland, dien hij te Koeta ontmoette en met den Patih, met wien hij een tocht maakte van daar naar de ge- wone residentie Gèlgèl.
Over dezelfde personen wordt gehandeld in een oud Balineesch ge- schrift, de P amant jangah van Gèlgèl. ^) Daarin zijn evenals in alle dergelijke oude inlandsche geschiedverhalen waarheid en fantazie door eengew even. Denkt men het bovennatuurlijke weg en houdt men niet al te zeer aan bijzonderheden vast, dan blijft ook hier een kern over, die althans eenig denkbeeld van het werkelijk gebeurde geeft. Het bezoek der Hollanders maakte natuurlijk geen blijvenden indruk en wordt dan ook niet in de Pamantjangah vermeld.
De leeftijd van den Vorst werd door Lintgens geschat op 40 d 50 jaar. Volgens de Balineesche bron was hij de opvolger van zijn vader Batoe-Renggong, wiens regeering uit materieel en godsdienstig oog- punt beschouwd, een glorietijdperk zou geweest zijn.
Batoe-Renggong liet twee minderjarige zoons na, raden Pangharsa {Pambayoen) en raden Saganing. De oudste aanvaardde het bewind onder de voogdij van de 5 jongere broeders van zijn vader. Hij is in de
1) Aan zijne weduwe werd 8 Mei : 6c6 een bedrag van ' 6o 's maands, de maximum be- zoldiging van een ondercommies toe^^ekend voor den tijd, dat hij in dienst was geweest.
2) Hetgeen door De Jonge Dl III iSöf.p. 117, 119 en door Bakhuizen van den Brink in diens „Studiën en schetsen over Vaderlandsche Geschiedenis en Letteren" IV, den Haag 1877, p. 248. 252 wordt medegedeeld over Lintgens overlijden kort na Juli 1606, is even onjuist, als hetgeen over zijn groot vermogen wordt gezegd
3) Zie Dr. C. C. Berg's proefschrift, De Middeljavaanscht historische traditie, Sant- poort 1927. ,
XLV
geschiedenis hekend onder den naam van Bêkoeng of Bengkoeng, d.i. de kinderlooze. ^)
Na het vernemen van dezen toenaam doet het eenigszins vreemd aan bij Lintgens te lezen, ^) dat de Koning een zoon had, die omtrent 20 jaar oud was en die na zijn dcod het koninkrijk bezitten zou, om niet te spreken van twee jonge kinderkens, die naast hem onder de edellieden zaten. ^) Een poging om deze tegenspraak op te lossen, wordt aan an- deren overgelaten.
De regeering van Bèkoeng zou zich door groote binnenlandsche moei- lijkheden gekenmerkt hebben. Reeds tijdens zijn minderjarigheid zou een zijner voogden, Anggoengan, een vruchtelooze poging gedaan heb- ben om hem op zijde te schuiven en zich van den troon meester te ma- ken.
Een tweede veel gevaarlijker opstand tegen zijn gezag werd geleid door Kyaji Pande Bhasa. De onmiddelijke aanleiding daartoe gaf een tamelijk ingewikkelde, costersche vrouwenperkarah, waarin Bé- kung een minder waardige rel had gespeeld. De diepere oorzaak was algemeene ontevredenheid over de onbetrouwbaarheid en onbeduidend- heid van den vorst, die aan den leiband liep van zijn Patih, Manginte. Deze zou een zeer bijzonder persoon geweest zijn. Zijn eerste mees- ter, de heer van Kapal dien hij als edelknaap diende, had aanstonds opgemerkt, dat hij groote gaven bezat; „daarop wezen trouwens reeds de feiten, dat er uit zijn schedeldak vuur straalde en dat zijn handlij- nen in den vorm van een rad liepen" . ^)
Het jaar van dezen opstand, die met het sneuvelen van Kyayi Pan- de eindigde, wordt verschillend opgegeven, ± 1381 en 1585. Mogelijk heeft de verbanning van een deel der opstandelingen naar het ballings- oord Poelau Roesa {Noesa Pénida), waarvan sprake is in Dl. I p. 201, als gevolg hiervan plaats gehad. De vorst, wiens leven groot ge- vaar geloope7i had, verliet kort daarop zijn kraton en vestigde zich in Kapal, ten westen van Gèlgèl, *) „waardoor hij den naam kreeg van sangri7ig Badawoeh {die in het westen resideert), terwijl de naam" . . . „dalem of adji Bèkoeng volgens de Pamantjangah eveneens uit deze periode zou stammen" . ^)
Als derde groote gebeurtenis onder Bèkoeng' s regeering wordt ge- noemd de mislukte expeditie naar Blambangan. De zoon van Santa
1) Ibid. p. 144, T45. 2) Lintgens p. 78. 3) Berg. p. IJ7.
4^ Toen Lintgens te Gèlgèl vertoefde, ging hij langs de poeri van den verst, die in het Oosten der stad lag, mogelijk een vroeger gebruikte won'.ng. Zie hierachter p. loi. 5) Berg p. 152.
XLVl
Goena, die zijn vader omstreeks i^go als vorst van dat rijk was opge- volgd, werd in I5g6 mei een leger van 8000 man aangevallen door den Regent van het in i^Sy door Se^iapati, den opkomenden heerscher van Mataram, veroverde Pasoeroean. „Toen hegin i^gy de eerste Hollan- ders voor Blanghangan kwamen, was de woeste oorlog tusschen Pa- soeroehan en Blanghangan in vollen gang. Eerst werd Panaroekan te vergeefs belegerd. De vorst van Gèlgèl verleende hulp, maar kon niet beletten, dat Blanghangan in 1600 of 1601 werd ingenomen. Het komt mij", zoo gaat Berg voort '^), zeer waarschijnlijk voor, dat met deze actie van Gèlgèl de expeditie van Djelantik bedoeld wordt, die even- eens met 20.000 man uit Koeta vertrok om Blanghangan te helpen en Pasoeroehan te bestrijden, en wiens expeditie mislukte, zoodat ze Blanghangan niet redden kon" .
Volgens het eenigszins verward Balineesch verhaal zou de aanvoer- der der hulptroepen, Djelantik die zich als zoenoffer gewijd had voor de schuld van zijn vader, een der deelhebbers van de eerste poging om Békoeng van den troon te stooten, onder zeer ongunstige voorteekenen den tocht hebben aanvaard. Bij de ontmoeting met de benden van Pa- soeroean, die versterking uit Mataram hadden gekregen, zou hij een geduchte nederlaag hebben geleden en zelf gesneuveld zijn.
In Lintgens' verhaal maakt de vorst den indruk van een weetgie- rigen zonderling, niet dien van een krachtige persoonlijkheid, zoodat daar geen aanleiding in ligt, tegen het oordeel, dat de Balische kritiek over hem velt, op te komen.
De Patih neemt de vormen tegenover hem, met een enkele uitzonde- ring bij de ontvangst der geschenken, welke uit de Hollandsche schepen werden gezonden, behoorlijk in acht, en blijkt zeer groote^i invloed op den gang der hier besproken, trouwens weinig belangrijke, zaken te hebben.
Lekkerkerker ^) meent, dat hij zijn titel van „Kylloer" „ook ge- dacht kan worden aan Kyaji Lor, waarin Lor {Lor = Noord) de plaats zou aanduiden van de poeri van dezen hoofdambte^iaar ten op- zichte van die des vorsten of van de pasar". Berg zegt: „Lekkerkerker meent terecht, dat met Keyloer hier Kyayi Lor aatigeduid wordt". Hij vervolgt: „nu was Manginte's tweede zoon Kyaji Lor en hei is geens- zins ondenkbaar, dat dit ook een titel van Manginte was, al noemt de Pamantjangak hem nooit zoo" . Manginte zou vóór zijn meester ge- storven zijn en twee zoons hebben nagelaten, Widaya en Pranawa, die elk een gedeelte van zijn gebiede^i erfden, en beiden in de functie van
l) Berg p. 155. 2) Zie hierachter p. 75.
XLVII
patih opvolgden. Widaya kreeg als apanagegebied Agoeng, Pranawa het Noorden {Ler, Di-ler of Lor, enz.). Lekkerkerker denkt hij den waardigheidshekleeder in i^gy aan een ander dan aan den ouden Manginte met zijn heide volwassen zoons, en wel aan den genoemden Pranawa, een jonger man, omdat hij Lintgens' hezoek het oudste zoontje van den patih slechts 7 jaren telde.
Bèkoeng's sterfjaar is niet hekend. Hij werd opgevolgd door zijn jongeren hroeder Saganing. Is daaraan wellicht een geschiedenis ver- bonden, die het wenschelijk maakte, hem „den kinderlooze" tenoemen?
Uit zijn journaal leert men Aernout kennen als een aardig prater, die in zijn gesprekken met den vorst en den Kiloer om meer indruk te maken, de waarheid vaak aanvulde uit zijn verbeelding. Hij had dus niet bepaald een afschrik van het liegen.
Wanneer hij bijna aan het einde van zijn tocht door het eiland geko- men is, wordt zijn oog getroffen door een machtig bouwwerk, dat hem herinnert aan de goede stad van Amsterdam. Hij beschrijft dit volgen- derwijze ^): „Wij kwamen voorbij een muur te rijden, die wel over drie mijlen lang was; van een kasteel afgaande langs het strand tot aan 't gebergte, dat aan 't water komt, daar deze muur aansloot met twee portalen met rondeelen en gesloten met deuren, gelijk als of het was een poort van een stad om in te komen; en deze muur was van gebakken steen gemetseld, over de geheele lengte vol schietgaten om met roers en spatten door teschieten, en men kan er op gaan wandelen als op de muren van Amsterdam; ^) en op sommige plaatsen zijn er rondeelen, zooals er bij de poort 4 staan met groote gaten om geschut op te leggen. En deze muur is als een beschutting om te beletten uit de zee op het eiland te komen, dewijl binnen den muur een schoone vallei en alles bouwland is, rondom vol dorpen en steden".
In de noot op p. 102 hierachter wordt aangeteekend, dat het doel van zulk een muur geenszins voor de hand ligt, dat er bij het tegenwoor- dige geslacht geen overlevering van zijn bestaan bewaard is gebleven, en dat men thans te vergeefs naar eenig overblijfsel zoekt. Het is ondenk- baar, dat een muur van baksteen van dergelijke lengte en zoodanige af-
1) Hierachter p. loi, 102.
2) Men zie Dr. C. P. Burger Jr's Studie bij den grooten platten grond van Amsterdam op het einde der i6de eeuw van Pieter Bast, in het i6de jaarboek van „Amstelodamum", p. 46 en 47. Deze binnenmuur der stad heeft slechts weinige jaren bestaan. Naaraanleiding van zijn bezoek in November 1592 schreef Fynes Moryson: On the east side of the city there is a wall of stone, higher than the city, having a pleasant walk upon it.
XLVIII
meting, dat men daarop kon wandelen, in 300 jaar zoo vervallen zou zijn, dat daarvan niets meer is aan te wijzen. ^)
Staat alzoo vast, dat er geen muur als de beschrevene heeft bestaan, dan is de vraag, wat heeft Lintgens tot deze mystificatie bewogeji.
Ten einde daaromtrent tot een gegrond vermoeden te geraken, is het nuttig na te gaan of er ook elders van den muur gesproken wordt. Dit blijkt werkelijk het geval te zijn. In de Beschrijvinghe vant Eylant ende Coninckrijck B aly Dl. II p. lyi leest men: „Passerende van de Ca b o de P o r c o s langs een vlak strand, was bezet met een muur wel van drie mijlen lang, met een manier van flankeering ge- maakt vol schietgaten om te resisteeren die van de waterzijde hen zou- den kunnen beschadigen" . Dan volgt een kaartje op p. 17 J, ^) waarop de muur is voorgesteld; de verklaring van het kaartje zwijgt er over.
Van wiens hand is nu deze Beschrijvinghe - Reeds werd in noot 1 op p. i6g en noot 4 op p. lyi aangetoond, dat de steller daarvan een 5de man aan boord van de HoUandia moet zijn geweest; niet Paulus van Caerden, niet Aernout Lintgens, niet Van der Does, niet de schrij- ver van het Verhael of Journael. Wie dan wel?
Niemand anders dan Jan Jansz Kaerel. Hij was in letterlijken zin bevoegd te schrijven: „Wij zonden Patdus van Caerden naar land" . Hij somt nauwkeurig de voor den koning medegegeven geschenken op.
1) De toenmalige assistent resident van Zuid Bali \V. F. J. Kroon schreef mij 19 Mei 1912 in antwoord op mijn vraag: „Van zulk een versterking en verdedigingsmuur is hier absoluutniets meer bekend ; overblijfselen zijner in iedergeval niet van te vinden Wel gaat de weg, waar die thans aan de O zijde van de Oenda begint tot aan Koesamba en verder naar de Padangbaai (d. i. zoo wat 3 uur gaans langs heuvelreeksen, maar daar kan toch onmogelijk een versterkte muur mee zijn bedoeld. Het bestaan hebben van zulk een muur en versterking moet ik om twee redenen betwijfelen :
1° Had de Vorst van Bali in die tijden van die zij Ie geen gevaar te duchten; de Oostelijk van Bali gelegen eilanden hadden geen bevolking, die gevaar opleverde vcor het Balische rijk. Wel bestaat nog de herinnering aan zeeroovers, maar tegen hen kon het geen nut heb- ben, zulke énorme vestingwerken op te werpen, omdat zij dan eenvoudig hun rooftochten op de streken bezijden die muren konden richten Was er voor den Balischenvorstreden ge- vaar te duchten, dan moest dit komen van Java en had dus de kust van Djanibrana in staat van tegenweer moeten zijn gebracht. Daar hebben dan ook inderdaad invallen van Moham- medanen uit ]ava plaats gehad, maar van eenige beteekenis zijn die nimmer geweest.
2° De heuvelreeksen, die hier zoo dicht de strandlijn naderen en hier en daarloodrecht uit zee oprijzen, vormen reeds een zoo prachtige verdedigingslijn (in latere oorlogen tus- schen Kloengkoeng en Karang Asem dan ook vaak als zoodanig aangewend) d.it het wer- kelijk absurd moet lijken hier nog een zooveel krachten vereischend werkoptebouwen.om daarmede een tweede verdedigingslinie te krijgen, terwijl daarnaast de niet zoo gunstig door de natuur geholpen streken geheel onverdedigd moesten blijven TusschenGèlgèl en de Padangbaai behoefde de natuur waarlijk niet nog op 200 bijzondere wijze met kunstwer- ken te worden aangevuld.
3) Zieook Dl. II, p. ao3.
IV
Hij zag dat Van Caerden door den vorst uitgeleide werd gedaan naar het strand en geeft uitvoerig weder, wat deze hem na zijn terugkeer aan boord daarover vertelde. Hij had het verslag van Lintgens ontvangen, neemt een en ander daaruit over, ^) en loopt er in als hij komt aan het verhaal van den muur.
Met dat doel werd kennelijk dit reuzenwerk uitgevonden. Lintgens had daarbij vrij spel, niemand zou hem tegenspreken. Van Caerden was alleen aan de westzijde van het eiland aan land geweest. Roden- burch, zijn reisgenoot, bij het vertrek achtergebleven. Voortschrijvende aan zijn verslag, en zich zelf vermakende met zijn opsnijden tegen de Baliërs, zal hij lust gekregen hebben, — en daarbij is mogelijk zijn fantasie door een lichten dronk geholpen — op dezelfde wijze zijn jon- gen commies er tusschen te nemen. ^) Hij maakte toch geen stuk, be- stemd om aan het collegium en zoo aan de bewindhebbers te worden overgelegd, maar adresseerde het aan Jan Jansz Caerel persoonlijk.
Is deze voorstelling juist, dan heeft men hier te doen met een zeer bijzonder geval, waardoor ons vertrouwen in de terecht geroemde waar- heidsliefde van onze oude zeevaarders in het algemeen niet behoeft ge- schokt te worden. Aan de teekenaars, die de journalen moesten illus- treeren en bij gebrek aan gegevens genoodzaakt waren aan hun ver- beelding de noodige aanvulling te ontkenen, moet men een anderen maatstaf aanleggen dan aan de schrijvers. Dit is ook noodig bij het kaartje van Bali, voorkomende i7i Dl. I p. 202, in het journaal van Willem Lodewycx. Men was, toen dit gedrukt werd, omtrent den muur reeds beter ingelicht en deze wordt dan ook weggelaten. Maar daarvoor is iets anders in de plaats gekomen, dat de aandacht trekt, namelijk een zevental cirkelvormige terrasbouwen. Wat daarmede be- doeld wordt is niet duidelijk. Elders wordt van deze soort werken niet gesproken. Men vraagt zich af, kan de teekenaar in beeld hebben wil- len brengen „de fortefi" {die in 't gebergte liggen), bestemd om rijst te bewaren als voorzorg tegen gebrek door misoogst of vijandelijke inval- len, waarvan gesproken wordt op p. ig8 van Dl. I. Maar da?i dienst te worden opgemerkt, dat de aangegeven vorm even cnigeschikt schijni voor verdedigingswerk als voor voorraadschuur. Bovendien liggen ze niet in het gebergte, maar dicht aati het strand. Voorloopig schijnt het best ze met den muur terug te wijzen naar het rijk der verbeelding, waaruit ze zijn voortgekomen.
I) Hij maakt de 300.000 man, het totaal der bevolking, tot evenveel strijdbare mannen te voet en vergroot het aantal ruiters tienmaal tot 100.00 j, mogelijk gevolg vaneen vergis sing. Dezelfde vergissing begaat Pontanus, Montanus ed. 1614, p. 234.
a Verg. hiervoor p. XXVII.
LI
Jeronimus Maryen. (p. 107 — 117).
Dit journaal wordt hij De Jonge Dl. II p. 286 vermeld onder d., als vermoedelijk gehouden op het schip Hollandia van 10 Maart i^gó — 26 Fehruarij [lees 26 Mei) 1597. Het is kort, weinig belangrijk en vol verkeerde data.
De met zorg geschreven copie vertoont hetzelfde schrift als het 30 November gedateerde en 5 December ingeleverde protest van een acht- tal adelborsten. ^) Wanneer men de in latijnsche letters geschreven eigennamen, welke in beide stukken voorkomen, vergelijkt met de ori- gineele naamteekening van den adelborst Jeronimus Maryen onder het profest, dan blijkt duidelijk, dat beide van zijne hand zijn.
Het journaal is in ieder geval gedurende het laatste gedeelte der reis blijkens den inhoud [verg. het medegedeelde aangaande het verzeilen van de West- naar de Oostkust van Bali op 12 Februari 1597 en om- trent de scheiding van de Mauritius en het jacht voor St. Hele^ia op 25 Mei isgy) gehouden aan boord van de Hollandia. De vraag is echter of Maryen op dat schip van Texel is uitgevaren. Daaromtrent bestaat zeer gegronde twijfel.
Toen toch de stuurman Pieter Dircksz Keyser in de baai van St. Augustijn, op 2y October 1595, de bemanning der Hollandia bijeen- geroepen had om te getuigen, dat de commies van dien bodem Gerrit van Boninghen zich tot dusverre op de reis in alle opzichten als man van eer gedragen had, was Maryen daarbij niet tegenwoordig, en werd de verklaring dan ook niet door hem geteekend. i) Wel was dit het ge- val met 5 der 8 onderteekenaars van het protest.
Uit het feit, dat hij het protest geschreven heeft, mag niet worden af- geleid, dat hij het ook heeft opgesteld. Hij wordt 14 December 1595 niet onder de hoofdaanleggers van het verzet genoemd^), en zal zich uit ontevredenheid over zijn overplaatsing en waarschijnlijk overtuigd dat Van Boninghen onbillijk behandeld was, bij zijne medestanders heb- ben aangesloten. Van welken bodem hij op de Hollandia is overgeko- men, blijft in het onzekere.
Opvallend is, dat het begin van dit journaal groote overeenkomst vertoont met dat van den onbekenden schepeling op de Hollandia, on- middelijk hierachter afgedrukt, een overeenkomst, zoo sterk, dat men zich afvraagt, of Maryen het werk van den ander tot voorbeeld heeft
i) Dossier van Boninghen, no. 20, p. 239. 2) Ibid. no. 14, p. 237.
3) Ibid. no. 29, p. 245.
Lil
genomen. Nuchterder van opvatting dan de anonymus, heeft hij hier en daar wat weggelaten of toegevoegd. Natuurlijk is hij uitvoeriger als hij spreekt over gebeurtenissen, waarbij hij zelf tegenwoordig was, zoo- als het aan land gaan in de baai van Sam Bras en aan de Versche ri- vier; in het bijzonder bij de beschrijving van den moord van den onder- stuurman Claes Jansz Fortuyn.
Eerst na het afscheid van Madagascar houdt de overeenkomst op en hopen de journalen uiteen. Maryen breekt plotseling af op 26 Mei 1597 > zonder dat ziekte of dood daarvan de oorzaak is geweest.
Hij voer toch ly Juni 1602 als onderkoopman op de Zon met de vloot van Wybrand van Warwyck weder uit. Men is er niet in geslaagd zijn geboorteplaats op te sporen. Een aanwijzing daaromtrent mag worden gezien in een opmerking, die hij maakt bij de ontmoeting op 11 Mei 1595 {p. loy) met de schepen van San Thomé, namelijk dat zich onder de schippers een Rotterdammer en een Schiedammer bevonden. Waarschijnlijk is zijn bakermat in de buurt van die steden aan den oever der Maas te zoeken.
Anonymus, (p. 121 — 133).
Een meer bijzmider karakter draagt het nu volgende eveneens weinig belangrijke journaal, in De Jonge Dl. II p. 28 5 aangeduid met a en omschreven „vermoedelijk gehouden op het schip Mauritius van 6 {lees 10) Maart i^gs tot 8 Augustus 1597.
Deze omschrijving berust op een vergissing. De steller was van het begin tot het einde der reis aan boord van de Hollandia. ^) Mogelijk werd De Jonge misleid door het bericht op p. 125: „den 10 Jannewarij sterf Vechter Willemsen, onse stuerman va7i Monneketidam", voor- bijziende dat deze, oorspronkelijk stuurman op de Mauritius, bij zijn overlijden langer dan twee maanden had gevaren op de Hollandia.
Het journaal is niet compleet. Vier bladzijden zijn verloreti gegaan, zoodat het 11 September, toen de schepen voor Bantam lagen, af- breekt, om eerst 22 Februari, kort voor het vertrek van Balt, vervolgd worden.
De mededeeling in het begin, dat bij Texel lading werd ingefiomen, en dat daarbij het eerst ammunitie van oorlog wordt genoemd, leidt tot het vermoeden, dat hij constabel of busschieter was. Uit zijn hand- schrift kan niets verder omtrent zijn persoon worden afgeleid; onder de
i) Verg. ia October 1595 p. 123,24 April en 26 Mei 159; p. 132.
LUI
aanwezige stukken wordt geen handteekening gevonden, die eenigzins op het schrift van zijn journaal gelijkt.
De man schijnt in ruime mate lichtgeloovig en bijgeloovig geweest te zijn, een echt kind van zijn tijd. Hij brengt over, wat hij heeft van hoo- ren zeggen, het onzinnig verhaal van de halsversiering der vrouwen van heldhaftige kaffers, ^) zoowel als de praatjes over de mislukte plannen van den Gouverneur van Bantam tot vergiftiging det Hollanders. ^) Hij vernam vijf nachten achtereen den duivel voor het hollandsche kerkhof en hoorde den dag vóór schipper Dignumsz' dood drie geheim- zinnige schoten, zoo het scheen, aan land. ^)
Uitvoeriger wordt ook hij, bij zelf medegemaakte gebeurtenissen. Zoo bij den overval van de aan land gelegerde zieken op Madagascar, waarbij ook zijn leven bedreigd werd; bij den moord op Claes Jansz Fortuyn, wiens lijk hij mede in de schans bracht; bij de tuchtiging in de baai van Antongil; bij het verblijf voor Engano.
Zooals boven werd aangeteekend gelijkt het eerste gedeelte van zijn kroniek veel op dat van Jeronimus Maryen. Mogelijk heef t hij dat de^ zen ter inzage gegeven bij diens overkomst op de Hollandia.
Opmerking verdient het slot, waar op de vraag aan een oorlogschip of „onze heer" nog leefde in het voorbijvaren geantwoord wordt: ja. Onze heer zal toch wel Prins Maurits geweest zijn, wiens beeld in die dagen in aller harten leefde.
Cornelis Jansz Turck (p. 137 — 181).
De nu volgende fragmenten van een dagregister worden bij De Jonge II p. 236 vermeld als twee verschillende journalen, een b gehouden op de Mauritius van 24 Maart — S December i^gs en een dito c, waar- schijnlijk ook gehouden op hetzelfde schip van 7 April tot ig Septem- ber.
Rogge heeft evenmin opgemerkt, dat beide stukken het werk zijn van denzelfden persoon. Hij zegt {p. 412 noot) : „het journaal c op de Mau- ritius gehouden, breekt igSeptember 1595 reeds af, waarschijnlijk omdat de schrijver stierf. Een ander journaal van hetzelfde schip b, dat enkele niet onbelangrijke aanteekeningen bevat, eindigt even plot- seling op S December 1595" . „Dit journaal", zoo vervolgt een nieuwe noot, „eindigt op 8 December 1595 met het bericht, dat de stuurman van de Mauritius Claes Janssen met twee adelborsten op 26 Novem-
i) p. 12a. 2) p. 123. 3) p. 131.
LIV
her door de inboorlingen werd vermoord. Misschien is ook de schrijver kort daarop gestorven".
Inderdaad zijn heide stukken van een onvoltooid journaal geschre- ven door dezelfde hand, en wel door die van Cornelis Jansz Turck, tolk aan hoord van de Mauritius. Daaromtrent kan geen twijfel hestaan. Zijn werk draagt een sterk -persoonlijk karakter en waar mogelijk is hij de held van het verhaal. ^)
Het kortste van heide fragmenten werd gebruikt hij het opstellen van het groote; hier en daar werd een kleine uitbreiding aangebracht, maar overigens is het verschil van weinig beteekenis.
De aanteekeningen, gedurende de reis gemaakt, zijn later omge- werkt. Het „actem" op zekeren datum heteekent geenszins, dat de no- titie dadelijk in dezen vorm iverd opgeschreven. Dit blijkt voortdurend. Zoo op 26 April {p. I3g), als aanwezigheid van „een groot aantal hok- ken, waar ons volk niet al te graag naar was" gevolgd wordt door de toevoeging, dat bij het latere gebrek aan voedsel zij ze gaarne gegeten, ja hun vingeren daarnaar gelikt zouden hebben.
Sprekend o.m. ook op 26 November 1395 [p. 176), waar hij den moord van Claes Janssen gewezen wordt op de onbetrouwbaarheid der Moor en in verband met den overval van Sëdajoe op 5 December 1596, meer dan een jaar later.
Vermoedelijk is Cornelis Jansz. gezond en wel in het vaderland te- ruggekeerd, en is hij in de uitwerking van zijn notities gestoord, door andere oorzaak dan de dood.
Omtrent zijn leven en lotgevallen is niets meer hekend, dan hetgeen uit zijn journaal is af te leiden. In zijn jeugd zal hij weinig schoolon- derricht genoten hebben. De taal van zijn geschriften is dikwijls slechts met eenige inspanning te begrijpen. In het rekenen heeft hij het niet ver gebracht, hij schrijft toch 100 40 en 100 60 voor 140 en 160. Ook de kennis van vreemde talen, die tot zijn aanstelling als tolk heeft ge- leid, zal hij zich niet in de studeerkamer hebben eigen gemaakt.
Hij schijnt heter spaansch dan portugeesch gekend te hebben, want hij schrijft voor eiland: Issle, in plaats van lelja {Ilha) ^). Waar- schijnlijk heeft hij eenigen tijd in spaansche havens verblijf gehouden; in ieder geval heeft hij kennis gemaakt met de zeeroovers van de kusten der Middellandsche zee, en daarbij ongewenschte gelegenheid gekregen
i) Cornelis, tolk, p. 148, 154 Cornelis Jansi, tolk, p. 150, 15a. 154 Cornelis Turck p. 151, 155, enz.
2) Issle dije Maijoo. p. 138. Van der Does schrijft Ulo, spaansche vorm. die als portu- geesch leljo klinkt, Dl. II p. 247 ; de schrijver van het Verhaal spreekt Dl. II p. 5 van Isole de May en bewijst daarmede, dat Italiaansch hem niet vreemd was.
LV
hun taal te heren. Uitdrukkingen als: „ik geloof en vertrouw geen Moor, want mij is daardoor te veel leeds geschied" , en zijn herhaalde aanmaningen tot voorzichtigheid getuigen van hittere ondervinding en geven te denken.
Het journaal loopt niet verder dan het verblijf in de haai van St. Augustijn en is over het algemeen weinig helangrijk. Hei is daarhij niet vrij van onnauwkeurigheden. Toch zou men het niet gaarne mis- sen. Een terloops gemaakte opmerking omtrent een uitlating van schipper Muelenaer, elders steeds als een gemoedelijk man voorge- steld, geeft een merkwaardigen kijk op de verhoudingen aan hoord van de Mauritius. Dat deze in Augustus 1595 hij het hegin der ziekte toen niemand vermoedde welk eenvreeselijkverloop zij zounemen, hij herha- ling kon wenschen, dat er 25 te gelijk over hoord gezet zouden worden^) , hewijst, dat een deel zijner hemanning hem aanleiding had gegeven tot zeer ernstige ontevredenheid.
Zijn beschrijving van den toestand, toen de scheurbuik dagelijks of- fers eischte, is treffend in haar eenvoud. Men komt onder den indruk van het eentotiige „stierf en werd over hoord geworpen" en gevoelt welk een sombere stemming daardoor gewekt moest worden; een in- druk, die verhoogd wordt door de sobere schildering van de aangrij- pende omstandigheden, waaronder sommigen werden weggerukt. Bij het afsterven van hen, die al sprekende dood waren, hoort men het vloeken van den ijlhoofdige, die een kanon vraagt om de hel te hestor- men, 2) en het knagen der ratten aan de lijken, die wachtten tot hun beurt was gekomen. ^)
Onbetwistbare verdienste heeft zijn boeiend verhaal van den tocht op iS en ig September met Paulus van Caerden en Emanuel Roden- burch, *) uitgegaan om een inlandsche nederzetting op te sporen. Men leeft met hen mede, als zij door de wilden worden misleid en in letter- lijken zin van het woord uitgekleed, en zegent de ongedachte omstandig» heid, die hen van hun kwelduivels verloste.
Hoe scherp komt hier in den langen, donkeren nacht het karakter van zijn beide gezellen uit. Reeds toen was op Paulus van Caerden het oordeel toepasselijk, dat Matelieff twaalf jaar later over hem zou uit- spreken: hij had hart en courage genoeg, maar het ware ie wenschen, dat hij meer zorg had gehad; reeds toen ziet men in hem den Admi- raal, die uitmuntende door persoonlijke dapperheid door eigen roeke- loosheid tot tweemalen toe in handen der Spanjaarden zou vallen, om na 6 jaar gevangenschap te Manila zijn leven roemloos te eindigen.
i) p. 145. 2) p 147. 3) p. 169. 4) p. isa— 166.
LT1
.^Mlrf
«éif
1 .ir^ttfll yjB
l XTfix.
arm
fW I
««^■MTvr^
Vm «
Mm «w 4A' '
Uf '«^ fc
.X-
i« A
|
ftm éi- |
. «• |
|
**■' |
,>ri |
|
MM*'. |
.'«fli |
|
hrw*. |
•w. |
|
•%» |
uJ |
LVII
ii tc4 2 Nüvtmbtr wttÜgêH dit vermoeden. Zoo ook het slot van de léUtstm wümr de peper wast", uaarin gesproken wordt ox'er de tikwÊÊfulm urn Banda en de Moluk^^^ '*Kuscaatfwtett, foelie
' hfuiémétftltn, weUu naar Bankun Vc ' rachi, otn daarvoor
/ m katcenen Ujnvaad ttru^ ie voeren.
/ ; , :. . • ' '.r. de allerlaatste da^en van i>j I2
-xi è^-;.' \:, i' : ; 'i '"'; •«'"^ »'» de lijst op p. XX VI
TM Dl. 1 1 n. Hei is voigens Dr. xfan Overvoorde met groote
i.trscJtijnitjkheid a/komsiig uit het archief van de vroegere Weeska-
vf U Le\da%, en uerd daar als Jos stuk" a.r- ■'■ ">m. zonder dat is V .tin (nt ueikcn boedel het beh<H'rd heeft, >: uantteer het in
iS terecht gekomen. Hei M een „prachtig" geschreven copie van een uittreksel u\t een tmaal. en wel. zooals ' ' '^' ". uit dat van Frank van
r Does. Hei afschrift i„. "/ Lampe *), boekhouder
f Oude Oost- Indische Compagnie. OpialUnd is. dat de data tus- 'len 22 Juni en ij September, du betreffende het eerste verblijf voor ania*' ingelaten: een période, die in het groote jour-
lai :e*. w behandeld.
Enkele 'k. ngen u orden aangetroffen. Op 26 April 1595
yrdi ge9^roMém van Insle de Maic, %n plaats van Ulo do Maio, wat >ei denhen aan h\ .den oud ' .'. of aan een vrijheid van
en afschrijver: op .^ -ber 7596 : jer 2000 ingevuld, dat xn
n. II p. 300 ontbreekt; op 24 October zijn bij de 10.000 stukken van
achiam (op p. 305)9 brooden gouds gekomen :dedatums van 24 Decem- er 1596 en 16 en 24 J »' ^^n dag later gesteld: op 26
Januari 7597 wordt t< ^^^tr lag eat overste met 10.000
fnan, om die van BL^ n te ontzetten", terwijl de hoofdtekst
iaarover xwijgt en alleen op p. 349 vermeldt, dat de Koning met dal
doel nog volk laat verza melen .*)
Van der Does breekt zijn journaal af op 13 Juni 1597. „toen hij
blijkbaar lichamelijk niet meer koti" {Inleiding Dl. II p. LXXIV).
Deze gevolgtrekking vindt geen sUun in het Verkort Journaal, dat
voortgezet wordt tot de thuiskomst en geschreven in het schip Hollandia
I) Brief rao H. W. Fischer f 7 Mamrt 1918)34 December 19»» "« Rouffaer.
s) Zie BijUma. De Archieven ran de Compagnieén opO.-Indiê 1594— »6o3. Den Haag
«9J7-P-4*- 3) Wüle» Lodewljcx ( Dl 1. p. 184) ontTiog bericht Tan de aanweiigbeid ran 8000
isan; het Verbaal geeft 10.000 maa.
LVI
Naast hem verschijnt de lichtzinnige jonkman, die door zijn achte- loosheid allen bijna in het verderf had gestort, en die anderhalf jaar later opzettelijk zou achterblijven, alles vergetende voor de aantrekke- lijkheid der Balineesche schoofien.
Dit gedeelte van Cornelis Jansz Turck's journaal verdient aan de vergetelheid ontrukt te worden.
Aanteekeningen betreffende dereis, het verkort Journaal enz. (p, 185 — 194).
De Aanteekeningen betreffende de reis en die over de „Plaetsen> waer de Peper wast" , behooren bij elkander. In de lijst op p. XXVII van Dl. I zijn de Aanteekeningen vermeld als „{H) Notitie van schip- per SimonLambertsz Mau en commies Jan Jansz Kaerel {den Jonge) uit het najaar van 1397"/ ten onrechte evenwel, zeker is dat deze schip- per noch deze comtnies daaraan deel hebben gehad. Wie die aanteeke- ningen dan wel gemaakt heeft, is niette zeggen. De samensteller schijnt bijzonder het oog te hebben gehad op de schippers en de commiezen en teekent de data aan van het overlijden van alle op de reis gestorvene, Dignumsz, Heynck, van Heil, Schellinger en Muelenaer.Met het op- schrijven der nameti van Mau en Kaerel schijnt hij geen andere be- doeling te hebben gehad, dan te zeggen, dat dit de hoofden aan boord van de Hollandia, zijn schip, waren.
Op de keerzijde van het stuk geeft hij, tusschen namen van steden en personen, die der waardigheidbekleeders op de vloot bij het uitvaren.
Het laatste gedeelte zijner aanteekeningen is, nadat hij ze reeds had afgesloten, beginnende met 11 Juni i§g6 {p. 1S6), overgenomen uit het Verkort journaal van Van der Does {p. i8g, igi en lys), die met hem op de Hollandia diende.
Van hem is mede het deel van „Plaetsen waar de Peper wast", dat volgt op „Bimha, [Bima), Cumba (Soemba) en Balimbugaen {Palem- bang). Wat daaraan voorafgaat is met een andere hand geschreven, en handelt behalve over de herkomst der peper, over den handel der Chi- neezen op Bantam, den invoer van caixa's, ^) zijde, ijzerhout, porce- lein, drogerijen, in ruil voor peper {5 dó zakken voor een kèti).
Waarschijnlijk had hij betnoeietiis met de koopmansgoederen tn de lading der ingenomen producten; zijn aanteekenifigen van 27 Augus-
i) Zie Dl. I p. 65.
LVII
ius tot 2 'November wettigen dit vermoeden. Zoo ook het slot van de „Plaetsen waar de peper wast", waarin gesproken wordt over de voortbrengselen van Banda en de Molukken, nootmuscaatnoten, foelie en kruidnagelen, welke naar Bantam werden gebracht, om daarvoor rijst en katoenen lijnwaad terug te voeren.
Het Verkort Journaal kwam eerst in de allerlaatste dagen van I'^i2 in het bezit van het Rijksarchief . ^) en werd in de lijst op p. XXVI van Dl. I opgenomen. Het is volgens Dr. van Overvoorde met groote waarschijnlijkheid afkomstig uit het archief van de vroegere Weeska- mer te Leiden, en werd daar als „los stuk" aangetroffen, zonder dat is na te gaan tot welken boedel het behoord heeft, en hoe en wanneer het in dat archief is terecht gekomen.
Het is een „prachtig" geschreven copie van een uittreksel uit een journaal, en wel, zooals hij vergelijking blijkt, uit dat van Frank van der Does. Het afschrift is gemaakt door Barent Lampe ^) , boekhouder der Oude Oost-Indische Compagnie. Opvallend is, dat de data tus- schen 22 Juni en 13 September, die betreffende het eerste verblijf voor Bantam, geheel zijn weggelaten; een période, die in het groote jour- naal zeer stiefmoederlijk is behandeld.
Enkele kleine wijzigingen worden aangetroffen. Op 26 April 1595 wordt gesproken van Insle de Maio, in plaats van Ulo do Maio, wat doet denken aan Insula van den oud-stiident, of aan een vrijheid van den afschrijver; op 13 October 1596 is het cijfer 2000 ingevuld, dat in Dl. II p. 300 ontbreekt; op 24 October zijn bij de 10.000 stukken van achten (op p. 305)9 brooden gouds gekomen ;dedatums van 2 4 Decem- ber i^gó en 16 en 24 Januari i^gy zijn één dag later gesteld; op 26 Januari i^gy wordt toegevoegd: „Aldaar lag een overste met 10.000 man, om die van Blambangan te ontzetten" , terwijl de hoofdtekst daarover zwijgt en alleen op p. 349 vermeldt, dat.de Koning met dat doel nog volk laat verzamelen. ^)
Van der Does breekt zijn journaal af op 13 Juni 1597, „toen hij blijkbaar lichamelijk niet meer kon" [Inleiding Dl. II p. LXXIV). Deze gevolgtrekking vindt geen steun in het Verkort Journaal, dat voortgezet wordt tot de thuiskomst en geschreven in het schip Hollandia
i) Brief van H. W, Fischer (f 7 Maart 1918) 24 December igia aan Rouffaer.
2) Zie Bijlsma. De Archieven van de Compagnieën opO.-Indiëi594 — 1603. Den Haag 1927. p. 48.
3) Willem Lodewijcx (Dl. I, p. 184) ontving bericht van de aanwezigheid van 8000 man; het Verhaal geeft 10.000 man.
LVIII
„leggende in Texel". Men zou daardoor eer aan een andere reden denken.
Een andere copie van het Verkort Journael, getiteld „ Uytteyckinge van de Reyse", wordt aangetroffen in den Bundel Vulcanius in de Leidsche Universiteits-bibliotheek. Deze vertoont slechts zeer geringe afwijkingen, waarvan de voornaamste is, dat de ambassadeur van Malaka op 24 October i^gy slechts 1000 dukaten en ettelijke brooden gouds medebracht, om den Gouverneur van Bantam te be- wegen, de Hollanders te lijf te gaan.
Brieven uit Bantam (p. 197 — 209).
De brieven, welker afschriften hierachter zijn afgedrukt, werden niet, zooals het opschrift aangeeft, alle tusschen 3 en ig Augustus 1596 door Jan Jansz Kaerel geschrevsn. Van de 12 aanwezige zijn er 8 van hem zelf, i van Cornelis Nasen en 5 van Willem Lodewycx af- komstig. De copieën werden gemaakt door den ondercommies Corne- lis Nasen, die van 14 Juli tot 8 Augustus in Bantam vertoefd had.
Nadat den I2den Juli de overeenkomst van den jden tusschen den Gouverneur van Bantam en de Hollanders was bevestigd en uitge- breid, had het College met meerderheid van stemmen besloten, in te gaan op het aanbod, eenige koopwaren aan land te brengeyi en in het daarvoor aangewezen huis buiten de stad op te slaan. De commies Van Heil, die dezen stap ontraden had, omdat hij den toestand niet vertrouwde, en gevaar zag voor de goederen en voor het leven van de personen, die met den verkoop belast waren, werd met de regeling der zaken aan wal belast. Eigen waarneming van den invloed der Portu- geezen en waarschuwingen van verschillende zijden hadden zijn wan- trouwen zoodanig versterkt, dat hij zich ziek gevoeld had en naar boord teruggekeerd was. Daarop was 2y Juli de cnidercommies Willem Lo- dewycksz voorloopig in zijn plaats gezonden, en een week later, ioe7i namens den Gouverneur de wensch te kennen was gegeven, iemand van gelijken rang als Van Heil aan land te hebben, de commies Jan Janz Kaerel.
Zoo bleef Kaerel de maand Augustus te Bantam tot den 28sten, toen de Gouverneur de sombere voorspelling van Van Heil tot waar- heid maakte en Cornelis de Houtman, Willem Lodewycx en eefi achttal adelborsten gevangen liet nemen.
De inhoud der brieven doet een dergelijken, plotselifigen slag niet verwachten, maar maakt wel duidelijk, dat de verhoudifig sedert 12
LTX
Juli, toen wederkeerig hulp tegen ieder en vijand werd beloofd, veran- derd was. Daartoe bestond alle aanleiding. De Hollanders waren met beloften gepaaid, en de besprekingen omtrent den prijs, waarvoor, de hoeveelheid waartoe, en den tijd, waarin peper voor de lading der schepen geleverd zou worden, hadden ondanks krachtigen en herhaal- den aandrang hunnerzijds tot geen gevolg geleid. Zij bleven daarom- trent geheel in het onzekere ver keer en.
De prijs, waarvoor peper gekocht zou worden, hing nauw samen met de waardeverhouding, die ten slotte tusschen de landsmunt, de caixa's, welke alleen plaatselijk gangbaar waren, en hun deugdelijke zilveren realen zou worden vastgesteld. De medegebrachte goederen konden, wanneer ze niet rechtstreeks voor peper geruild konden wor- den, slechts voor caixa's worden verhandeld. Van daar, dat bij het ontbreken van een overeengekomen basis van inwisseling, de koopwa- ren door de Hollanders op hoogen prijs werden gehouden, waarvan het gevolg was, dat de Bantammers weinig kooplust toonden en dat er zeer weinig omging. Slechts de Gouverneur, de Sabandar en enkele grooten, die van de gelegenheid om crediet te krijgen gebruik maakten, in het vertrouwen later hun rekening te kunnen maken, namen een en ander tot zich. Onder die omstandigheden onthielden de Hollanders zich er van, aan den raad van den Sabandar gevolg te geven en meer goederen aan land te brengen.
Voor den Gouverneur bestond er geen aanleiding met den verkoop van peper haast te maken, omdat er geen hoeveelheid van eenige be- teekenis te Bantam aanwezig was. Voor de aflevering van één of meer scheepsladingen moest gewacht worden op den nieuwen oogst. In overeenstemming daarmede was er op den pasar niets van beteekenis te krijgen, en wilde de Chinees, die zich 5 A ugustus aanbood als ma- kelaar op te treden, eerst over een maand of zes weken leveren {p. igg, 200) 1).
Het belang van den Bantammer was tegengesteld aan dat van de Hollanders. Bij nadere kennismaking was hun vrijgevigheid hem met medegevallen. Over de betaling van haven- en anker agegelden, waarop hun 12 Juli door den Sabandar gewezen was, hadden zij met geen woord verder gerept. Hun schrielheid had den Ki Patih geërgerd en hem ontvankelijker gemaakt voor de inblazingen der Portugeezen, die hij sedert jaren kende, en met wie hij op goeden voet wilde blijven. Bij
i) Iets geheel anders dan Ponfanus aan Kaerel in den mond geeft, waarbij dezen laat zeggen, dat een Chinees 500 zakken peper gereed had om te leveren, als hij verlof had van den Gouverneur. Hierachter p. 28.
LX
zijn bezoek aan den winkel op 6 Augustus voegde hij, verstoord omdat niet meer goed aan land was gebracht en gebelgd over den hoogen prijs, die voor het door hem verlangde geéischt werd, den onzen de woorden toe, dat zij „maer quaemen om tlant te besten ende niet ie vercoepen".
{p.200).
De brieven, waarin bericht wordt over hetgeen aan land voorviel geven een inzicht in den aard der goederen, welke ten verkoop werden aangeboden, en de wijze, waarop die aan den man werden gebracht. Men hoort van laken in verschillende kleur, van linnen, saaien, wollen goederen, dekens, gaas, van allerlei soort van glazen en andere kra- merij, als spiegeltjes, barnsteen, messen, sloten, maar ook van storm- hoeden en harnassen, kortom van alles, wat op grond van ingewonnen inlichtingen geacht kon worden in den smaak van de oostersche klan- ten te vallen.
De verkoop geschiedde met loven en bieden, alsof de mizen bij de Ghineezen met hun „boleh tawar" ter school waren gegaan. De bedoe- ling was daarbij niet veel, maar zoo duur mogelijk te verkoopen.
Kaerel's laatste brief, die van ig Augustus, bevat de verzuchting, dat men nog steeds niet tot een accoord met den Gouverneur gekomen is, hetgeen te meer betreurd wordt, nu het aanbod van peper van ver- schillende zijden sterk begon te worden en de concurrentie der Ghinee- zen, zoowel bij den inkoop van producten als bij den verkoop van wa- ren, zich niet lang meer zou laten wachten.
Aan het slot op p. 210 is een brief afgedrukt van 8 October 1596, na den terugkeer van de schepen van de zuidkust van Sumaira ,door Wil- lem Lodewycksz geschreven en mede geteekend door Wouter Wilkens en Jan Jansz Suart, alle drie destijds in gevangenschap te Bantam. Deze brief leas vroeger bij het dossier van Boninghen gevoegd, en is nu n* 14 van het archief der Gomp. vaji Verre ^).
Dossier Van Boninghen (p. 213 — 284).
In het archief der Gompagnie van Verre komt {n°. 5 — 12) een bun- del bescheiden voor, getiteld „stukken van den scheepsraad betreffende de geschillen tijdens de reis, 1595 September 18 — i^gy Maart 6", ^)
Deze stukken hebben behoord tot een verzameling, bestemd om dienst te doen bij het proces, dat na den terugkeer der vloot gevoerd zou worden tegen den commies Gerrit van Boninghen. Het meerendeel
i) De nummering is van den archivaris Mr. R. Bijlsma in „De Archieven van de Com- pajjnieCn op Oost-Indie 1594 — 1603"'.
LXI
werd bijeengebracht met het doel de aanklacht van de schippers en de andere commiezen te steunen; een veel kleiner deel is kennelijk afkom^ stig uit de in beslag gommen -papierefi van den beklaagde, bestemd om bij diens verdediging te u orden gebruikt. Alle hebben rechtstreeks of zijdelings betrekking of Van Boninghen met ééne uitzondering: de absolutie van de instantie door den scheepsraad op 2g December I5g6 van Cornelis de Houtman naar aanleiding van het vermoeden, dat hij den schipper Jan Jansz Muelenaer door vergif om hei leven zou hebben gebracht {hayidschrifi van Jan Janz Kaerel, in facsimile afge- drukt in Dl II tegenover p. 328). Werd dit stuk uit den bundel gelicht^ een ander uerd daaraan door mij toegevoegd, nl. „Punten ter interro- gatie van Gerrit van Boninghen, gedateerd 9 Juni en tta vertoon aan Beu'iyidhebberen onderteekejid door Cornelis van Eeniskerck" {ar- chief n° 24). ^) Zoo ontstofid het getal van 48 stukken, die hierachter naar tijdsorde zijn afgedrukt. Van deze zijn de nrs 4, 5, 7, 9, 12, 13, IJ, 23, 2y, 2g 38 en 41 in tweei'oud, nr. 3 in drievoud aanwezig, waardoor het totaal tot 62 klimt.
Wanneer men het handschrift dezer stukken nagaat, dan blijkt dat van niet minder dan 58 kan nor den vastgesteld, wie de schrijvers daar- van waren, veelal andere persoyien dan de oftderteekenaars.
Slechts bij de nrs 3b, 6 en 23a, welke van één hand zijn, en bijnr. 14, {evenals de bijlagen van n° 32, nl. de afschriften van een deel van n" 21 en van n° 25) was dit thayis niet doe?ilijk.
Aangenomen mag worden, dat geschreven werden door.
den Commies Gerrit van Boninghen - . Cornelis de Houtman
„ 5 Rernier van Heil
n n Berent Heycck
„ onder commies Jan Jansz Kaerel
commies „
onder commies Willem Lodewycx p . Cornelis Nasea
stuurman Pieter Dircksz Keyser adelborst Paulus van Caerden „ Lambert Biesman „ Jeronimus Maryen „ Cornelis van Etmskerck
3 stuks
5 r
4 a
9 B
de nrs i, 15, 46.
. . i2tf, 17*, 19, 24, 35.
B r 36. 37. 3^< 45-
, „ II. 17a. 18, 26, 27a,
*9«. 30. 39. 44- B p 2, 3f. 4^. 5J, 7J, 7J. 8, 9*, 10, I2i. 13a, 135, 16, 21, 22, 233, 25, 27^,
2S, 2cJ, 41a, 41^. » r 47- » > 38*. 43. 48.
B « 3"». 4J. sa.
I, » 9^
» n 31. 32. 33. 34-
r > 40.
r a 20.
. „ 42.
Bovendien zijn in Amst^dam door twee personen 25 stuk-
i) Hierachter no. 42 van de lijst der stxikken, p. 265 — 269.
LXII
ken gecopiêerd {n° 23 van het archief) i), waarvan 3 tweemaal. Door mij zijn aangeduid met A 6 stuks, de nrs 1. 11. 30. 31. 33, 4$.
„ „ „ „ „ B 19 „ „ „ 12, 15, 16, tweemaal
17, 18, ig, 21, 22, tweemaal 23, 25, 26, tweemaal 2y, 37, 38, 3g, 41, 43, 44, 47.
Uit bovenstaande opgaaf blijkt, dat de ondercommiezen ook dienst deden als secretaris van de commiezen. Cornelis Nasen schreef de uit- gaande brieven voor Gerrit van Boninghen, toen hij onder dezen op de Hollandia werkzaam was. Na de vlucht van Van Boninghen van de Mauritius en zijn terugkeer op de Hollandia 25 December 1595 kon hij Jan Jansz Kaerel, die Nasen vervangen had, voor dit doel niet gebruiken, en namen de hem toegedane adelborsten Paulus van Caer- den en Lambert Biesman de taak over.
Opvallend is het groot aantal stukken van de hand van Kaerel. Tot het laatst van October 1595 werkte deze als ondercommies onder Van Heil op de Amsterdam, daarna tot 25 December onder Cornelis de Houtman op de Hollandia in de dagen toen het bewijsmateriaal tegen van Boninghen werd bijeengebracht; op dien bodem bleef hij tot den terugkeer in het vaderland.
Willem Lodewycx, sedert 27 October 1595, geplaatst op de Mau- ritius, schreef de bovengenoemde drie stukken voor Cornelis de Hout- man.
Het dossier is vooral belangrijk, omdat het omtrent de samenstel- ling der bemanning en over hare verhouding, onderling en tot hare overheid, bijzonderheden vermeldt, die van elders niet bekend zijn en waarvoor wij dankbaar hebben te zijn, ook al laten zij ons geheel onbe- vredigd.
Bij het lezen van deze brieven en bescheiden krijgt men geen verhef- f enden indruk. Twist en tweedracht zijn aan de orde van dag; brood- dronkenheid en aan muiterij grenzende weerspannigheid kenmerken den geest, die veelal op de schepen heerscht. Maar het wonderlijke
i) Op dit feit werd ik opmerkzaam gemaakt door Mr. R. Bijlsma, die wees op het wa- termerk van het voor deze afschriften gebruikte papier, dat verschilt van de merken (een elftal), welke voorkomen op de aan boord opgemaakte bescheiden.
Bevestiging van deze opmerking geeft een dezer copieën, N" 33, op welks origineel in dorsovoorkomtonder„Boninghen'sBrieffantCollegie" „pr'Jan. 96". Daarvan maakte de afschrijver „Pieter Jansz 96", en bewees daarmede, dat hij volkomen onkundig was van hetgeen er aan boord omging.
LXIII
daarbij is, dat de mannen, die, voor zoover zij naar voren treden, zich hij nadere kennismaking zoo zelden onderscheiden door groot- heid van karakter of door handelingen, welke onze bewondering of zelfs onze bijzondere symfathie wekken, toch tezamen eenreuzentaak hebhen verricht en den naam van hun land en hun volk groot hebhen gemaakt in de oogen van het overige Europa.
Al dadelijk wordt men verplaatst in een onverkwikkelijke atmos- feer. Teekenend voor den omgang van de eerste personen op de vloot is in het eerste stuk het feit, dat de commies van Boninghen van de Hol- landia bij het Hollandsche kerkhof op i8 September i^gs opgeroepen ter bespreking van maatregelen in verband met den diep treurigen toe- stand, waarin men verkeerde, niet aan boord van de Mauritius durft te gaan, omdat schipper Muelenaer gedreigd heeft zijn ondercommies Nasen in de boeien te zetten, en hij zelf vreest met pistoolschoten te worden ontvangen ^).
Teekenend voor de heerschende ruwheid onder de bemanning is in het tweede stuk het gedrag van den woesteling, die zwetsend en schel- dend met getrokken mes op de Amsterdam rondloopt, als men bedenkt dat deze Cornelis Luytsen de provoost is, de man, in de eerste plaats geroepen om orde en tucht aan boord te helpen handhaven ^).
Daarna begint de droeve geschiedenis, waarin de commies Gerrit van Boninghen de hoofdrol vervtdt. Thans moge een oogenhlik worden stilgestaan bij de beide personen, die bij het begin der ver- wikkelingen, onmiddelijk de aandacht vragen, Gerrit van Boninghen zelf en zijn stuurman Pieter Dircksz Keyser.
Over Gerrit van Boninghen is reeds met eenige uitvoerigheid gespro- ken in Dl I van Wieder's „De reis van Mahu en de Cordes". {p. yi en 72). Daarna komt hij voor in mijn „De reis van Olivier van Noort om de wereld. Dl lip. 60 en 61", waar gewezen wordt op de bloedver- wantschap tusschen hem en de adelborsten Jacoh Jansz Huydecoper en Lambert Biesman. „Zij noemden" , zoo wordt daar gezegd, „elkander neef, maar op welken grond is niet nader aan te wijzen". Door een voortgezet onderzoek, waarbij in ruime mate hulp werd verleend door Dr. F. Ritter te Emden, is gebleken, dat de Commies eveneens een achterkleinzoon was van Geurt Jansz van Beuningen.
Elias' staatje (p. 61) kan nu als volgt worden uitgebreid.
i) p. 216. 2) p. 216,217.
LXIV
GEURT JANSZ VAN BEUNINGEN, GEB. ± 1470
I. Jan
X
Catharina
Speldemakers
Dirk 1530—1590- Amsterdam
X
Marie Jansz
Schrijver
2.Jonge, later Oude Jan 3. Machteld Geurtsdr. 4.Geurt Jansz van Beu-
Geurtsz van A'dam (I) geboren ± 1500. ningen
geboren ± 1500. X geboren ± 1510/1515.
X Jacob Andriesz Bal X
CorneliaJanEvertszdr.
geboren 1502.
JongeJanvanA'dam(II) Janjacobsz Bal, alias
X Huydecoper
Geepken (Gebbeke) .. . 1541— 1624.
X
Lijsbeth Hendricksdr
Wou
Geurt Dirkz *j Gerrit van Boninghen 1565 — 1633. (van Amsterdam).
Geertruid Geurtsdr. geboren ± 1545.
X jacob Biesman geboren 1544.
Lambert Biesman.
Jacob Jansz Huy- decoper geboren 1568.
Gerrit' s grootvader, Jan Geurtsz van Beuningen was uit Amsterdam verhuisd naar Emden, waar hij algemeen hekend was, eerst als Junge, later als Olde Johann van Amsterdam (/). Van i^óv tot 1567, het jaar waarin hij overleed 2) , was hij een der 4 burgemeesters van Em- den. Hij had twee zonen, Junge Johann van Amsterdam {II) en David. Beiden waren gezeten burgers, die te zamen verschillende zaken dreven, als bierbrouwerij , reederij, haringvangst en pakkerij, enz. In het Seebrief register van i^yi — 1573 komt Junge Johann gedeeltelijk met, gedeeltelijk zonder David voor als tnedereeder bij 21 schepen. Van een dezer schepen, de Fredeborch, groot g^ last was schipper Dirk Keijser de Olde ^). Een tweede „ungenanntes Schiff van 85 last führte in i^yi Junge Dirrick Keijser" .
Junge Johann van Amsterdam II, Gerrit' s vader, was gehuwd met Gebbeke of Geefke, wier familienaam niet hekend is, maar die aan- zienlijke betrekkingen in Amsterdam had. Hij werd raadsheer in i^yi en stierf 23 October 1573; zijn broeder David overleed vóór 5 Januari
1597'
Gerrit had twee broeders Eilart en Johann van Amsterdam {UT), en 4 zusters; Hester, de tweede vrouw van den tateren burgemeester Johann Amelingh; Elisabeth, gehuwd met den onderneme^iden koop-
1) Deze Geurt Dircksz was in 1586 gehuwd met Aeltje" Appelman, en hertrouwd in 1594 met Maritje Pietersd. Geldzack. In 1597 was hij bewindhebber van de Nieuwe Comp.voor de vaart op N. 1; in 1602 medeoprichter en bewindhebber van de V. O. I, later herhaalde- lijk burgemeester van Amsterdam. Zie Elias Dl. I, p. 340.
Op deze familierelatie werd zeker mede door Biesman gedoeld, Olivier v. Noort Dl II p. 183
2) De Neue Ost-Frisische Chronica, Embden 1661, meldt Johan Honing senior over- leden op 31 October 1567.
3) Waarschijnlijk de vader van den stuurman Pieter Dircksz Keyser.
LXV
man Hinrich Heusken; twee andere, wier namen niet hekend zijn, hadden eveneens gegoede medeburgers, Hans Sijsen en Willem van Schwoll, tot echtgenoot.
Het geboortejaar van Gerrit is niet bekend. In 1600 werd zijn leef- tijd geschat oj> J5 d 40 jaar. Hij verloor zijn vader, toen hij nog een jongen was.
Omtrent hem teekende Dr. Ritter o.a. aan: In einer Urkunde vom 18 Dec. 1585 im ly. Bande der Emder Kontrakt Protocolle, seite 886, bekennt Gerdt van Boningen, dass er „dem Gelles Blaszen to Groithuszen 11 Gras ^) und ein Warff to Groithusen in dem Neerdt, alse to vom von seine [Gerts) Moder Gebke van Boningen, salige junge Johann van Amsterdam wedewe" , ver kan ft habe und der Zahlung der Kaufsumme quitirt.
2y Januar 1588 leiht Gert v. B. von Jacques Laubegeois {aus Gent) 800 gulden d 8% auf sein Haus in der St. Jacobsstrasse aitf der Butfenne. Dieser Laubegeois muss auch ein Verwandter von ihm gewesen sein; er gehorte einer groszen aus Flandern nach Emden ge- flüchteten Getreidehdndler-Gesellschajt an, an welcher Spitze die Cal- vinistischen Familien du Gardin [aus Gent) und Commelin {aus Douai) standen.
In den Pr oto kollen des Kirchenrats der rejcrmierten Gemeinde ist 24 Februar i^Sg eingetragen: „Nachdem soe eine Anklage vortge- bracht is over Gheert van Amsterdam von Schulde wegen der Maet- scJiepije sines Broeders Eilarts in Spangien, daran hyr in der gantzen Stadt eine groete Nasage und Argenisz entstanden, so is besloeten, dat Gerhardus {der Prediger Gerhardus Geldenhauer) mit ehm sprecke und sunderlinge ehm antoege, dat he sick des h. Nachtmals entholde, bet dat zijne zaecke moege verklaret zijn".
Danach scheint Geert v. A. in Gemeinschaft mit seinem Bruder Eilart im Jahre i$Sg Reeder- oder Handelsgeschdfte nach Spanien getrieben zu haben ^), die in Emden Aer gemis erregten und den
~T) I Gras -= ± 1/, H.A.
2) Eenig, zij het ook een zwak licht op Gerrit's aanraking met Spanje, werptdevolgen- de aanteekening uit de „Protokollen" „Emder Kirchenrat" . '
Am as Mai 1590 erbat und erhielt Wilhelm Funck die Erlaubnis ohne vorhergehende Publication von der Kanzel (in der Kirche) „mit sijner vertruweden bruijdt Elisabeth Da- vidt von Amsterdams dochter' im Hause'zusammengegeben (= vermahltzu) werden. Die- ser Wilh. Funck (Fonck) war ein in Emden sehr bekannter Spanierfreund, der seit 1583 mit Graf Edzard II van Ostfriesland in Spanischem Interesse ins geheim underhandelte, 1590 — 1594 in Emden wohnte, und im Herbst 1594 nach Antwerpen zog {vgl. Hagedorn, Ostfrieslands Handel und Schiffart II S, 296, 300, 301, 429, 454—456). 1596 wurde er auf der Durchreise nach Emden in Amsterdam gefangen gesetzt, kam aberfrei und wirkte noch 1605 bei dem Grafen Enno III von Ostfriesland für Spanien. 1598 wurde sein Schwagerjo-
LXVI
strenge Kirchenzücht übenden Calvinistischen Kirchenrat [die 4 Pre- diger und die 12 Olderlinge) bewogen, Geert vorlaufig vcm Abend- mahl auszu schlieszen".
De insinuatie van Cornelis van Eemskerck, „met wat eeren UI. vant diakenscap gestelt werdt" , „voor der s wat men van UI. broeders doot U nagaf, wat UI. van den raet van Emden gesciet was" , geuit op 9 Juni 1596 ^) onmiddellijk voor de beschiddiging, dat Gerrit hem had willen bewegen Cornelis de Houtman te vermoorden, heeft natuurlijk betrekking op den dood van Eilart. Omtrent haar beteekenis werd in de Emdensche archieven geen nader licht verkregen. Zijn broeder Johann was bij Gerrit' s vertrek uit Emden nog in leven ^).
Dat vertrek had waarschijnlijk plaats in den loop van 1593, toen hij door zijn familiebetrekkingen in Amsterdam kennis had gekregen van de oprichting der Compagnie van Verre. Het verblijf te Emden was na den dood van Graaf Johann van Oostvriesland onder diens tirannieken opvolger Edzard in de door godsdiensttwisten en politieke belangen verdeelde stad voor ieder en burger bijzonder moeilijk gewor- den. In Amsterdam goed ontvangen, werd hij deelnemer in de Com- pagnie, en besloot hij voor goed te verhuizen.
Den isten Februari 1594 verkocht hij zijn „Behüsinge mii SoU- kaste up die Butfenne" aan een consortium voor f 3200.
In Mei van hetzelfde jaar kreeg hij van Bewindhebbers voorde iiit- rusting der reis een opdracht om naar Engeland te gaan en daar 30 dubbele sakers, wegende i 3000, welke in Holland niet te bekomen waren, aan te koopen. De Staten van Holland schreven hun agent te
hann Groene als Verrater gegen Emden andenGrafen und Spanien in Emden hingerichtet. Zn dcrVerbindung mit Spanien warWilh.Funck ohne Zweifel ursprünglich gekomraen durch seinen Oheim, den Utrechter und Kölner Propst Johannes Fonck (N.Ned. Biogr. Wbklll, 1408) aus Amersfoort (+ 1585), der zur Zeit Alba's und Requesens' dem geheimen Staats- rat angehörte, und 1580 als Nachfolger von Joachim Hopper zum Prasidenten des Gehei- men Rats fiir die niederlandischen Angelegenheitcn in Madrid ernannt wurde. Durch Wilh. Fujick's Vermahlung mit David von Amsterdam'sTochterElisabeth wurde Gerrit von Am- sterdam ein naher Verwandter dieser in Spanien und Portugal vertrauten Familie, und wenn er auch schon 1389 mit seinem Bruder Eilart „unsaubere" Geschafte nach Spanien trieb, so kann seineVerbindung mit Spanien doch durch die Verwandtschaft mit Wilh. Funck nicht unwesentlich befestigt worden sein und seine koloniale Abenteurlust kraftig beför- dert. (Ritter)
i) p. 267.
2) Deze Johann, geboren in 1570, was bij het oproer der Emdenaars tegen Graaf Ed- zard II, wiens tirannie ondragelijk was geworden, 18 Maart 1595 tot vaandrig bij de nieuw opgerichte burgercompagnieën gekozen. Kort daarop in Januari 1506 schijnen zijne finan- tieele moeilijkheden zoo groot te zijn geworden, dat hij ^geinen betern Rat und Middel ge- wustalsollichen Schaden wedder to erholen alse mit einer Reijse na Jerusalem". Dit vreem- de middel bracht hij tot uitvoering Hij verkocht en verpandde zijn goederen, leende geld van zijn zwagers en toog in 1597 naar het Oosten, om nimmer terug te keeren.
LXVII
Londen, Noël de Caron, aan, hem zooveel mogelijk daarbij behulpzaatn te zijn 1).
Toen deze kanonnen voor aflevering gereed waren, kon hij niet zelf overgaan om ze af te nemen, maar zond hij „zijn neef" Lamhert Bies- man in zijn plaats, die dan ook 7 November naar Engeland over- stak 2).
Kennelijk was de reden van Gerrit's verhindering de ziekte van zijn vrouw Sara Cruy denier {Krudener), een dochter van Johan Cruy de- nier te Emden. Beiden maakten 9 November 1594 een testament in hun huis op het Rokin {not. ƒ. F. Bruyningh), waar Sara was „siec- kelyk te bedde liggende" .
Hun kinderen [waarvan de namen niet genoemd worden, waar- schijnlijk twee) ^) werden tot eenige en universeele erfgenamen aange- wezen. Tot voogden werden benoemd Gerrit's schoonvader en zijn zwager Johannes Amelincx. *)
Als getuigen waren tegenwoordig Reinier Pauw, oud schepen, Jo- hannes Halsbergius en Guillaem van den Kieboom, de echtgenoot van Sara's zuster.
Niet lang daarna volgde haar overlijden en ging Gerrit tot regeling zijner zaken naar Emden. Op 3 Februari 1595 kreeg not. J. F. Bruyningh het verzoek een wissel te protesteeren, verzonden uit Lon- den 23 December 1594 aan Gerrit van Boninghen te Amsterdam. Hij wendde zich bij diens afwezigheid tot Guilliam van Keiboom, die de betaling weigerde, omdat hij daartoe geen last had ontvangen.
Den 2den April aanvaardde hij, aangesteld tot commies op de Hol- landia, de reis naar Indiè, die hij voor het grootste gedeelte opgesloten in een donker hok en met gekluisterde beenen, zou medemaken.
Als stuurman op hetzelfde schip voer met hem uit zijn stadgenoot Pieter Dircksz Keyser.
De Jonge ontdekte, dat deze Pieter Dircksz dezelfde was als Petrus Theodonis, „die een veertiental nieuwe Zuidelijke sterrenbeelden heeft waargenomen of van dezen de standplaats verbeterd, en die in de wer-
i) Res. H. Holland 17 Mei 1594. 2) Brief Biesman, Olivier van Noort II p. i3i.
3) Waarschijnlijk was David v. B, wonende te Tripsum in Oostvriesland, dieeendubbel graf in de Nieuwe kerk te Amsterdam, behoorende aan zijn vader, 10 Mei 1631 verkocht, hun zoon. (Not. van Banchem te Amsterdam).
4) De voogden Johannes Amelingh „dieser Stadt Richter" en Johann Krudener, „Rats- herr", behartigden Gerrit's zaken in zijn afwezigheid, zooals blijkt uit hun verklaring 27 Mei 96, waarin zij den verkoop van zijn Bchüsinge bevestigen en „bescheinigendassaTer- mine an Jacques Laubegeois und r Termin an sie beide gezahlt sein".
V*
LXVIII
ken van een Von Humboldt en anderen onder de groote sterrekundigen met eer e vermeld wordt" i).
Keyser was een man van ondervinding, toen hij hij de Comp. van Verre in dienst trad. Plancius zegt over hem in De Jonge Dl I p. 185: „De zeer verstandige ende wel ervaren stuyrman Pieter Dircksz, zali- ger gedachtenisse, verviel over eenige jaren in zijn reyse naer de Baye van Brasilia [Bahia] omtrent 300 duytsche milen oostelyker dan hij gegist hadde". Hij had dus reeds vóór zijn reis naar Oost-Indië ruim- schoots gelegenheid gehad op den Zuidelijken sterrenhemel waarne- mingen te doen. Nu leverden zijn nagelaten „dagboeken en zeeschrif- ten" .met die van Vechter Willemsz, Frederick de Houtman, Pieter Stockmans en anderen aan Plancius materiaal voor diens studiën.
De Jonge ^), verblijd over zijne ontdekking, zegt over hem het vol- gende. „Grooter verdiensteti dan [Cornelis de] Houtman had bij de uitvoering van het beraamde plan de opperste piloot van den eersten scheepstogt Pieter Dircksz Keyser. Deze, „van wien men in de tot hiertoe gedrukte beschrijvingen der eerste reize geene melding vindt ge- maakt, komt in de handschriften van het Rijks- Archief voor, als de opperste piloot of hoofd van de stuurlieden. Cornelis Houtfnan daar- entegen treedt op als opperste commies, d.i. als hoofd van den handel. Deze bijzonderheid maakt een merkwaardig punt uit, in de geschiede- nis van de eerste reis naar Indië. Terwijl Houtman den handel en het handelsbelang vertegenwoordigde, is Pieter Dircksz de vertegenwoor- diger van het zeevaartkundige gedeelte van den togt, de leider van de vloot door de nog onbevaren zee. Er waren dus eigenlijk twee hoofden en het gevolg daarvan bleef niet uit, want weldra wilde de Commies- handelaar ook optreden als zeevaarder; doch de schippers verzetten zich daartegen en de tweedragt nam een aanvang en het goede bestuur der onderneming een einde" .
Nu alle bekende bescheiden betreffende de eerste schipvaert gedrukt voor ons liggen, kan men zich gemakkelijk er van overtuigen, dat de Jonge' s beweren, dat op zijn gezag door anderen werd herhaald, een redelijken grondslag mist. Pieter Dircksz Keyser was noch „opperste piloot of hoofd der stuurlieden" , noch de leider der schippers in hun verzet tegen de commiezen. Zijn naam wordt, zooals De Jonge terecht opmerkt, noch in het Verhael, noch in het Journael, noch hij Willem
1 ) Opkomst, Dl, I p. 96 met noot 2 luidende : Men zie over Petrus Theodorus G. MoU- Vroegere zeetogten der Nederlanders, p. 49 en volg. en de aldaar aanget. plaats van Me- ruia, alsmede V. Humboldt, uitgave V. Beima, aanteekeningen no. 306, p. 465 alwaar ook aangehaald wordt een artikel over Petrus Theodori in Schumachersjahrbuch für 1840 § 240.
2) Ibidem, p. 95 en 96.
LXIX
Lodewycx genoemd. Van zijn overlijden wordt in deze journalen zelfs niet gerept. Hij komt tweemaal voor hij Van der Does, adelborst op de Hollandia: op 8 Jidi i^gs toen „onsen opperstierman met na- men Pieter Dircksz Keyser" naar aanleiding van een spelenden wal- visch storm voorspelde, en op ij September I5g6, den sterfdag van „onsen wel ervaren ende oppersten pyloot met naemen Pieter Dirricx Keyser, daeraen soe ick vermoede de Compagnie van Verre groot ver- lies ende achterdeel hadde" . Begin ende Voortgang spreekt bij zijn dood in denzelfden zin van den wel ervaren opperpiloot Pieter Dircksz Keyser, aan wien de Comp. van Verre ende de schepen veel verloren hebben.
Uit deze plaatsen werd een verkeerde gevolgtrekking gemaakt. Hij was opperstuurman, opperpiloot, maar op zijn eigen schip; daar was hij de eerste der stuurlieden, maar als zoodanig had hij geenerlei gezag over zijn ambtgenoten op de andere schepen.
In het verhaal van Pontanus, waarin zijn aanstelling tot schipper wordt besproken, blijft hij een anonymus. Daarentegen komt hij her- haaldelijk ter sprake in het dossier Van Boninghen, maar daar is hij altijd de „stuurman". Zoo wijzen de Bewindhebbers van de Compag- nie van Verre bij het overlijden van den schipper Jan Dignumsz tot zijn vervanger aan: Pieter Dirrixen, stuurman.
Zijn benoeming tot schipper was voor hem vooruitgang, verbetering van positie; daardoor kreeg hij zitting in het collegium. In die functie zou hij mogelijk, indien dat in zijn aard had gelegen, een werkdadig aandeel in den woordenstrijd met de commiezen hebben kunnen nemen; als stuurman, dat hij was en bleef, was dat uitgesloten.
In de „Instructie voor den scheepsraet" toch wordt sub 2°. de be- handeling der zaken betreffende de „schipvaert" en van die rakende den koophandel geregeld; vermeld wie geroepen zijn in zaken van justitiële oordeelen, en geëindigd met: „ende sal in saecken van im- portancie, toucherende die zeevaert, het advijs van de stuerluij den, ende die handelinghe, het advijs van de ondercommisen genomen worden ^). De plaats van de stuurlieden ten aanzien van de schippers kan dus vergeleken worden met die van de ondercommiezen ten aanzien van de commiezen, namelijk een ondergeschikte. Beiden werden slechts in be- langrijke zaken geroepen, niet om te beslissen, maar om raad te geven.
Zoo was dan Pieter Dircksz Keyser noch de leider der vloot door de onbevaren zee, noch een der twee hoofden van den tocht, ^) maar
1) Wat gezegd wordt over den opperpiloot der geheelevlootinDl.il, Inleiding p.XX VII, p. 36, noot 3, p. 249, noot i. en vooral p. 266, noot 2, eischt dus verbetering.
LXX
een eenvoudig en als zoodanig verdienstelijk stuurman, eerst op de Hollandia, later op de Mauritius.
De commies Van Boninghen schijnt van den beginne af een zeer verderf elijken invloed te hebben uitgeoefend. Als van zelf leidde de reis er toe, dat de bemanning van elk schip een eigen kring vormde. Die afscheiding werd door hem in de hand gewerkt. Geen middel werd door hem verzuimd de schepelingen, in het bijzonder de jongeren met weinig levenservaring, aan zich te binden met het gevolg dat hij zich van een grooten aanhang verzekerd hield. Daardoor overmoedig ge- worden, liet hij zich verleiden tot woorden en daden, die hem in botsing brachten met alle overige leden van den scheepsraad.
Onder de schippers en commiezen was het geen geheim, dat Bo- ninghen in zijn vaderstad een slechten naam had, zoodat men hem reeds van den beginne met eenig wantrouwen zal zijn tegemoet getre- den. Dit was niet verbeterd, toen men hem, van nature een opsnijder en intrigant, wiens persoonlijke moed niet evenredig was aan zijn groot- spraak, nader had leeren kennen. Bij zijn aanstelling tot commies volgde hij op Cornelis de Houtman, en was hij overal, waar naar bui- ten moest worden opgetreden, aangewezen als tweede persoon op de vloot. Maar zoomin De Houtman den titel van admiraal mocht voe- ren, was hij de vice-admiraal, zooals hij zich voor het vertrek der vloot liet noemen ^) . Zijn positie gaf licht aanleiding tot wrijving, zoo- als die op vroegere en latere zeetochten voorkwam. Ware er dan ook werkelijk een admiraal benoemd en ware hij inderdaad vice-admiraal geweest, dan zou het lot vanjuafi de Cartdgena op de vloot van Magal- haes en van Jacob Claesz van Upendam op die van Olivier van Noort meer dan waarschijnlijk ook het zijne zijn geweest. Eenveelhoofdigbe- wind, hoe verderfelijk in het algemeen, bleek voor hem een uitredding.
In de stukken van het dossier kan het drama gevolgd worden, van welks verloop alleen in het verhaal van Pontanus kort melding wordt gemaakt ^). Van Boninghen kwam en bleef onder de verdenking, dat hij het snoode voornemen koesterde met de Hollandia zich van de overige schepen te verwijderen en zijn eigen weg te gaan. Daarentegeti geloofde hij misschien zelf, en trachtte hij in ieder geval zijfi aanhang diets te maken, dat de bedoeling der overige leden van het collegium was, dat schip te verlaten en onttakeld te laten drijven. -^..'tkl -.i.
i) Ol.v. Noort II p. i8i.
a) p. 9, lo, II, 14 en 15. Verg. ook Dl II p. 134 noot 3, p. 273 met noot 3, p. 287, 388 met noot 3.
LXXI
De afloop was, dat hij onder de beschuldiging van hoogverraad op de Mauritius gevangen werd gezet en bleef, tot den terugkeer in het vaderland. Zijn proces had daar geen voortgang, zoodat hij na eenige weken vrijgelaten werd.
Bij de groote behoefte aan mannen van ondervinding op de vloten, die in het laatst van i^gy werden gereed gemaakt te Amsterdam, te Rotterdam en in Zeeland, vond Van Boninghen gemakkelijk een ge- schikte plaats bij de uitrusting van Pieter van der Haegen en Johan van der Veken. Hij voer weder uit onder den admiraal Mahu en den vice-admiraal De Cordes 2y Juni 1398, als kapitein van het Geloof; werd na den dood van Mahu, 25 September i^gS benoemd tot vice- admiraal op de Liefde, en 7 November isgg bij Punta de Lavapié op de kust van Chili, met 22 der zijnen, onvoorzichtig aan land gegaan, overvallen en afgemaakt door de Araucanen, die in de meening ver- keerden, dat zij Spanjaarden voor zich hadden.
Jacob Jansz Kackerlack (p. 286 — 338) .
Thans volgen de bewaard gebleven journalen van de stuurlieden, Jacob Jansz Kackerlack en Cornelis Jansz Ceullen. Die van Pieter Dirksz Keyser en Vechter Willemsz zijn aan Plancius ingeleverd en door dezen gebruikt, evenals andere, waarvan de samenstellers niet worden genoemd.
Deze geschriften zijn min of meer zuivere logboeken met dagelijk- sche aanteekening van koers, af gelegden af stand, windrichting, gesteld- heid van het weder, richting van den stroom, zmis- of sterrehoogte, af- wijking van het kompas, waargenomen kusten en eilanden. Slechts Kackerlack voegt hier en daar aanteekeningen toe van mede gemaakte tochten of zelf doorleefde ontmoetiyigen.
Beide stuurlieden ^naakten de geheele reis op den bodem, waarop zij bij het vertrek van Texel geplaatst waren, Kackerlack op de Hol- landia, Ceullen op het Dtdfken.
Overwogen is of deze belangrijke journalen, die uiteraard zeer eentonig zijn, in hun geheel moesten worden afgedrukt, maar met hei oog op de volledigheid der uitgave is besloten daartoe over te gaan.
Jacob Jansz voer uit als Ofidersi^uurman met den opperstuurman Pieter Dircksz Keyser, die bij besluit van 26 October i^gs werd over- geplaatst naar de Mauritius en vervangen door Vechter Willemsz. Nadat deze 10 Januari I5g6 gestorven was, trad Kackerlack in zijn plaats. Lang was hij zijn commies Gerrit van Boninghen gunstig ge.
LXXII
zind; 27 October teekende hij de verklaring, waarbij de beste getuigenis omtrent diens gedrag werd afgelegd. Later kwam daarin verandering, zeker afdoende, toen hij uit de bekentenis van Cornelis van Eems- kerck op 9 Juni 1596 moest vernemen, dat Van Boninghen van oor- deel was hem voor 100 of 200 gulden te kunnen omkoopen. ,"
Vroeger werd reeds gesproken over den onbeholpen stijl van zijn journaal i) en over zijn gebrek aan zeemanschap, een verwijt, dat hij met zijn schippen Symon Lambrechtsz Mau moest deelen 2) .
Het eerste gedeelte van zijn journaal, dat loopt van 4 Maart 1595, toen hij werd gemonsterd, tot de aankomst te Bantam op 2 3 Juni 1596, werd door hem ter reede van Bantam afgesloten en gereed gemaakt. Het tweede, dat handelt over de thuisreis begint 6 November 1596 en eindigt midden op een bladzijde 21 Juni i^9y op 12° N.B. Tot zoover was hij met het in het net overschrijven gevorderd, toen dit om een of andere reden gestaakt werd. Het is niet noodig daarbij uitsluitend aan droeve oorzaken te denken, hoewel natuurlijk de schrijver ziek gewor- den kan zijn ').
Van de tochten naar land, waaraan hij deelnam, worden door hem vermeld, o.a. die op 5 Augustus 1595 ^) in de Aguada de Sam Bras; die met Willem Lodewycx op 26 November 1595, waarop hij een uitvoerig relaas over den moord van zijn collega Claes Jansz Fortuyn laat volgen; die met 3 jachten in de baai van St. Augustijn op 8 Fe- bruari 1596, waar hij een eigenaardige toelichting omtrent het in brand raken van een inlandsch dorp geeft.
Van de zittingen van den scheepsraad, die in het dossier Van Bo- ninghen vermeld worden, woonde hij bij die van 10 Juni 1596, waarin Van Boninghen veroordeeld werd; die van 29 December 1396, waar- in De Houtman bij gebrek aan bewijs werd vrij gelaten, en die van 28 Februari, waarin Van Boninghen's tijdelijke verlichting van straf werd behandeld. Zijn oordeel: hem aan boord van de Mauritius over dag met handboeien en 's nachts met voetboeien op te sluiten, en hem zoo hij misdoet, de helft harder gevangenis te geven" , getuigt niet van vriendschappelijke gezindheid.
Over Jacob Jansz leven is vóór, noch na de reis, iets bekend. Wel schijnt vast te staan, dat hij aan geen der volgende reizen naar Oost- Indië heeft deelgenomen. •
Over de landver kenningen, welke achter zijn journaal zijn gevoegd,
1) Dl lip. XXIII.
2) Dl II p. 135. noot I en p, 333.
3) Verg. Dl II p. XXXVIII en XLIX.V 70, noot 3, p. 378.
4) Verg. Dl II p. 123, noot I.
LXXIIl
is vroeger uitvoerig gehandeld ^) . Thans kan worden verwezen naar de nieuwe beschouwingen van Dr. R. D. M. Verheek over de peilingen voor en na de doorvaart van straat Balt, saamgevat door den heer S. P. l'Honoré Naber. Op het verrassend resultaat, waartoe de geleerde schrijven komt, namelijk dat twee 'gelijktijdige vulkanische uitbar- stingen van verschillende punten door onze zeevaarders werden waar- genomen, is hierachter op p. 338 gewezen.
f
Cornelis Jansz Ceullen (p. 340 — 408).
Het journaal van Cornelis Jansz Ceullen is zuiver zakelijk en spreekt met geen enkel woord over persoonlijke ervaringen.
Uit het feit zijner aanstelli^ig tot stuurman op het Duifken, het kleine vaartuig, dat steeds ter verkeiming vooruit werd gezonden, mag worden afgeleid, dat hij een man was van eenige ervaring. Het is ech- ter onbekend, waar hij die heeft opgedaan.
Bij het uitvaren was Symon Lamhrechtsz Mau zijn schipper, maar
27 October 1595 ging deze over op de Hollandia en kwam Hendrick Jansz in diens plaats. Na den dood van Muelenaer op 26 December 1596 werd deze Hendrick Jansz, zij het met niet onverdeelde instem- ming van het scheepsvolk, aangesteld tot schipper op de Mauritius.
Om uit te maken, wie nu met het schipperschap op het Duifken werd belast, kan men raadplegen de stemming van den scheepsraad op
28 Februari isgy, gehouden naar aanleiding van Van Boninghen's verzoek om verlichting van straf ^) . Daarbij ko7nen van de drie sche- pen, de Mauritius, de Hollandia en de pinas, eerst de beide commie- zen De Houtman en Kaerel, dajt de 3 schippers Hendrick Jansz, Mau en Cornelis Jansz Ceullen; vervolgens de 3 stuurlieden Jacob Dircksz, Kackerlack en Cornelis Adriaensz.
De laatste was afkomstig van de Amsterdam, die 11 Januari te voren bij Bawean was verbrand.
Tegen de uitspraak, Ceullen schipper, Cornelis Adriaensz stuur- man op de pinas, rijst een kleine jnoeilijkheid, namelijk het feit, dat het journaal van de pinas over den geheelen duur der reis, geschreven is met dezelfde hand, die van Ceullen. Het schijnt dus, dat deze het ambt van stuurman tot het laatst toe heeft waargenomen, al was hij de eerste persoon aan boord, en dat Cornelis Adriaensz de taak van den schipper heeft vervuld ^) .
i) Dl II p. 147 — 160 en p. 177 — 188. • 2)" Hierachter p. 274 vlg.
3) In dit licht beschouwe men de opgaaf aan het slot van het staatje Dl II p. XXIV.
LXXIV
Ceullen woonde dezelfde zittingen van den scheepsraad bij als Kac- kerlack.
Waar van dezen niets meer wordt gehoord na afloop der reis, vindt men Ceullen reeds weder hij de vloot van Jacob Cornelisz van Neck, die I Mei I5g8 uit Texel uitliep, en wel als stuurman op de Mauri- tius. Hij overleed op de terugreis, ii Februari isgg. Van Neck maakt daarvan in zijn reisverhaal melding met de woorden: „het was een schaedelycke doet voor onse scheepen, vermidts hij een stuijrman was, die hem op de Oost-Indische navigatie seer wel verstondt". ^)
Plancius (p. 410 — 439).
Met zeer bijzondere belangstelling zag zeker Ds. Plancius den terug- keer der hollandsche schepen te gemoet. Vóór de uitvaart had hij aan de stuurlieden de uitkomst medegedeeld van zijn studie der geschriften van spaansche, portugeesche, fransche, engelsche, nederlandsche en andere zeevaarders betreffende de afwijking der magneetnaald op verschillende plaatsen van den aardbol. Van hen verwachtte hij bevesti- ging en uitbreiding van zijne theorie, die wordt uiteengezet in het begin van een memorie, welke in het A . Rijksarchief berust, en nader door den heer S. P. l'Honoré Naber in de laatste bladzijden van dit deel is toegelicht. Aan hen had hij dan ook opdracht gegeven, zoo veel en zoo nauwkeurig mogelijk waarnemingen te doen. In het bijzmider schijnen Frederik de Houtman e7i Pietcr Stockmans nog met deze taak te zijn belast, of haar vrijwillig op zich te hebben genomen, ten minste bei- den hebben gegevens verstrekt, die met elkander konden worden ver- geleken 2).
Het resultaat van aller waarnemingen gedurende de reis is samen- gevat ^) in de genoemde memorie, waarvan een afschrift door Mr. S. Muller Fzn i7i Utrecht werd aangetroffen *).
Deze vond daarbij een uittreksel uit de dagelijksche aanteekeningen van Frederik de Houtman, eveneens afkomstig van Plancius. De beide Utrechtsche stukken zijn hierachter afgedrukt.
Over Frederik de Houtman wordt verder slechts in het dossier Van Bmiinghen, en in de brieven uit Bantam viet een enkel woord gesproken. Hij voer uit op de Hollandia, en werd, toen zijn broeder Cornelis 27 Octoberi^g^ op dien bodem overging, verplaatst naar de Mauritius, waardoor hij weder met Pieter Dirksz Keyscr sameiikwam.
i) Colenbrander Reisverhaal van Jacob van Neck. p. lao.
a) p. 420,421. 3) p. 416 — 421. 4) p. 411. noot.
LXXV
6 Augustus ging hij te Bantam aan wal om 200 realen van de sche- pen over te brengen. Dit is alles. ^)
De werkkring van Frederik de Houtman en die van Pieter Stock- mans schijnen overigens van verschillenden aard te zijn geweest.
Frederik's bemoeiing schijnt op het gebied van den koophandel te hebben gelegen; hij is toch, zoomin als een der onder commiezen, tegen- woordig bij de vergaderingen van den algemeenen scheepsraad, die een rechterlijke uitspraak had te doen, waartoe volgens art. IV van den artikelbrief de schippers, commiezen en scheepsofficianten ge- roepen waren.
Dit is wel het geval met Pieter Stockmans. Deze teekende den par- donbrief en woonde de beide zittingen van lo Juni g6 en 28 Febr. gy bij. Mogelijk is hij na den moord op Claes Jansz Fortuyn {26 No- vember 1595) waarnemend onderstuurman geworden op de Mauri- tius, evenals Symon Ariessen, na den dood van Vechter Willemsz en de bevordering van Jacob Jansz, op de Hollandia.
Alen vindt den naam van Stockmans 7iiet cnider de vrijspraak van Cornelis de Houtman, wel die van Symon Ariessen.
Pieter Dircksz Stockmans en Frederick de Houtman bleven niet lang thuis; zij voeren 15 Maart i^gS weder uit op de schepen, uitge- reed door BaÜhasar de Moucheron, onder bevel van Generaal Cornelis de Houtman, beiden kapiteins, de eerste op de Leeuw, de tweede op de Leeuwin.
i) Over hem wordt uitvoerig in het volgende deel gehandeld.
V EN VI
Stm^tErbam/ enz. bDor 3|dö» 31. jpontanum
(Rerum et urbis Amstelodamensium historia)
Houtman III.
^ttt tagt fieroembe Coop^tatit SCm^
^terbain, Ccr^t inIDCatpn oö^^teït enöe öe^cöccücn boor ^of}> 3i?'anuni ^ontanum. Cntic 69 oen éclfaen öaec nae neErg'tic]^ obcréicn enöE op bde pïaet^en bEcnicerbert enbc iieröEtert, €nbe nu in li)tt J^eberbupt^ ober gïie^'ct boot ^Etrum jBontanum. ^Cmp^tecobami, ^uö cane J^igiïantï €?cubit Subocu,^ i^onbiu^ 5Cn. ^. 16 14.
Het vierentwintichste Capittel.
De eerste vaert na Oost-Indie7i by die van Amsterdam begonnen ; ende de historie ende wtcomste derselver ordentlick ge stelt.
[181] T^
ese eerste vlote dan, van de welcke wy spreken sullen, wt Hollant t' getal en na de custen van Oosten ghesonden, is op oorloochsche wijsetoe- tinged^er gherust, dat is met schips ende oorloochs gereetschap in allen ge- Schepen, valle also ghemonteert, dat se met eenen alle soorte van waren, welcke men wiste, dat van de Indiaenen begeert waren, mede voerde. De al- dergrootste schepen, van dewelcke datter drye gheweest zijn Mauri- tius, Holla7idïa ende Amsterdam, \va.Qrenyedervantweehondertende tachtentich lasten, behalven Amsterdam, welck alleene van hondert ende tachtentich was ; het vierde ende minste wesende een Pinas, werdt ghehouden van twintich last. ^)
Op Mauritius is tot Comis ghestelt behalven Barent Heynck Cornelis de Houtman, een seer ervaren man van de Indische saecken ende handel ; ende heeft tot Schipper ghehadt Jan Molenare. Over Hollandia was Comis Gerrit^) van Boninghen ende Cornelis Naso was met den Schipper Jan Dingnums ; over /l?«s^gr^awReyniervanHel ende Jan Jansz Karel de Jonge, met den Schipper Jan Schellinger. [182] De Bootsgesellen zijn in alles 249 gemonstert ; 't gheschut zijn eens- deels metaelen stucken, eensdeels gotelinghen ende steenstucken ghe- weest ; Van hetweicke Mauritius ses metalen stucken op hadde van behoorlicken ghewichte, veerthien ysere, wtghenomen de musketten ende roers. Ende in de andere schepen waren der niet min, dan dat
1) Verg. Dl. II p. 117, noot I.
2) Pontanus zegt abusievelijk Johannes a Boningen.
de Pinas alleene twee metaelen stucken ende ses yseren op heeft ghe-
hadt.^) De oncosten van den ganschen tocht zijn gerekent twee hon-
dert ende t' neghentich duysent guldens ; onder welcken het gereet
geldt ende de coopmanschappen hondert duysent gheschat zijn.
De bewint- De Bewin[t]hebbers endeVersorgers van de gansche saecke, soowel
de bescn--^" wt de Coopluyden als wt den Raedt der stadt, waeren de voorneem-
gersvan g^-g ende als de beleyders Hetidrick Hudden, Rey nier Pan, Pieter
dese navi- ^ "^
gatie. Hasselaer, J-an Janssen KaerelD'oude, Jan Poppen , Hendrick Buyck, Dirck van Os, Syvert Sem, Ar ent ten Grooteiihiiys. Dese Societeyt is doen De Compenie van Verre ghenoemt geweest. Tis oock seker dat den seer Treffelicken Man Petrus Plancius met raedt ende erva- rentheyt van de Mathematische conste seer vele, soowel tot dese, als tot die voorgaende tochten nae het Noorden gedaen heeft, de Schip- pers naemelick ende de Commisen^) eer zy haer tot de reyse begaven int besonder onderwijsende ende onderrichtende. Den2Apri- Alles ghereet zijnde zijn zy, den 2 Aprilis wt Texel seylende, on- va JxexeK^ trent den 4 Mey, den Tropicus Cancri ghepasseert zijnde, allenskens naerder de linie gecomen. Hier hebben zy twee schepen ghesien van Portegij- degene, die dePortegijsengemeynelick CV^/èffw noemen. Daerom heb- pen gesien, t>en zy alsoo haere streke ghenomen, dat de Portegijsen, haer niet en ende detsa- conden ontseylen ; ende als zy dit selve oock merckten, zijn zy vanselfs
menspre- ■' ' '' .
kinghen naerder ghecomen. Ondertusschen den Raedt vergadert wesende, is ende ande- gheraemt ende besloten, dat volghens de instructie van de Compaig- re dingen, j^j^^ vxtvi in alle vrienschap hen soude bejeghenen, noch eenichsins occasie van strijt oft roof eerst gheven soude ; latende elc een vrede- vane achter af waeyen, ende hoewel de vlagghen van de groote sten- gen van al de vier schepen wayden, hebben die ghestreken om geen oorsake te gheven. Want indien de Portegijsen maer een scheut, ghe- lijck zy ghewoone zijn en hadden gheschoten, hadden beyde de Crae- cken ghenomen ende gheplundert gheweest, overmits het bootsvolc nauwelicx in dwang en conde ghehouden zijn, seggende wy connen ons ende onse meesters hier meer verrijcken, dan wy op al de reyse sullen vermoghen te doen. Jae d' oproer was so groot, dat de Overste haer met haere instructie moesten behelpen, segghende, so de vyandt int minste eens schiet, ghelijck hy met het opgaen van den dach dede om zijn Compaignon den onraet te verwittighen, dat zy doen souden t' ghene zy begeerden. Sy dus by de Craeck ghecomen wesende, son- den een schuyt aen de Craeck met een van de quartiermeesters, ende
i) Verg. Dl. II p. 1 16, noot 3.
s) Wel in de eerste plaats „de stuurlieden".
met eenen is belast dat de Capiteyn aen de Schepen soude comen ende spreken met de Overste van de Schepen. Welcke bootschap ont- fanghen hebbende, quam de Aerts- Bisschop van Goaende heeft den Quartiermeester vriendelick gebeden, dat hy hem te gevalle eens bij de Overste wilde gaen, dat hy haer alles goets wenschte, ende victu- alie oock, soo zy eenighe begeerden, mildelick aenboodt, maer dat de Capiteyn doch mochte gheexcuseertzijn; Deweicke nochtans, indien zy dat emmers begeerden bereyt was te comen. Welc den Oversten aengedient zijnde, siende dat de mutinatie in hare schepen aenwies, hebben de schuyt wederom gesonden, ende doen seggen, dat zy van alles so wel versien waeren, dat zy van t' haer niet en behoefden ; ende voor de Marmeladen ende contituren, die zy tot een present gheson- den hadden, in vergheldinge eenighe keesen ende hammen stierden. Deze Craeck was een nieuw schip groot by de 600 lasten, hadde ach- thien metalen stucken op, behalven het ander gheschut, bootsghe- sellen ende soldaten, die ontrent 600 waren. De Capiteyn van de Portegijsen hadde onder andere verhaelt, dat hij sulcke Nederlant- sche schepen noyt in Portugael ghesien en hadde ; ende dat geen middel by haer was om tegen te staen, indien het de noodt vereyscht hadde. Int scheyden heeft ons heerlick adieu gheseyt, ettelicke eer- schoten schietende.
lek weet wel dat dit een weynich anders ende veel corter, in de Jour- naelen eertijts wtghegaen.verhaelt wordt, maer ick volghe meesten- deels hier inne ende in het navolghende de eyghen handt van een treffelick man, ende die op dese reyse als een van de Overste wesende alles selve ghesien ende ervaeren heeft^).
Ende aldus de Overste van de Vlote hare instructie eerbiedentlic Schepen wt volghende, hebben zy desen buyt laten varen. Van hier een weynich van s. Tho- voortghe varen zijnde, creghen zy wederom schepen int gesichte. Dese '"*• [183] waren vele in ghetale, comende van S. Thome, ende de Schippers Hollanders. Want zy met den boot by laste van de Overste aen boort ghehaelt, zijn van de onse bekent gheweest, ende daerna van hare reyse verstaen hebbende, zijn zy weder na haer schepen ghevaren, hoewel de waeren, die zy voerden, den Portegijsen toequamen.
Den 4 Junij eyndelinghe de Linie ghepasseert zijnde, hebben zy Den4junij. so groote hitte geleden, dat niet alleen de victualie en begonst te ver- derven, maer 00c een groot deel van het volck met swaere sieckten bevanghen werdt. Onder de Linie selve ende voorts waeydt eenen Zuyd-Oosten windt t' gansche jaer deur, tot de Abrolhostoe : welck
l) Zie Inleiding.
dippen zijn aen de custe van Bresilien, ende men can niet licht in i
deselve schipbruecke ontvlieden, tenzy dat tusschen dese ende de ! zeecuste van Guinea den middenwech oft door ervarentheyt oft by
gheluck ghehouden werde, i Den 2 Au- Den 2 Augusti creghen zy int ghesichte de Cape de hona Espe-
^"^*'' ranca, vvelcke het Hesperion Ceras Plinij schijnt te zijn, van dewelcke I dat zyniet verre af en waren sommige dagen te vooren, behalven de
Trombas ofte Struyckrieten, die daer op 't water drijven, ooc mede ^ de voghelen ontrent deselve Cape vliegende, eensdeels swerte
eensdeels witte, een goed ken-teycken gaven. Hare anckers gewor- j
pen hebbende in de reede die zy Aguada de Sambras noemen, zijn I
een deel aen landt ghegaen, die provande souden gaen soecken, voor- j
De ghestai- nemelic om de crancke te verquicken. Hier woont een soorte van j
tenis ende , ii-ii 11 r>
maniere der menschen meer barbansch als men wel soude connen seggen. Sy i inwoonders ^jj^ cort van statuere maar nochtans van wel ghestelde leden. Sy ghe- i pe de bona ven veel eer een gheluydt ende ongheschickt murmelen gelijck de ! ' cIock-Hinnen, als een spraecke bescheedelick onderscheyden. Sy ; gaen meest naect, hebbende vellen om t' lijf, t' hayr teghen haer li- - chacm aen, met eenen breede riemen van denselven om haer middel, ] d'eeneynde hanghende voor haer schamelheydt ; eenighe dragen ber- | derkens onder de voeten in plaets van schoenen.^) Die wat frayer wil- i len schijnen draghen mantels van verscheyden coleuren. Sommige hebben ghemeynt dat hier wt af te nemen was, dat het Menscheneters [184]! zijn, omdat zy rouw vleesch aten, ende de pensen ende het ander ' inghewant, den dreck een weynich daer wt schuddende, gierichlick opslockten ende ten lesten de beenen ghelijck honden knaechden ; waervan zij eenen stinckenden adem hadden, wekken het bootsvolck oock van verre ghewaer werdt ; dewelcke oock seyden dat zy elck ! maer een clootken en hadden ^) ende dat hiervan een bewys was hare cleyne ende hinnachtige stemme. Sy en hebben geen huysen, maer j holen ende cavernen. Haere wapenen zijn lancien met breedt yser ; j haer eenige cieraet zijn arm-ringhen van elpen-been. Sy hebben Os- 1 sen. Koeyen, Schapen van seer vet ende smakelick vleesch ; de Scha- pen hebben dicke steerten, de Ossen op den rugghe een bult. ^) Voor j eenen Osse ende Schaep is ghegeven geweest een mesken oft yet \
i) P. (ontanusj p. 146 geeft slechts: Nudi magnam partem incedunt, nisi quod crudarum pellium segmenta soleis suppingunt, partesque obscaenas, vulpium aut aliarum ferarum caudis velant. Het overige is overgenomen van Willem Lodewijcksz, Verg. Dl. I p. 8.
2) Een praatje.
3) Verg. Dl. IIp.LXXXIH.
dierghelijcke. Eenighe Ossen ende Schapen in de schepen ghebracht hebbende, den 1 1 Augusti ; alsoo de sieckte vermeerderde, so zijn zy ghedvvonghen geweest naer t' Eylandt van S. Laurens te loopen, ho- pende de Cape S. Roman aen de Oostzijde te beseylen. Maar alsoo de windt contrarie was, heeft t' schip Hollandia, alsoo den Schip- per sieck was, draghende gehouden ^), denwelcken zy, terstont daernae overleden zijnde, in het naeste Eylandt begraven hebben. Welck so het niet gheschiedt en ware, zy souden gheluckelick, alsoo zy t' sanderdaeghs goeden windt hadden tot de Cape van S. Maria ende Baye Dantongil sonder beletsel ghecomen hebben ^). Maer ter- wijle zy hier blijven moesten, op een plaetse gansch niet bequaem om waeter te halen, een seer groote elende heeft de vlote aenghetast, so dat een groot ghetal vant volck van sieckte gestorven ende aldaer begraven is, waerover zy het Eylant den naem van t' Hollants Kerc- 't Hoiiants hof ghegeven hebben. Ende niet alleen de sieckten ende den noodt ^"^^ ° ' van victualie ende water heeft haer becommert ghemaeckt, maer oock de twisten aldaer opgeresen om het kiesen van eenen nieuwen schipper in de plaetse desghenen, die wij gheseyt hebben dat over- leden was. Ende gemerckt de noot eyschede, dat men voornemelick verversschinge soude versorgen, so is geordonneert dat de Pinas langs strant soude seylen om een waeterplaets te soecken. Sy was den 22 Septembris henen ghevaren, ende op den eersten Octobris weder gekeertmet een blijde tijdinghe, verhalende dat zy versch water ge- vonden hadden. Ende derwaerts met de schepen gesaemderhantge- gaen zijnde, zijn den lo Octobris gelant ; ende de inwoonders hebben haer oock wel gequeten ; want zy een groote menichte van waeren ende vee terstont gebracht hebben. Voor eenen wtnemenden grooten Osse oft dry Schapen, eyschten zy eenen tinnen lepel ; verachten eenen silveren, als van harder ende onbequamer stof, sulcks met hare tanden versoeckende. Dese soorte van menschen is van forme ende proportie des gantschen lichaems niet onbequaem ; zy decken haere schamelheydt met eenen cattoenen doeck;gaen voorts naeckt. Maer deghene, die in weerdicheyt onder haer wtnemen, die hebben oock om hare borsten te decken een lijfsonder mouwen aen.
Het Eylandt wordt van den Inwoonderen selve Madagassar, dat is
O P.p. 147: Sed cum ventus spiraret adversus et velificationcopusesset, rcgressa Mt navis Hollandia ob ingravescentem naucleri niorbum.
2) Deze voorstelling van zaken is onjuist. 3 Sept. werd Kaap S. Roman gezien, tot 6 September beproefd dien om te komen, 14 Sept. achter het Hollandsche Kerkhof geankerd; 29 Sept. overleed schipper Jan Dignumsz.
HetEyiant fontcync der Mane gheheeten, vandePortegijsenS.LaurensEylant, ^*"^,^*" omdat het op S. Laurens dach van haer ontdect is. Oft men het
i6I]S| 2111" *
ders Mada- houden moet voor Menuthias van Ptolemeus oft Cerne van Plinius, achte ick onnoodich te ondersoecken, voornemelick dewijle PHnius selve hierontrent alles t' zijnen tijde bekent onseecker te zijn. Het is Janck ontrent duysent twee hondert mijlen, ende vier hondert ende acht breet. Het is in verscheyden Coninckrijcken ende landen onder- scheyden. Die midden int lant woonen zijn tot den beelden ende af- goden ghenegen ; maer aen de zeecusten volgen de meerderen deel de secte van Machomet. Welc ooc hier wt onse Schippers bevonden hebben, dat zij de besnijdenisse bekenden : het lant selve is met besonder vruchtbaerheyt begaeft. Heeft seer vele fonteynen, ende soete loopende wateren. Is daer enboven met dicke Bosschen ende Wouden verciert. Heeft overvloedt van visch, wilde beesten ende vogelen, ende gheeft verscheyden vruchten, sonder grooten arbeydt ; heeft veelderley wortelen, welcke de menschen in stede van broot ghebruycken. Is oock becleedt met Cytroenen ende andere boomen, diewonderlick welriecken.Ontallicke rieden comen hier seer vrucht- baerlick voort, in dewelcke het suycker oft oock door de natuere in- gedrupt oft met conste wtgedruckt wordt. Alomme wast Gingber, wekken zij groene eten. Men meynt ooc datter silvermijnen zijn. Sy ghebruycken een seker eyghen tale derghener van die van Mosanbique ongelijc. Sy hebben de conste van varen niet. Hebben nochtans schuyt- kens wt een hout om te visschen, die zy canoas noemen. De Ossen hebben hier oock eenen hoogen bult op den rugghe van enckel vet, hoewel zy een cleyne borst hebben, soodat t' gene dat de borst ont- breeckt, den rugge schijnt te recompenseercn. De Schapen hebben steerten twaelf pont wegende, eenen cubitus lang. Hier is daerenbo- ven een seer groote menichte van Papegayen, Tortelduyven ende Simmen i). Die van de Door dese gemacken die van de Vlote aengelockt zijnde, hebben de°cra^ncke ^^.erc crancken aen lant gebrocht ^), opdat zij nieuwe locht schep- aen lant pende, te beter verquickt, ende de schepen hier en tusschen van den
firhclcvt
worden van stanc ende besmettinghe gesuy vert souden werden. Maar de inwoon- aeng'hetast. ^ers t* zy door vreese, dat niet dese nieuwe gasten daer haer volck en- de een woonplaetse souden stellen, oft door ingheboorene wreetheijt, zijn onversiens op sommighe ghevallen, die van de andere afghe-
i) Simme = aap. Verg. Dl. I p. i6, noot 5. P.p. i48.multitudo . . . cercophite- corum. a) laOctober 1595.
I
scheydenhare tenten op een plaetse wat afgelegen, gestelt hadden ; ende hebben alle t' ghene zy voor haer vonden van den huysraet en- de instrumenten gheplundert, de crancke nauwelicx door de macht van de sterckere beschermt zijnde. Welck ongelijck de bootsghesel- len ende de andere seer verdroot ; ende begost verscheydentllick by de Schippers ende Commisen gheduydt te worden, voornemelick omdat zy haer van de andere afgesondert hadden door bevel, soo men seyde, van Gerrit van Boningen, denwelcken wy boven gheseyt heb- ben, dat Commis over het Schip Mauritius i) ghestelt is gheweest. Deverschii- Hier quam oock by dat deselve Boning den ghesloten brief van de ninjteghen Bewinthebbers medegege ven den Oversten van het stellen van de voor- ^^ Schip-
° ° pers ende
neemste vande vlote inde plaetse dergener, diemochte comen te over- beveiheb- lijden, sonder weten ende vraghen van de andere gheopent hadde, derseiver endeselve eenen nieuwen Schipper in Dignumsplaetse gestelt hadde, °"^^^^'^- sonder gemeyne stemme van den Scheepsraet. Ende hoewel deselve die van de Bewinthebbers in den brief genoemt was, van Boningh ghestelt was, nochtans ghemerckt hy by sommige opentlick gheseyt hadde, dat hy den brief van de Bewinthebbers in stucken getrocken i86] soude hebben oft over boort geworpen, so daer een Schipper inge- staen hadde niet nae zijn contentement, dit heeft niet weynich de an- der becommert ende beroert gemaeckt, ende naermaels een quaet ge- voelen van Boning doen hebben. Want indien de verkiesinghe voor den Raedt ghecomen hadde, hij soude goet gevonden hebben de sake wt te stellen, oft eenen anderen raedt nae gheleghentheydt des tijts te nemen, overmidts datter soveel volcksafstierf.Ende den Schipper Jan Schellinger, aen landt opgewecktdoorhetgheroepvandetumultue- rende, die hier ende daer de goederen van de crancke plunderden, tot assistentie gecomen wesende, heeft tegens Boning geseyt, dat hij de oorsaecke was van dit ongeval, ende dat hy de oneenicheyt ende sepa- ratie van de vlote sochte, ende met eenen langs om meer verhitten- de, schol de Schipper Boning voor een schelm ; d' welck Boning in kennisse leyde,begeerende t'selve waer ghemaeckt te hebben. Welck de Schipper den Scheeps Raet t' samen geroepen zijnde, seyde dat hy bereyt was, waer te maecken ^). Maer Boning siende, dat op hem Boning gemunt was, heeft geseyt dat hy aen de wtsprake ende ordonnan- '^°^^^ ^!^^' tien van den Scheepsraet niet gehouden en was. Eyndelick is de sake Commi-
... , . , ,.._., . schap van 't
soo Wijdt gecomen, dat onder sekere conditien Bonmg, de commis- schip Hoi- sie die hy hadde aen Houtman ende Jan Jansz Karel geresigneert ^^"^'*-
i) Lees : HoUandia.
a) Zie stuk no. 3 en volgende van bet dossier Van Boninghcn.
lO
hebbende, op een ander schip soude gaen. Ende dat de Schipper ^) zijn Schipperschap op Hollandia soude afstaen ende vaeren op t' schip Mauritius, ende dat zy geen van beyde in t' coUegie souden co- men, dan als zy daer geroepen waeren. Daer wort Dit ghedaen zijnde, hebben zy met alle man metter haest een schans gcmaect"^ ghemaeckt, versien met steenstucken ende beset met volck tot ghe- rijf ende bescherminge van de siecken. Dit ghedaen zijnde, hebben dagelicx soo veel Ossen, Schapen ende andere nootelicke dinghen ghecregen als zij van doene hadden. Maar terstont daernae de cran- cke oock een weynich verquict zij nde, merckende dat zy daer veel te lan- ge bleven, ende dat de victualie die toegebracht wert, niet bequaeme fiSj] en wasom te dueren in soo groote hitte, soo nemen zij voor elders te tree- ken. Eer datzij alle t'schepewedergebracht waeren, de Wilden eenseer quade daet bestaende, hebben Claes Jansz. Fortuyn, die als Gouver- neur in de Schans lach, met dry oft vier van de vlote afgeleyt heb- De Gouver- bende een weynich buyten de plaetse van de Schans, om de Schapen Schans ghe- die zy haer veynsden te willen vercoopen, te besien, door listeneen Swarte " ^^ spicsken in de kele geworpen hebbende, omgebracht -). Die daer noch overich waeren, riepen hare medegesellen tot huipe, dewelcke terstont de Wilden vervolgende, jagen die in de vlucht, dewelcke meynden den dooden te plunderen ende wt te trecken. Dit schelm- stuck bedreven zijnde, eenige hoopen wt het volck van de vlote ver- samelt hebbende, zijn nae het binnenste des lants ghetoghen, ende daerna wt den gantschen hoop seventhien voorghesonden hebbende, ende de andere haer achter verborgen houdende, so is een seer dic- ke schare van swerte aen den dach gecomen; want zy seggen, datter ettelicke duysenden zijn gheweest; dese, terwijle zij sochten die van de vlote te omcingelen ende naerder te comen, so is een musket op haer los geschoten, waermede twee swarten ghetroffen werden, Een Swarte t' welck haer so verbaesde datse al de vlucht namen. Eenen man meuer doot. daerentusschen met twee jongers gevangen gecregen hebbende, soo hebben de onse gheacht, dat zy de geleghentheyt hadden becomen om de moort te wreken. Want terstont is over hem de sententie ghe- geven, dat hij soude doorschoten werden ghebonden aen een pael, op de plaets, daer wy gheseyt hebben dat Claes Fortuyn vermoort is geweest ^). Op de plaets comende de patiënt viel neder ter aerde,
i) De door Van Boninghen aangestelde schipper Pieter Dirckz Keyser, die als stuurman overging op de Mauritius.
2) a6 November isgs-
3) Verkeerde voorstelling Verg. Dl I p. 21. a6 October waren i manen a jongens ge- vangen en aan boord gebracht; de gefusilleerde op 28 November was kort te Toren gegrepen. Ibid. p. 37.
II
siende t' bloet van den vermoorden, ende kuste de aerde. De Jon- ghers werden verdeelt, de Comis Houtman creech den eenen ende Jan Jansz, Carel de Jonge den anderen ^). Sij zijn beyde van goeden begrijpe ende bequaem om dinghen ende talen te leeren gevonden geweest. Want in corter tijt conden zy onse tale verstaen ende be- 13 Decem- quamelic spreken. Den derthienden Decembris daerna hebben zy haer anckers gelicht ende zijn t' seyl gegaen ende voorby gevaeren zijnde het Eylant, welck ick geseyt hebbe dat het HoUants Kerckhof ghenoemt is gheweest, hebben bevonden van twee hondert negen en Hondert en veertich mannen verloren te hebben hondert twintich, behalven de *^^'^°*^^^^°°' twee aen t' Hollantsche Kerckhof by sententie aen landt gheset om ^^" '^'i* g^-
° set ende
hare moetwillicheyt ende andere misdaden, nochtans met dese con- ghebannen. ditie, by soo verre zy conden vinden eenige oraengie Appelen oft Le- moenen en brochten, dat zy haer pardoen souden hebben. Dan zijn niet wederghecomen.
Niet lange daerna den 25 Decembris als de Scheepsraet om van Boningson-
der wctc
de saken tot den teghenwoordighen staet dienende te raetslaen in ende tegen Mauritio^) vergadert was, is Boningh sonder weten van alle met de ^^" ^^^ schuyt die weder t' scheep ghesonden was aen Hollandia ghevaren. verste, gaet D'welck den Raedt aengheseyt zijnde, heeft ghevreest dat hij aldaer Schip Hol- door een nieuwe conspiratie eenighe beroerte soude stichten. Heeft *"^'^- derhalven Jan Jansz Carel de Jonge nae Hollandiam gesonden, alsoo zij gheen differentie en hadden. Daer gecomen wesende, seyde Bo- ning, so Houtman hier ghecomen waer, soude hem met de pistole ^) doorschoten hebben ; daarby ook voeghende dat hy levendich wt het Schip Hollandia niet comen soude. Den Schipsraet de sake rijpelick overlegghende,achtendedat men moeste temporiseren ende het von- nisse wtstellen, heeft een generael pardoen bij allen doen publiceren*) Maer hoe weynich oock hierdoor de sake ghebetert zy, sullen de na- volghende dinghen wtwijsen.
Het was nu den vijfsten Januarij, op denwelcken namelic de Sonne T' scheur- daer recht op den kop schijnt, waerdoor het gheschiet is, dat de sieck- de^ieckten ten ende t' scheurbuyck wederom verswaerde. Derhalven zijn zy met ^'"r"^" gemeyne stemme, al hoewel zy hare streke nae Javaghenomen had- den, aen het Eylant van S. Maria aenghecomen, den 11 Januarij, in i5>i6- T' 't jaer 1596. Als zy aen 't landt gevaren waren, is daer terstont eenen sJMane. van het Eylant gecomen. Rijs, Suycker, Hoenders ende andere din-
i) De jongens werden Laurens en Madagascar genoemd.
2) Onjuist. Verg. Dl. Il p. 273 en noot 3.
3) P. p. 150: quam dextra tenebat, weggelaten.
4) Zie Dossier van Boninghen, stuk no. 30.
12
gen brengende. Welcke dinghen ghemerckt, zy niet alleene tot cost maer oock om de crancke te vermaken seer van doene hadden, soo zijn aldaer ettelicke daghen doorghebracht met appelen ende de voor" seyde vruchten op te coopen. Daernae oock te lande gegaen zijnde, hebben den Coninck ghegroet ende met Corael, Spieghels ende an- dere slechte Cramerije beschoncken, welcke dinghen alle bij haer in groote achtinge zijn. De Coninc selve en stack nergens anders mede wt dan in swarticheyt, twee hoornen ghelijc eenen Bisschops mijter op zijn hooft hebbende. De Inwoonders noemden hem Cheque. De Baye Van hier zijn zy den 25 Januarij nae de Baye d' Antongil in S. Lau-
1188]°"^' ^^^^ Eylaiidt gheloopen. Hier is grooten overvloedt gheweest van die dinghen die dienden om goede provisie van victualie te doen ; soo versaghen zy dan hare schepen van alles. Onder andere werden inelck schipettelicke pijpen Rijsghedaen, behalven de Hoenderen, Suycker, Citroenen, ende andere appelen van seer ghesonde vruchten, door dewelcke t' scheurbuyck van die van de vlote heel verdwenen is. De beschrijvinghe des Eylandts ende desselfs grootte, waermede het Ita- lien gelijck is, hebben wy boven ghestelt. Maer in dese Baye quamen zij aen de slincke handt in een Dorp, ontrent van twee hondert huy- sen ; aen de rechte handt waren twee andere met een scherpe Palis- Lib. 5. beiii sadeomvanghen; sodanighe bevestinghen als Cesar in zijne Commen- ici. tarien verhaelt, dat eertijts de Brittannen ghebruyct hebben.
De hutten stonden op 4 oft 5 stutten of palen ende waren van hout en riet gemaeckt ende met bladeren ghedeckt, ontrent twee voeten verheven van der aerde teghen de beten van schadelicke dieren, die in die plaetsen seer vele zijn van Slangen, Hagedissen ende Came- lioens. De inwoonderen en hebben soo platte neusen niet, gelijck de andere Mooren, noch so dicke ende wtstekende lippen, maer hebben een bequame forme, ende zijn vriendelick. Sy hebben oock eenen Coninck, die een groot langh houmes droegh in plaets van eenen Scep- ter, met een engh Cottoenen cleedt van de lendenen tot op de hielen hangende. Sijne armen waren met vijf oft sescopere ringhen veel eer gheladenalsverciert.De ondersaten droeghen hem sulckeeerbiedinghc toe, dat zy in zijne teghenwoordicheyt niet eens kicken en dorsten. Nochtans heeft hy hem teghen de vreemde seer ghemeynsaembewe- sen. Hij werdt van de inwoonders niet alleene Phudo'^) maer oock Andrea gheheeten. De Commisen Houtman ende Carel waren ghe- committeert om den Coninc te gaen besoecken ende hem gheschencken te doen ; dewelcke de Coninck na zijne wijse also feesteerde, dat hij
i) Lees: Phulo, Verg. o.a. Dl. 1 p. 35.
13
droncken wech ghedraghen werdt. Ende terwijlen hij slapen gedragen Dranck der werdt, bliesen zy tot triomph op eenen grooten hoorn ende trommel- ende'de"^ den. Den dranck, die zy gebruyckten, was van water, Rijs ende Ho- ^omncx. nich in eenighe gelijcheyt van onsen wijn oft bier ghemaeckt, sodat men metter waerhey t segghen mach, dat men de dronckenschap inalle deelen des werelts vindt, ende dat oock het water, ah cloeckheyt der gebreken, niet alleene bij de Duytschen ende ons volck, hiertoe ge- bruyckt werdt.^)
Aldus dan van den Conincghescheyden zijnde, in het wedercomen saghen zy by den wech twee handen aen eenen staeck ghespijckert dewelcke de inwoonders te kennen gaven, datse eenen sekeren afghe- houwen waeren gheweest, omdat hij de boomen, die zij Bananas noemen, bestolen oft beschadicht hadde ; soodat men hier wt open- baerelick siet, dat de rechten ende wetten by desel ve in swanghe gaen. Sy hebben oock ghesien een wachthuysken met Spiessen, Assagayen, Rondassen ende dierghelijcke wapenen versien, in hetwelck oock wacht gehouden werdt.
De onse namen met haer vele van de vruchten *), deselve betalen- L189I de, ende zy hebben in alle vrienschap met haer ghetracteert tot op
den 3 Februarij. Doen hebben zy sulcken storm creghen wt den Zuy- Storm ende den ende Westen welck de vlote alsoo ghedreven heeft, dat de Cabels cassie van ghebroken zijnde ende de Anckers wechghenomen, de schepen dre- ^f ^g^ayg ven ; ende souden op de ondiepten ende bynae op de wal ghesmeten Dantongii. geweest hebben, ten waer dat zy haer met seer grooter cracht ende met nieuwe Anckers beholpen hadden. Ende aldus ligghende zijn een ofte twee van hare schuyten afghereten, die nae strandt dreven ende by de Swarte opghehaelt werden, ende zy hebben die teenemael in stucken ghebroken ende gemorselt, de spijckers ende al het yser dat zy vonden seer neerstelick gherooft, omdat zy meynden, soo het ghe- looffelick is, dat zy alle verdrincken souden, ende nemmermeer tot haer weder comen. Maer daerna als de winden ghelegen zijnde, de bootsgesellen wederom moet gheschept hadden, de schepen op de ou- de reede ghebracht hebbende, zijn aen landt ghegaen om haereschu}'- ten weder te eysschen. Welck de Wilden siende, zijn terstont nae de strande t' samen gheloopen, haer vyandelick vertoonende, ende be- gonsten met steenen nae deghene die naerder quamen te werpen, om
i) P. p. 151. Ut verè dici possit, nulla in parte mundi cessare ebrietatem, et aquam eti- am, heu vitiorum solertiam, non apud Germanoset nostrates tantum, huncin usuni exco- gitatam. Verg. Dl. II p. 282, noot 3. 2) Bananas. De beschrijving van den pisangboom is weggelaten.
14
het aencomen in aller manieren te beletten, ofte omdat zy vreesden dat wy ons wreken souden, om het breken van de schuyten, soo wy geseyt hebben, ofte omdat zy de vreemdelinghen aireede moede wa- ren, door eene lichtveerdicheydt allen Wilden aengheboren. Die van de vlote, hoewel zy alle teeckenen van vyantschap in haer saghen en- de oock teghenwoordich gheweldt, hebben haer nochtans vriendelick aenghesproken, ende ghebeden, dat zy den handel, soo zyghewoone waren souden pleghen. Maer als zy merckten dat zyobstinaet bleven ende om best met steenen worpen, met haer Asegaykens ende Schil- den braverende, soo hebben zij mede hare wapenen int werck ghe- leyt ende een musket afschietende, eenen ofte twee doorschoten. De medeghesellen vau de andere Wilden, die daer tegenwoordich waren, namen de schilden derghener die daer lagen, ende die teghen de locht '190; houdende ende een gat daerin siende, namen alle t' samen de vlucht. Daernae die van deVlote aen landt ghegaen zij nde, hebben de naeste Latende hutten aen brandt ghesteken. Ende merckende dat nu hierdoor alle car, vaeren hope van handelinghe haer benomen was, zijn den 12 Februarij van nae Java. ^^^j. ^> ^^yj gggagn f^g^ sggj. cloeck ende gesont volck, hare reyse ne- mende naer Java ende hebben gheseylt ende ghedreven meest in stilte sondcr landt te sien tot den 12 Junij. Ende al dien tijt ghedue- rende en is 00c niemant van de vlote gestorven, oft met eenighe sieckte oft scheurbuyck gequelt geweest, omdat, soo het gelooffelick is. Rijs ende de Lemoenen ende andere eetwaeren van die locht (van dewelcke zy ghenoech versien waren, soo wy aenghewesen hebben) in die gewesten tot het voetsel ende de ghesontheydt bequamer zijn. Ende voorwaerdathet den Scheepsraedt naederhandt gemoeyt heeft, dat zy haer vyandtlick tegen die van het Eylandt stellen mos- ten, ende dat de sake tot de wapenen ghebracht was, daer zy alle dinghen soo overvloedelick medeghedeelt hadden, is buyten twijfel. Sumatra. Het was nu de maent Junius als zy eyndelinghe, ghedurichlick ghevaeren hebbende door de opene zee, Sumatra ^) van verre gesien hebben. Maer eer zy naerder quamen, vondt den Scheepsraedt voor goet dat den twist, die tusschen Boningh ende den Capiteyn ende andere ontsteken was, gestilt soude werden ; opdat zy, de herten van een yeder bevredicht zijnde, derselver hulpe naermaels veerdiger ende ghereeder gebruycken souden. Den Scheepsraet vergadert we- sende, hebben Boningh doen citeren om zijn aenclachten te beant- woorden; hy sochte wclsulcxteontgaen, segghende dat den Scheeps- raet zijn partije was *); is nochtans gccompareert, te meer door vreese
i) P.p. 152 : Sumatram, veteribus Taprobanam appellatam. 3) P.p 152 : adversarium sibi senatus dictans.
I
15
ende het exempel van eenen bootsgheselle verschrickt, wekken den Scheepsraedteenweynichtevooren hadde doen doorschieten, omdat hy den Capiteyn behalven andere misdaden, hadde willendoorsteken.
In aller teghenwoordicheydt vvasHoutman zijn aenclager,seggende, Houtman dat hy als meyneedich t' compromis gebroken hadde, dat hy met t' ac°nciaghei schip van de vlote hadde willen afseylen naer Meiinde, ende ten lesten in de Baye van Dantongil conspiratie hadde ghemaeckt om t' schip Hollandia af te loopen ende den Commis, Schipper ende andere» die hem niet aen en stonden, afghescheyden hebbende, voorgenomen hadde t' selve schip voor hem selven te houden. Welcke ende andere dinghen tegen Boningh voortgebracht zijnde, ende certiticatien van yeder beschuldinge bygebracht, Boningh heeft bynae niet anders hier teghen gheseyt dan dat hij dit door noot soude ghedaen hebben, alsoo die van t' schip Hollandia hem afvielen i). Ten lesten dede Houtman zijnen eysch, waarop den Scheepsraet voor sententie gaf als volcht :
Den Scheepsraedt, ghehoort hebbende de clachte van Houtman wt den naem van 't collegie ende de verandtwoordingebyBoningghe- Boningh
vcrwcscn
daen, ende op alles gelet hebbende om vrede te onderhouden in de totdege- vlote, heeft gheordineert ende ghecondemneert, ordineert endecon- ^'^"^''«"'s- demneert midts desen, dat den persoon van Gerrit Boningh sal ghe. vanckelick blijven opt Schip Mauritius, in alsulcke plaetse als hem by t' Collegie sal worden gheordineert, sonderyemandt van dit schip of andere schepen te spreken, als met consent van 't Collegie, ter tijt datter van den generalen Scheepsraet anders in versien werdt; ende ist by aldien hy eenighen twist maeckt ofte muyterije sticht, t' zy door schrijven, bootschappen of anders, of soeckt wt te breken, sal nae geleghentheydt der saken sonder genade gestraft werden.-)
Eenighe dagen daernae is den brief der Bewinthebbers nopende de succederingen van degene, die eenich voordeel van weerdicheydt janjansz hadden, gheopent, ende bevonden, dat Jan Jansz Karel de Jonghe jonghe tot Successeur van Boningh, soo hem yet overquame, ghenoemt was. 3° ^ings Dewelcke 00c terstont met de stemmen van allen in de plaetse van plaetse. Boning getreden is '). Ende dit volbracht zijnde, soo hebben zy de Pinas de plaetsen ontrent Sumatra gheleghen, doen ontdecken, ende hem bevolen sich met victualie aldaer te versien ende op te coopen,
i) P.p. 153 : quam necessitate adductum se id facere voluisse, cum Hollandiam navem et praefcctos praecipuê, a se abalienatos animadverteret.
2) Verg. het vonnis van den Scheepsraad op lo Juni 1596, N'. 43 der stukken van het dossier van Boninghen. Deze werd „mei beyde beenen in de boeijen gestelt". Dl. II p. 2S8.
3) i8Junii59ö.
i6
sooveel als hy conde becomen. Op het geruchte van de comste der
De Overste vreemdelingen is de Overste van het Dorp Dampin terstont baer te
Dorp^Dam- ghemoete gecomen, een man van wreedt ghelaet, met swarte ooghen,
P'°' dunnen baert, met eenen tamelicken knevel ; hij was op zijn Turcx
ghecleedt, ende was seer vriendelick teghen de vreemdelinghen.
Sijne dienaers presenteerden aen die van de vlote sekere bladeren, die zyaltijtknouwen met calck vermengt; zynoemenseBetele.De andere schare der inwoonderen bracht te coope: Indische Noten, Meloenen, Concommeren, Loock, Ajuyn, Peper ende andere dierghelijcke. Als nu hier die van de vlote insghelijcx hare coopmanschappen thoonden ende te kennen gaven, dat zy die voor peper ende andere specerijen begeerden te manghelen, zy spraken alle van Banta[m], dat dit de plaetse was, daer alles wat zy wenschen mochten, in groote menich- te te coope was. Eenen Lootsman danghehuerthebbende,diedoorde Strate van Sunda haer den wech soude wijsen, zijn vele cleyne Eylan- dekens voorby ghevaren, ende hebben den 22junij aen een Eylandt dry mijlen van Bantam liggende haer anckers wtgheworpen. Maer Sunda Ca- de engde, daer ick van gesproken hebbe, is tusschen Java ende Su- ^^^' matra, ende wordt gemeynelick de Strate ofte passagie van Sunda
Calapa ghenoemt, soodat ie my seer verwondere, dat dit woordt, welck oock van de Noordersche volcken in die beteeckenisse noch heden ten daghe gebruyckt wort, oock ghebruyckelick is by dese wterste Indianen. Want een yeder is bekent Oresund in Denemarck; Stralesund in Pomeren ende Trapesund van Pontus Euxinus; voor een reede ende inham van de groote Zee, ende andere dierghelijcke namen van plaetsen hier van genomen. Maer terwijle zy hier ver- Portugesen toeven, zijn ettelicke Portugijsen van Bantam aen boort ghecomen, tam comen tot desen eynde ghesonden om den Gouverneur aen te dienen, wat aen boort. ^^^^ luyden het zijn mochten, die men seyde angecomen te wesen, ende met wat voornemen zy waeren gecomen. De onse hebben op een yeder punct nae geleghentheydt des tijts ende dat haer goet dochte gheandtwoordt. Doen begonsten de Portugesen wederom te vraghen of zij brieven van Don Emanuel ^) hadden.Waerop als zij neen gheseyt hadden, seyden zy voorder, dat zy wel ter rechter plaetsen geraeckt waeren seer vruchtbaer van Peper, ende dat Ban- tam als den Spijcker daervan vermaert was, maer dat zy ter onbe- quamer tijt ghecomen waren. Want dat zy ende de andere Portuge- sen met de Chinesen t' voornaemste ghewas van Peper aireede op-
i) Verg. Dl. I. p. 73. Dat zal wel zijn van Don Antonio. Don Emanuels vader, wiens dood (26 Aug. 1595) bij de komst der Hollanders, op Java nog niet bekend was.
ï7
ghecocht hadden, ende als zy versien waren, datter nauwclicx yet o- 192] verschieten soude. Ende van den Coninc gevraecht zijnde, andtwoor- den dat de Coninck van Bantam, ontrent twee maenden geleden doot gheschotenwasonderPalimban, een stadtin Sumatraghelegen, die hy meynde in te nemen, alsoo hem die was afgevallen. Dat hy dry huys- vrouwen naergelaten hadde, van dewelcke de outste nauwelicx vijf- thien jaren oudt was; ende een kindt van vijf maenden^) erfghenaem van t' Coninckrijcke, ende dat hem tot voocht gegeven was zijn Grootvader, dewelcke hier en tusschen het Coninckrijck soude be- dienen, met name Chepaten ^). Dese ende dierghelijcke propoosten over wederzijden gehadt hebbende, als het nu spade wert, zijn met haer schuyte weder nae de stadt ghekeert, Maer de onse, ende voor- namelickdebevelhebberen der schepen bedroefden haer dat te Ban- tam sooveel Portugesen waeren, wel wetende